De canon is in de boekhandel te koop voor 17,50 euro. U kunt het boek ook online bestellen bij Elsevier Gezondheidszorg.
Samenstellers canon:
Het Domus Overleg bood op 11 december 2009 de ‘Canon van de geneeskunde in Nederland’ aan aan de KNMG-voorzitter. De canon bevat 50 ‘vensters’ met hoogtepunten en keerpunten uit de medische geschiedenis in Nederland en is samengesteld door de medisch historici Frank Huisman en Mart van Lieburg.
Meest bekeken canon-vensters:
Nieuwste reacties op canon-vensters:
-
Vaccinatie: preventie door overreding of dwang?
Gouden koepokmedaille, uitgereikt in 1824 aan P.K. Pel, geneesheer te Oenkerk. Aan de voorzijde van de penning het randschrift Volitat iam fama per orbem (= Haar roem verspreidt zich spoedig over de aarde).
Hoewel de pokken nooit de ontzagwekkende reputatie van de pest hebben gehad, heeft de ziekte altijd veel slachtoffers gemaakt. In de grotere steden van de Republiek overleed tijdens een uitbraak 10 tot 30% van de bevolking. In de loop van de negentiende eeuw veranderde het sterftepatroon ingrijpend, onder meer doordat de pokken werden teruggedrongen.
Tussen 1840 en 1990 verdubbelde de gemiddelde levensverwachting bij geboorte. Deze ‘demografischepidemiologische transitie’ was het gevolg van een combinatie van factoren: collectieve preventieve maatregelen, een stijging van het welvaartsniveau en actieve medische interventie. Bij dat laatste moeten we vooral denken aan de pokkenvaccinatie.
De aanvaarding van vaccinatie als een zinvolle medische handeling kende een grillig verloop. Medici waren onderling verdeeld over de waarde van vaccinatie en van godsdienstige zijde was er veel principieel verzet tegen de ingreep. Ook heeft het de overheid lang aan de bestuurlijke slagkracht ontbroken om een vaccinatiedwang in te stellen. In 1798 publiceerde Edward Jenner, zijn bevindingen met de koepokinenting (later vaccinatie genoemd).
De Rotterdamse medicus Levie Salomon Davids was onder de indruk van zijn boek, en besloot proeven te nemen met de koepokstof die hij min of meer toevallig had gekregen. In 1800 rapporteerde hij positieve resultaten; een jaar later was hij medeoprichter van het Genootschap voor Koepokinenting.
De Rotterdamse medicus Levie Davids introduceerde in 1799 de ontdekking van Jenner in Nederland.
Kort daarna werden ook in andere steden vaccinatiegenootschappen opgericht. Deze genootschappen deden onderzoek, organiseerden gratis vaccinatiecampagnes voor de armen en bepleitten de algemene invoering van vaccinatie. Dat laatste veronderstelde gecoördineerde politieke steun, en juist daaraan ontbrak het.
Tijdens de Verlichting was weliswaar de overtuiging gegroeid dat de volksgezondheid een politiek thema vormde, maar als gevolg van de staatkundige organisatie van de Republiek had dit weinig concrete initiatieven opgeleverd. De uitvoering van die gedachte werd vooral overgelaten aan particuliere initiatieven zoals die van de vaccinatiegenootschappen.
Na de Bataafse Revolutie (1795) en zeker na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden (1814) trok de nationale overheid op vele maatschappelijke terreinen het initiatief naar zich toe. Toch deinsde men ook toen terug voor dwangmaatregelen; alleen voor de armen werd vaccinatie verplicht gesteld. Om ook de vaccinatiegraad van de rest van de bevolking te verhogen werd aan ouders een premie en aan ijverige vaccinateurs een gouden medaille in het vooruitzicht gesteld.
Pas in 1872 stelde de Wet op de Besmettelijke Ziekten vaccinatie voor alle schoolgaande kinderen verplicht. De nationale overheid leverde hiermee een belangrijke bijdrage aan de ‘medicalisering’ van de Nederlandse samenleving.
Literatuur
W. Rutten, ‘De vreselijkste aller harpijen’. Pokkenepidemieën en pokkenbestrijding in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw (’t GoyHouten: HES, 1997). H. Bazin, The eradication of smallpox. Edward Jenner and the first and only eradication of a human infectious disease (San Diego: Academic Press, 2000).
Terug naar de canon -
De vroedvrouw in de Nederlandse gezondheidszorg
Catharina Geeruida Schrader, de vroedvrouw van Dokkum. Haar beroepsjournaal is een monument in de ontwikkeling van de Nederlandse verloskunde waarin vroedvrouwen en verloskundigen een hoofdrol spelen.
Oude vroedvrouwenboekjes, verschenen onder welluidende titels zoals Den roseghaert vanden bevruchten vrouwen(1528) en ’t Boeck vande vroetwijfs (1591), geven zicht op de expertise waarmee de vroedvrouwen in de zestiende en zeventiende eeuw actief waren in de verloskundige hulpverlening.
Ordonnanties van chirurgijnsgilden met bepalingen over hun gildeplichtigheid, admissie en ook examinering, en instructies die horen bij de aanstelling in stedelijke en kerkelijke functies, plaatsen de vroedvrouw uit deze periode in de context van de medische beroepen.
Wanneer op het einde van de zeventiende eeuw de vroedmeester met zijn speciale instrumentarium op het toneel verschijnt, begint een lange strijd om competenties, vaardigheden en bevoegdheden op het terrein van de verloskunde. In die strijd wordt de vroedvrouw door haar mannelijke tegenspelers op veelal negatieve wijze in beeld gebracht. Het stereotiepe beeld ontstaat van de incompetente vroedvrouw die door vroedmeesters en later ook obstetrische doctoren in het gareel moet worden gehouden. Het klassieke werk van Hendrik van Deventer, getiteld Manuale operatien..., zijnde een nieuw ligt voor vroedmeesters en vroedvrouwen, haar getrouwelijk ontdekkende al wat nodig is te doen om barende vrouwen te helpen verlossen (1701), zette daarvoor de toon.
Het
De vondst (1850) van het Memoryboeck van de Vrouwens van de Friese vroedvrouw Catharina Geertruida Schrader (1656-1746) zou deze beeldvorming ingrijpend wijzigen. In haar beroepsjournaal beschreef zij meer dan een halve eeuw lang haar praktijkvoering in Dokkum en omstreken en noteerde zij bijna drie van de ruim vierduizend bevallingen waarbij haar hulp werd ingeroepen.
Haar relaas geeft zicht op de dagelijkse praktijk van een vroedvrouw die in competentie en vaardigheid haar concurrerende vroedmeesters en doctoren moeiteloos overtrof. Gecompliceerde bevallingen door bekkenafwijkingen van de moeder en gevaarlijke liggingen van het kind of de placenta wist zij veelal ten goede te keren en tot een gelukkig einde te brengen.
Haar notities over de sociale omstandigheden en psychische toestand van de moeder, haar empathische bejegening van de vrouwen in barensnood, en de wijze waarop zij haar expertise en vaardigheden op professionele wijze bij bevalling en kraambed inzette, maken vrouw Schrader tot een unieke verschijning in de geschiedenis van de Nederlandse verloskunde.
Zij werd daarmee een inspirerend voorbeeld voor de moderne vertegenwoordigers van het verloskundig beroep. Haar optreden past in de lange en bijzondere traditie van de thuisbevalling in Nederland. Daar spelen de zelfstandig werkende vroedvrouwen nog altijd een hoofdrol. Die weten zich bij complicaties en risicovolle bevallingen gesteund door de obstetrischgynaecologische expertise van academisch geschoolde specialisten.
Literatuur
C.G. Schrader’s Memoryboeck van de Vrouwens. Het notitieboek van een Friese vroedvrouw 1693-1745. Bewerkt en ingeleid door M.J. van Lieburg; met een verloskundig commentaar van prof. dr. G.J. Kloosterman (Amsterdam: Rodopi, 1984).
E.R. van Teijlingen e.a. (red.), Midwifery and the medicalization of childbirth. Comparative perspectives (Hauppage: Nova Science Publishers, 2004). -
Romeinse geneeskunde in Nederland
Het Houten geneesmiddelen- of kruidenkistje, gevonden in een sarcofaaggraf op de Hunerberg bij Nijmegen, waarin ook glaswerk, enkele ringen, een schaar en medische instrumentjes werden aangetroffen.
Ruim drie eeuwen Romeinse bezetting van een groot deel van het huidige grondgebied van Nederland bood de lokale bevolking gelegenheid – zij het indirect – kennis te maken met de geneeskunde en gezondheidszorg van Grieks-Romeinse herkomst. De medici en verplegers (capsarii) trokken mee met de legioenen en hielden zich op in het militaire hospitaal (valetudinarium) dat een vast onderdeel van elke legerplaats (castrum) was.
Ze regelden de sanitaire en hygiënische behoeften van de soldaten, boden verzorging en verpleging aan de zieken, en verleenden op het slagveld geneesen vooral heelkundige hulp aan de gewonden.
Kort vóór de jaartelling werd op de Hunerberg bij Nijmegen een grote legerplaats gebouwd voor ten minste twee legioenen (in totaal zo’n twaalfduizend manschappen). Het is het grootste monument van de Romeinse cultuur op Nederlandse bodem.
Tot het gebouwencomplex herstelbehoorde ook een valetudinarium, ook al vindt men dat nog niet terug bij de opgegraven delen. Het valetudinarium was opgetrokken en ingedeeld volgens een vast bouwplan, voorzien van systemen voor de aanvoer van drinkwater en afvoer van urine en fecaliën.Het bood onderdak aan zieken, gewonden én herstellenden (reconvalescenten).
De vondst van een medicijnkistje en van enkele heelkundige instrumenten bevestigt en illustreert de genees- en heelkundige hulp die in het Nijmeegse castrum geboden werd.
Na de ontdekking van de boekdrukkunst kon de antieke geneeskunde, op de titelprent gepersonificeerd door Hippocrates en Galenus, ook onder de geletterde burgerij ruimere bekendheid krijgen door middel van handboeken, zoals dat van Petrus Sylvius, in 1540 verschenen onder de titel Tfundament der medicinen ende chyrurgien. Een boek van den urinen ende andere teekenen der siecten [...].
Het handhaven van een gezonde leefregel betreffende licht en lucht, eten en drinken, slapen en waken, beweging en rust, en het verstrekken van passende medicamenten rekende de medicus tot zijn hoofdtaken.
Wondbehandeling en kleine chirurgie, zoals aderlaten, vormden de hoofdmoot van de heelkundige zorg. Moeilijke en risicovolle ingrepen, bijvoorbeeld aan de ogen of het verwijderen van blaasstenen, werden aan meer ervaren en ‘gespecialiseerde’ medici overgelaten. In de directe omgeving van de legerplaatsen illustreerden grote badhuizen de hygiënische opvattingen van de Romeinen.
Elders langs de noordgrens (limes) van het Romeinse Rijk, die langs de Rijn van Nijmegen naar Katwijk liep, verrezen onderkomens voor kleinere legereenheden. Ook daar beschikte men over medisch personeel en medische voorzieningen, en volgde men een hygiënische leefregel die op de inheemse bevolking indruk moet hebben gemaakt.
Een brede kennismaking met het medische gedachtegoed van de antieke wereld werd pas eeuwen later mogelijk dankzij de drukpersen van de renaissancistische boekcultuur. De zorgvuldig door humanistische geleerden geredigeerde geschriften van de belangrijkste medici uit de GrieksRomeinse cultuur, onder wie Hippocrates en Galenus de bekendste zijn, vormen sindsdien de basis van het geneeskundige denken in de WestEuropese cultuur, de Lage Landen niet uitgezonderd. Oudheid Wondbehandeling en kleine chirurgie, zoals aderlaten, vormden de hoofdmoot van de heelkundige zorg.Literatuur
M.Th.R.M. Dolmans, De medische verzorging van de Romeinse soldaat, Hermeneus 64 (1992) 111.
H. van Enckevort, J.K. Haalebos en J. Thijssen, Nijmegen. Legerplaats en stad in het achterland van de Romeinse limes (Abcoude: Uniepers, 2000).
Canon-vensters met meeste reacties:
19. Het beroepsjournaal van vrouw Schrader (1734)
10-12-2009 |
De vroedvrouw in de Nederlandse gezondheidszorg »»
Reacties: 4 reacties
24. De koepokmedaille (1808)
10-12-2009 |
Vaccinatie: preventie door overreding of dwang? »»
Reacties: 2 reacties
1. Het meisje van Yde (1e eeuw)
10-12-2009 |
Leven en ziekte in de prehistorische tijd »»
Reacties: 2 reacties

