11. Over de werking van het hart (1648)
De Nederlandse pijlers van Harveys circulatietheorie
Titelpagina van William Harveys klassieke werk over de bloedsomloop, in de door Zacharias Sylvius sterk verbeterde uitgave van 1648, waaraan de Dissertatio de corde van Jacobus de Back is toegevoegd.
Het inzicht dat het bloed in het menselijk lichaam niet in een eb en vloedbeweging van de lever naar de periferie beweegt, maar circuleert met het hart als drijvende kracht in het centrum, staat op naam van de Engelsman William Harvey (1578-1657). Na jarenlange filosofische reflectie, gebruik makend van mechanicistische redeneringen en experimenten door vivisectie, publiceerde hij zijn revolutionaire inzicht in 1628. Het verscheen in een klein boekje onder de titel Exercitatio anatomica de motu cordis et sanguinis (Anatomische oefening over de beweging van het hart en bloed). Daarna zou het nog decennia duren voordat de wetenschappelijke wereld Harveys ontdekking algemeen accepteerde. Die moeizame ontvangst had vooral te maken met de slechte redactie van De motu cordis. Zo ontbrak het bewijs voor een cruciaal element uit Harveys betoog, namelijk de overgang van slagaders naar aders, en kwamen andere elementen uit de antieke fysiologie door een aanvaarding van de leer van de bloedsomloop op losse schroeven te staan. Al deze barrières voor de ontvangst van Harveys theorie werden door Nederlandse medici geslecht.
Demonstratie van de kleppen in de aderen. Strijkt men het bloed weg uit een ader die afgesloten wordt gehouden, dan wordt terugstroming van het bloed door de kleppen belet.
De leidende positie van Nederland in het fysiologisch onderzoek van de zeventiende eeuw werd daardoor overtuigend bevestigd. De zuivering van De motu cordis van ernstige fouten in het Latijn en de verdere redactionele bewerking was het werk van de medicus Zacharias Sylvius die zijn dagelijks werkterrein vond in de Latijnse school van zijn woonplaats Rotterdam.
Zijn plaatsgenoot Jacobus de Back voegde aan deze editie een Dissertatio de corde (Verhandeling over het hart) toe. Hierin omarmde hij niet alleen Harveys theorie, maar zag hij eveneens de verregaande consequenties van deze acceptatie voor het medische denken onder ogen. Inmiddels had de Leidse hoogleraar Johannes Walaeus met zijn studenten in 1640 het experimentele bewijs – uiteraard op levende dieren – geleverd dat capillaire bloedvaten de schakel vormden tussen slagaders en aders.
Bijna een halve eeuw later (1688) zag Antoni van Leeuwenhoek de ‘missing link’ in Harveys theorie door ook deze vaten onder zijn microscoop zichtbaar te maken. Bij dat alles speelde ook de filosofie van René Descartes, bij uitstek verdedigd door Nederlandse onderzoekers, een belangrijke rol in het acceptatieproces.
Een pompend hart in een hydraulisch systeem van vaten paste uitstekend in het mechanische mensbeeld dat zij verdedigden. De cruciale vraag hoe het hart deze pompwerking realiseerde, namelijk door mechanische dan wel chemische krachten vanuit de hartkamers of door een ritmische spierwerking, moest aan latere onderzoekers ter beantwoording worden overgelaten.
Literatuur
M.J. van Lieburg, De Nederlandse vertaling van William Harvey’s boek over de beweging van het hart en bloed, in: W. Harvey, Over de beweging van het hart en bloed; vertaald uit het Latijn door Nicolaas van Assendelft (Rotterdam: Pharmad Publishing, 1988) 531.
R.K. French, William Harvey’s natural philosophy (Cambridge: Cambridge University Press, 1994).
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
De canon is in de boekhandel te koop voor 17,50 euro. U kunt het boek ook online bestellen bij Elsevier Gezondheidszorg.
Meest bekeken canon-vensters:
18. Herman Boerhaave (1713)
10-12-2009 |
Europees icoon van de klinische geneeskunde »»
Reacties: Plaats een reactie
22. Het genootschap van Bonn (1790)
10-12-2009 |
Sociabiliteit in medische kringen »»
Reacties: Plaats een reactie
36. De cardiograaf van Einthoven (1903)
10-12-2009 |
Nobelprijs voor elektrodiagnostiek »»
Reacties: 5 reacties

