37 Anna Reynvaan (1921)
Van roeping tot beroep
Anna Reynvaan, adjunctdirectrice van het Buitengasthuis, sinds 1893 van het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam.
Tot ver in de negentiende eeuw werden de meeste zieken thuis verpleegd door vrouwelijke familieleden. Verplegen betekende vooral het voeden en verbedden van de zieke, en soms het verlenen van assistentie aan de medicus.
Vanaf 1837 konden zieken ook een beroep doen op de katholieke Zusters van Liefde, protestantse diaconessen of neutrale pleegzusters. Wie geen familie had kon in geval van ziekte terecht bij een van de stedelijke gasthuizen. Door de komst van het moderne ziekenhuis ontstond behoefte aan opgeleide verpleegkundigen.
In 1878 startte de NoordHollandsche Vereniging Het Witte Kruis met een opleiding voor ‘nette dames’. Een jaar later kregen zeven vrouwen het witte ivoren kruisje opgespeld. Onder hen bevond zich Johanna Pauline Reynvaan (18441920), dochter van een gefortuneerde tabakshandelaar in Amsterdam. Na haar diplomering zette Reynvaan zich in voor de professionalisering van de beroepsgroep.
Zo reorganiseerde ze het Amsterdamse Buitengasthuis, ontwikkelde ze een cursus voor leerlingverpleegkundigen en bouwde ze aan een landelijke verpleegkundige infrastructuur. In 1890 richtte Reynvaan met jonkvrouw Jeltje de Bosch Kemper (1836-1916) het Maandblad voor ziekenverpleging op, drie jaar later de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging.
Een groep gediplomeerde verpleegsters in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam omstreeks 1895. In het midden de adjunctdirectrice (in het zwart) Lientje de BussyKruysse, de opvolgster van Anna Reynvaan.
Al snel bleek dat de transformatie van charitatieve naar verpleegkundige zorg vooral in handen was van (mannelijke) artsen. De hervormingen in het Buitengasthuis had Reynvaan niet kunnen doorvoeren zonder de steun van de psychiater Jacob van Deventer, en ook binnen de Bond werd de toon gezet door medici.
In handen van ziekenhuisdirecties was de organisatie een instrument tot regulering van de nieuwe beroepsgroep geworden. In 1900 kreeg de Bond concurrentie van de Nederlandsche Vereeniging tot Bevordering der Belangen van Verpleegsters en Verplegers.
De Vereeniging, die werd gesteund door de vrouwenbeweging en door progressieve artsen als Aletta Jacobs en Arnold Aletrino, rekruteerde haar leden uit álle maatschappelijke lagen, niet alleen die der ‘nette dames’.
De Bond beschuldigde de Vereeniging ervan het traditionele roepingsideaal te hebben verruild voor een socialistische koers. De sociale kloof tussen beide verenigingen werd nog vergroot door de verzuiling; door de dubbele versplintering werd het verpleegkundige beroep aanzienlijk verzwakt.
In 1906 duidde Johan Stumpff, geneesheerdirecteur van het Amsterdamse Binnengasthuis, de verhouding tussen de verpleegkundige en de medicus als volgt aan: ‘Gij zijt zijne assistente geworden, gij completeert zijn arbeid.’ Die onderschikking werd in 1921 bezegeld door de wettelijke regeling voor het verpleegstersdiploma. Recent is de verpleegkundige – in de gedaante van de nurse practitioner – aan een nieuwe opmars begonnen.
Literatuur
M. van BrinkPoort, Anna Reynvaan (1844-1920) (Amsterdam: Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging, 1963).
N. Wiegman, The origins of modern nursing in the Netherlands, Nursing History Review 4 (1996) 8397. N. Wiegman en J. Wachelder (red.), Zorgen als professie, Gewina 27 (2004) nr. 2, themanummer
Terug naar de canon
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
De canon is in de boekhandel te koop voor 17,50 euro. U kunt het boek ook online bestellen bij Elsevier Gezondheidszorg.
Meest bekeken canon-vensters:
18. Herman Boerhaave (1713)
10-12-2009 |
Europees icoon van de klinische geneeskunde »»
Reacties: Plaats een reactie
22. Het genootschap van Bonn (1790)
10-12-2009 |
Sociabiliteit in medische kringen »»
Reacties: Plaats een reactie
36. De cardiograaf van Einthoven (1903)
10-12-2009 |
Nobelprijs voor elektrodiagnostiek »»
Reacties: 5 reacties

