14. De iatrochemie van Sylvius (1672)
Het scheikundige alternatief voor de mechanistische mens
Gravure van een alchemistchemicus, zittend in zijn laboratorium voor een destillateerapparaat. De prent verscheen in Jan Luykens bekende boek Het menselijk bedrijf (1694).
In het natuuronderzoek en de medische wetenschap tekenden zich na 1650 twee hoofdstromingen af. De eerste richtte zich op de fysische en mechanistische verklaringen van de natuur en werd in de geneeskunde als iatrofysica of iatromechanica aangeduid.
René Descartes en zijn medische volgelingen, onder wie Henricus Regius uit Utrecht, zetten hier de toon. De tweede hoofdstroming had haar wortels in de wereld van occulte kennis, magie en alchemie die in de zestiende eeuw door het werk van Paracelsus betekenis had gekregen voor de geneeskunde.
Zijn volgelingen, onder wie de Vlaming JeanBaptiste van Helmont, probeerden de dynamiek en veranderingsprocessen in het lichaam te verklaren met chemische theorieën en zochten in chemische middelen (chemiatrie) een uitbreiding of alternatief van de galenische therapie met hoofdzakelijk plantaardige stoffen. Door hun ketterse imago vormden Paracelsisten en Helmontianen geen meerderheid. Dat veranderde met de introductie van de zogeheten iatrochemie, waaraan voor Nederland onlosmakelijk de naam van Franciscus dele Boë, Sylvius (1614-1672) is verbonden.
Franciscus dele Boë, Sylvius, afgebeeld op een postzegel uit de zomerserie van 1937.
Toen Sylvius in 1658 werd benoemd, kreeg Leiden een hoogleraar geneeskunde met een ruime instelling die zowel de theorieën van Descartes als die van Van Helmont op waarde wist te schatten. Hij had zich bekeerd tot de nieuwe fysiologie van de circulerende lichaamsvochten en wist zich geïnspireerd door zijn geestverwanten in Engeland.
In die complexe denkwereld formuleerde Sylvius zijn eigen iatrochemische theorie. Die theorie was gebaseerd op de handhaving van een evenwicht tussen zure en alkalische stoffen, op de interactie tussen beide kwaliteiten die leidde tot het fenomeen van de opbruising (effervescentie), op de verklaring van veranderingsprocessen, in het bijzonder bij de spijsvertering, en op de betekenis van vooral de fermentatie bij het ontstaan van koortsen.
In 1669 stichtte Sylvius het eerste universitaire chemische laboratorium om het nodige onderzoek te kunnen uitvoeren. Zijn iatrochemische inzichten heeft Sylvius niet in een afzonderlijke monografie beschreven, maar ze zijn terug te vinden in de vele disputaties die onder zijn leiding door medische studenten werden verdedigd.
Kort voor zijn dood publiceerde hij zijn collegestof onder de titel Praxeos medicae idea nova (Nieuw begrip van de praktijk der geneeskunde, 1671). Door zijn heldere, mechanicistische redeneertrant wist hij de scheikunde, ontdaan van haar occulte dimensie, onderdeel te maken van het wetenschappelijke debat van zijn tijd. Dat was overigens slechts één verdienste waarvoor Sylvius bij zijn tijdgenoten erkenning genoot.
Minstens zo belangrijk waren zijn bijdragen tot de kliniek en het klinisch onderwijs, en tot de anatomie en de pathologische anatomie.
Literatuur
E.D. Baumann, François dele Boë, Sylvius (Leiden: Brill, 1949).
H. Beukers, Mechanistische principes bij Franciscus dele Boë, Sylvius, Tijdschrift voor de geschiedenis der geneeskunde, natuurwetenschappen, wiskunde en techniek 5 (1982) 6-15.
A.G. Debus, Chemistry and medical debate. Van Helmont to Boerhaave (Nantucket: Science History Publications, 2001).
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
De canon is in de boekhandel te koop voor 17,50 euro. U kunt het boek ook online bestellen bij Elsevier Gezondheidszorg.
Meest bekeken canon-vensters:
18. Herman Boerhaave (1713)
10-12-2009 |
Europees icoon van de klinische geneeskunde »»
Reacties: Plaats een reactie
22. Het genootschap van Bonn (1790)
10-12-2009 |
Sociabiliteit in medische kringen »»
Reacties: Plaats een reactie
36. De cardiograaf van Einthoven (1903)
10-12-2009 |
Nobelprijs voor elektrodiagnostiek »»
Reacties: 5 reacties

