U bent nu hier:

‘Dove en blinde’ gynaecoloog

Publicatie Nr. 10 - 10 maart 2010
Jaargang 2010
Rubriek Selectie van de inspectie

Een vrouw wordt, een maand voor de uitgerekende datum, ter observatie opgenomen, vanwege verdenking op pre-eclampsie. Een eerder kind is met een spoedsectio geboren nadat de moeder minder leven voelde. Ook nu spreekt ze dagelijks haar ongerustheid uit, omdat ze minder leven voelt. Na enkele dagen beoordeelt de gynaecoloog de CTG als niet-afwijkend. Zijn collega ziet er de volgende dag echter wel een matig variabel beeld in. Voor het kind is het dan al te laat. De gynaecoloog wordt verweten dat hij niet eerder speciale maatregelen nam en de afwijkende CTG niet herkende. Er volgt een berisping.

Zaaknummer Centraal tuchtcollege 2007/184
Specialisme Gynaecoloog
Uitspraak Berisping
Klager Ouders
Feiten Op 16 oktober 2000 is klaagster door middel van een spoedsectio bevallen van een zoon, waartoe verweerder de indicatie had gegeven. Voorafgaand aan de spoedsectio voelde ze minder leven. Aanleiding voor de spoedsectio vormden weinig vruchtwater, een strak CTG en een reversed flow. Klaagster was in 2004 opnieuw zwanger en de uitgerekende datum was bepaald op 13 oktober 2004. CTG-registratie, flow-meting en bloedonderzoek waren goed. Wel had klaagster wat eiwit in de urine, lichte hoofdpijn, een bandgevoel in de buik en voelde zij minder beweging. Op 15 september 2004 werd klaagster voor observatie opgenomen. Verweerder was de dienstdoende gynaecoloog. Er is vanwege ongerustheid bij klaagster een CTG gemaakt in de ochtend en avond. Deze werden als goed afgegeven. Verweerder is vervolgens tot 17 september 2004 afwezig geweest. Op 16 september 2004 is opnieuw een CTG gemaakt welke werd beoordeeld als niet afwijkend. Op 17 september 2004werd het CTG van 16 september 2004 door een andere gynaecoloog beoordeeld als matig variabel. Toen om 11.45 uur opnieuw een CTG werd gemaakt bleek het kind te zijn overleden. De dienstdoend gynaecoloog heeft op het verzoek van klagers tot beëindiging van de zwangerschap aangegeven at dit risico’s met zich bracht en aangegeven dat een afwachtend beleid moest worden gevoerd. Klaagster is uiteindelijk in een ander ziekenhuis spontaan bevallen van een dochter met een geboortegewicht van 2415 gram. Door de patholoog anatoom is vastgesteld dat ten aanzien het kind zelf geen duidelijke afwijkingen waren, die het overlijden konden verklaren en dat de verklaring van het overlijden moest worden gezocht in de placenta.
Leermoment De gynaecoloog is te verwijten dat hij bij herhaling, wetend dat hij van doen had met een risico patiënte die ook nog dagelijks haar ongerustheid uitsprak over het feit dat zij zo weinig leven van de baby voelde, afwijkende CTG’s niet als afwijkend heeft herkend. Daardoor heeft hij niet onderkend dat hij te doen had met een baby in nood en is zodoende niet gekomen tot een adequaat beleid. De gynaecoloog had twee opties: 1. Op 15 september voor alle veiligheid de geboorte bewerkstelligen 2. Ten behoeve van zijn collega’s die na hem dienst hadden al het nodige doen om hen goed te informeren en alarmeren. Dit heeft hij nagelaten. In de status heeft hij niets genoteerd over de opname van een hoog-risico patiënte, noch een alarmsignaal geplaatst bij de klacht dat weinig leven werd gevoeld en ook niet de CTG beschreven waarop hij een kringetje had gezet waar mogelijk sprake was geweest van een deceleratie. N.B. Preeclampsie en groeiachterstand? Volgens de nieuwste inzichten is dit reeds reden om een zwangerschap te beëindigen. In deze casus komt daar dus cumulatief nog eens een slecht CTG en een verminderd gevoel van leven bij.


2007/184
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer 2007/184 van: 1. A. 2. B., echtelieden, wonende te C., appellanten, klagers in eerste aanleg, gemachtigde: mr. A.M. Vogelzang, advocaat te Amsterdam tegen D.,  gynaecoloog, wonende te C., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht.


1. Verloop van de procedure

De echtelieden AB. – hierna te noemen: klagers, dan wel onderscheidenlijk: klaagster en klager – hebben op 2 december 2005 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen de gynaecoloog D. – hierna te noemen: verweerder – een klacht ingediend. Bij beslissing van 13 maart 2007, gewezen onder nummer 05/316, is die klacht afgewezen. Klagers zijn daarvan tijdig in hoger beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld in hoger beroep, tegelijk maar niet gevoegd met de zaak van klagers tegen de gynaecoloog E. (2007/185), ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 december 2008. Daar zijn verschenen klagers, bijgestaan door mr. A.M. Vogelzang voornoemd, en verweerder, bijgestaan door mr. O.L. Nunes voornoemd. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze zijn daarna overgelegd.


2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft in deze zaak het volgende, voorzover thans van belang, overwogen:

“2. De feiten.
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

a. Nadat zij was verwezen door de verloskundige heeft klaagster, geboren op
25 september 1968, zich op 16 oktober 2000 gemeld bij Ziekenhuis F. (hierna te noemen het ziekenhuis). Zij voelde bij een zwangerschapsduur van 38 2/7 week minder leven. Vervolgens is zij diezelfde dag door middel van een spoedsectio bevallen van een zoon G.. Aanleiding voor de spoedsectio vormden weinig vruchtwater, een strak CTG en een reversed flow.

b. Op 25 februari 2004 heeft klaagster zich wederom gemeld bij het ziekenhuis ter controle van haar tweede zwangerschap. De uitgerekende datum werd bepaald op 13 oktober 2004.

c. Bij de controle op 19 augustus 2004 werd bij klaagster een bloeddruk gemeten van 140/100mmHg waarvoor klaagster 3 dd 250 mg Aldomet voorgeschreven kreeg.

d. Op 5 september 2004 is klaagster tussentijds op controle gekomen omdat zij minder leven voelde. Het CTG was toen goed.

e. Op dinsdag 14 september 2004 werd bij een zwangerschapsduur van 36 weken een bloeddruk van 160/95 mmHg vastgesteld. Klaagster had voorts een spoortje eiwit in de urine. Er is een CTG-registratie, een flow-meting en een bloedonderzoek verricht. De uitslagen hiervan waren goed.
Met klaagster is toen afgesproken dat zij de volgende dag ter observatie zou worden opgenomen.

f. Op woensdag 15 september 2004 is klaagster ’s-ochtends opgenomen. Verweerder was op die dag de dienstdoende gynaecoloog. De anamnese werd afgenomen door een co-assistent. Er is die dag mede vanwege de bij klaagster bestaande ongerustheid ’s-ochtends en ’s-avonds een CTG gemaakt die beiden als goed werden afgegeven.

g. Verweerder is na 15 september 2004 met vakantie gegaan. Op 17 september 2004 was hij weer in het ziekenhuis aanwezig.

h. Op donderdag 16 september 2004 had gynaecoloog H. dienst. Er is ’s-ochtends een CTG gemaakt. Dit CTG is beoordeeld als niet afwijkend.

’s-Avonds is geen CTG meer gemaakt.

i. In het verpleegrapport is bij 16 september de volgende tekst opgeschreven:
“mw. sliep goed. RR 140/90
mw voelt zich goed. CTG gemaakt p/o H. eerst haar boek uitlezen dan evt. met ontslag als alles goed gaat, Mw heeft geen klachten. Mw gaat rustig haar gang. Geen klachten. RR 160/95.”

j. Op vrijdag 17 september 2004 had E. dienst. Klaagster is ’s-ochtends besproken tijdens de papieren visite. Er waren geen bijzonderheden. E. heeft het op 16 september 2004 gemaakte CTG beoordeeld als matig variabel.

E. heeft toen besloten dat patiënte naar huis kon afhankelijk van haar tensie en de uitslag van een die ochtend nieuw te maken CTG. Hij heeft dit aan patiënte medegedeeld en is begonnen aan zijn poliklinisch spreekuur.

k. Om 11.45 uur is een CTG gemaakt waarbij geen cortonen werden gevonden.
Bij de vervolgens gemaakte echo werd geen hartactie vastgesteld. Het kind van klagers bleek te zijn overleden.

l. E. is vervolgens tijdens zijn spreekuur opgeroepen en is langsgegaan bij klaagster. Er heerste verbazing en verslagenheid.

m. E. heeft na zijn spreekuur met klagers gesproken. Klagers wilden de zwangerschap direct beëindigen. E. heeft uitgelegd dat dit risico’s met zich meebracht en dat een afwachtend beleid moest worden gevoerd. Hij heeft klagers voorgesteld naar huis te gaan teneinde de dood van hun kind in eigen omgeving tot zich te laten doordringen. Voorts heeft hij een afspraak met klagers gemaakt voor woensdag 22 september 2004.

n. Op zaterdag 18 september 2004 is klaagster nog naar het ziekenhuis gekomen omdat zij dacht dat zij geel zag en een droge mond had. Er is laboratorium- onderzoek gedaan maar dit liet geen afwijkingen zien. Klagers zijn weer naar huis gegaan.

o. Uit onvrede hebben klagers zich op maandag 20 september 2004 gemeld in ziekenhuis I. alwaar klaagster op 23 september 2004 spontaan in partu is gekomen en is bevallen van een dochter, J. genaamd, met een geboortegewicht van 2415 gram.

p. Het door de patholoog anatoom van ziekenhuis I. opgemaakte obductieverslag van J. bevat de volgende definitieve conclusie:

“Intra-uterien overleden derde graads gemacereerd meisje zonder congenitale afwijkingen, de uitwendige maten en gewichten zijn ongeveer conform de amenorroeduur, de inwendige organen zijn deels normaal, deels duidelijk te licht (lever, nieren, milt, bijnieren en thymus).

De verklaring voor het overlijden moet worden gezocht in de placenta, zie daarvoor het placentaverslag.”
q. In het placentaverslag staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
“placenta met een beeld passend bij een intra-uteriene vruchtdood, met opvallend uitgebreide afwijkingen waarbij minder dan de helft van het placentaparenchym nog functionerend kan zijn geweest. Bovendien wordt een stolsel aangetroffen in een groot foetaal vat, er kan dus mogelijk sprake zijn van stollingsstoornissen. Zijn hiervoor klinisch aanwijzingen?”

r. Het ziekenhuis heeft naar aanleiding van een door klagers ingediende klacht de protocollen betreffende beoordeling van CTG’s en intra uterine vruchtdood (hierna te noemen IUVD) aangepast.


3. Het standpunt van klagers en de klacht.

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder heeft nagelaten adequaat beleid in te zetten omdat hij:

1. bij de aanvang van zijn begeleiding van de tweede zwangerschap ten onrechte heeft verzuimd de eerste zwangerschap en bevalling te evalueren op risicofactoren;

2. heeft nagelaten de anamnese, het onderzoek en de diagnose van de co- assistent te evalueren;
3. heeft verzuimd de CTG’s van 15 en 16 september 2004 te beoordelen;

4. heeft nagelaten klaagster zelf te onderzoeken op 15, 16 en 17 september 2004 dan wel haar op 15 september 2004 door een collega-gynaecoloog te laten onderzoeken;

en voorts:

5. heeft nagelaten de begeleiding van klagers na de IUVD-diagnose van E. over te nemen;
6. heeft nagelaten op eigen initiatief maatregelen te nemen om deze verzuimen in de toekomst te voorkomen;

7. niet op eigen initiatief een MIP-melding heeft gedaan.

Klagers stellen hiertoe dat hen het hoogst zit dat hun zorgen in het ziekenhuis zijn weggesust. De geboorte van hun eerste kind was een schrikbeeld. Teneinde dit te voorkomen hebben zij bij de tweede zwangerschap om medische deskundigheid gevraagd. Die is hen echter onthouden. Ten gevolge hiervan is hun dochter tijdens de opname van klaagster in het ziekenhuis overleden, aldus tenslotte klagers.


4. Het standpunt van verweerder.

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen weersproken. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.


5. De overwegingen van het college.

Anders dan klagers stellen is het college van oordeel dat uitgangspunt in het tuchtrecht is dat een klacht slechts gegrond is indien sprake is van persoonlijke verwijtbaarheid. Er zijn in deze zaak door klagers geen bijzondere omstandigheden in de werkwijze van de gynaecologen of anderszins gesteld die een uitzondering op deze hoofdregel zouden kunnen rechtvaardigen.

Verweerder kan dan ook geen verwijt worden gemaakt van mogelijk onzorgvuldig handelen door zijn collega’s of door de op zijn afdeling werkzame verpleegkundigen.

Ad 1:

Niet vast is komen te staan dat verweerder bij de controle van de tweede zwangerschap het verloop van de eerste zwangerschap niet of onvoldoende in aanmerking zou hebben genomen. Op de zwangerschapskaart van klaagster staat de voorgeschiedenis van klaagster vermeld. Verweerder heeft op 14 september 2004 toen bij klaagster een iets verhoogde bloeddruk en een spoortje eiwit in de urine werden vastgesteld direct een onderzoek ingesteld door een CTG-registratie, een flowmeting en een bloedonderzoek te laten doen. Voorts heeft hij toen met klaagster afgesproken dat zij de volgende dag zou worden opgenomen. Verweerder heeft daarmee voldoende adequaat beleid gevoerd.

Ad 2:

Verweerder heeft bij binnenkomst van klaagster in het ziekenhuis mogen besluiten de opname door een co-assistent te laten verrichten. Niet vast is komen te staan dat verweerder zich van de uitkomsten van het onderzoek door de co-assistent niet op de hoogte zou hebben gesteld en deze niet zou hebben geëvalueerd. Verweerder heeft een adequaat beleid ingesteld gebaseerd op het protocol bij hypertensie van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. Voorts is hij goed omgegaan met de bij klaagster bestaande ongerustheid door ’s-avonds nogmaals het CTG te laten herhalen.

Ad 3:

Verweerder heeft de beide CTG’s die op 15 september 2004 zijn gemaakt beoordeeld en afgegeven als goed. Het ingezette beleid van medicatie en bedrust behoefde derhalve niet te worden bijgesteld. Op 16 september 2004 was verweerder met vakantie. Het op die dag gemaakte CTG kon hij dus niet beoordelen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Ad 4:

Of verweerder klaagster persoonlijk heeft onderzocht op 15 september 2004 kan, gelet op de verschillende standpunten van partijen hierover, niet worden vastgesteld.

Het college is van oordeel dat verweerder op 15 september 2004 gelet op de resultaten van de tot dan toe gemaakte CTG’s, de recente flowmeting, het bloedonderzoek, en de slechts weinig verhoogde bloeddruk niet verplicht was om klaagster zelf te onderzoeken dan wel door een collega-gynaecoloog te laten onderzoeken. Klaagster had geen alarmerend hoge bloeddruk en er was slechts een spoortje eiwit aangetoond in de urine. Gedurende de korte periode dat verweerder dienst had zijn er geen objectieve aanwijzingen gevonden die ingrijpen rechtvaardigden.

Ad 5:

Evenmin was verweerder verplicht op 17 september 2004 de begeleiding van klagers na de geconstateerde IUVD over te nemen van E.. E. verleende zorg aan klagers. Er was geen aanleiding hem dit uit handen te nemen.

Ad 6:

Dat verweerder niet op eigen initiatief maatregelen heeft genomen en de protocollen heeft bijgesteld, zoals klagers stellen, kan op zichzelf niet leiden tot tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van verweerder.

Ad 7:

E. heeft naar aanleiding van de bevalling een MIP-melding gedaan. Verweerder is dan niet verplicht nogmaals zelf een MIP-melding te doen. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”


3. De grieven en het verweer in hoger beroep

De gezamenlijke grieven bestrijden de beslissing in eerste aanleg in volle omvang en hebben tot strekking dat deze wordt vernietigd, dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en dat aan verweerder een maatregel wordt opgelegd.

Verweerder bestrijdt alle grieven en verzoekt om bevestiging van de beslissing waarvan beroep.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. In de aangevallen beslissing zijn onder 2 sub a t/m r de relevante feiten vastgesteld. In deze instantie wordt van die feiten uitgegaan, echter met dien verstande dat waar onder 2 sub e vermeld wordt van de op dinsdag 14 september 2004 verrichte CTG-registratie dat de uitslag goed was, in plaats daarvan door het Centraal Tuchtcollege wordt gelezen: dat het gemaakte CTG als goed werd aangemerkt.

4.2. De kern van het in eerste aanleg gegeven oordeel is deze: dat verweerder bij de controle van de tweede zwangerschap het verloop van de eerste onvoldoende in aanmerking heeft genomen is niet komen vast te staan, en het beleid van verweerder is én op de 14e én op de 15e september 2004 voldoende adequaat geweest.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege komt op deze punten tot een ander oordeel, gezien het hierna volgende.

4.3.1. Op 16 oktober 2000 bevalt klaagster via een spoedkeizersnede op het nippertje van een levende baby. Die ingreep wordt uitgevoerd door een gynaecoloog die dan behoort tot dezelfde groepspraktijk als verweerder en die, naar verweerder zelf zegt, de ingreep uitvoerde nadat de indicatie daartoe door verweerder was gesteld. Deze ingreep is onder meer geïndiceerd omdat, in het kader van de controle die klaagster ondergaat wegens het voelen van minder leven van de baby, een slecht/strak CTG wordt gezien.

4.3.2. Verweerder kent, als klaagster begin 2004 weer in verwachting is en zich bij hem meldt, uit eigen wetenschap en gesteund door vastgelegde gegevens haar voorgeschiedenis uit het jaar 2000. Hij weet dus dat zij een risico-patiënte is op het punt van zwangerschap.

4.3.3. In de periode van 25 februari t/m de tweede helft van augustus 2004 vinden periodieke poliklinische controles plaats. Op zondag 5 september 2004 meldt klaagster zich ongerust in het ziekenhuis voor een extra controle omdat zij, naar zij zegt, sinds twee dagen minder leven van de baby voelt. Er wordt een CTG gemaakt. Dit wordt als “fraai” beoordeeld.

4.3.4. Bij de eerstvolgende reguliere controle twee dagen later, dus op dinsdag

7 september 2004, spreekt zij dezelfde ongerustheid uit. Opgetekend wordt dan: “leven nog hetzelfde sinds 5/9”.

4.3.5. Op dinsdag 14 september 2004 volgt weer een controleonderzoek van klaagster, uitgevoerd door een verloskundige. Klaagsters bloeddruk blijkt iets opgelopen te zijn, zij heeft wat eiwit in de urine, zij heeft lichte hoofdpijn, zij heeft een bandgevoel in de buik en zij deelt mede minder beweging van het kind te voelen.

Er wordt tussen 10.00 en 12.00 uur die morgen een CTG-registratie verricht. De uitslag daarvan wordt als goed beoordeeld.

Gezien de opgelopen bloeddruk en klaagsters ongerustheid inzake het voelen van weinig kindbeweging besluit verweerder dat klaagster de volgende dag ter observatie zal worden opgenomen.

4.3.6. Het Centraal Tuchtcollege stelt ten aanzien van dat door verweerder als “goed” beoordeelde CTG van die 14e september 2004 vast dat de kwalificatie “goed” onjuist is. Dit CTG is op meerdere onderdelen afwijkend, het laat een te snelle hartactiviteit van het kind zien, het toont onvoldoende variabiliteit, tweemaal is er sprake van een langdurige deceleratie en er is geen enkele normale acceleratie, zoals behorend bij een bewegend kind, te zien.

4.3.7. Woensdagmorgen 15 september 2004 volgt de observatieopname. Verweerder is de dienstdoende gynaecoloog. De anamnese wordt afgenomen door de co-assistent K.. Die voormiddag wordt er weer een CTG gemaakt. Verweerder beoordeelt het en zet op de uitdraai ervan op een bepaalde plaats – zoals hij ter zitting in hoger beroep zelf heeft bevestigd – een omcirkeling. Hij parafeert het CTG en geeft het af als goed. Het wordt bij het medisch dossier van klaagster gevoegd.

4.3.8. Het Centraal Tuchtcollege stelt ook inzake dit door verweerder als “goed” afgegeven CTG van de ochtend van 15 september 2004 vast dat het niet goed mag worden genoemd. Het laat immers een te snelle hartfrequentie zien, geen acceleratie, doch mogelijkerwijze wel een deceleratie op de door verweerder omcirkelde plek.

4.3.9. Verweerder weet op deze 15e september 2004 dat hij de beide volgende dagen geen dienst heeft op de afdeling gynaecologie; donderdag de 16e niet omdat hij dan een vakantiedag heeft, vrijdag de 17e niet omdat hij dan een eigen operatieprogramma heeft. Op die dagen heeft telkens een andere gynaecoloog dienst. In de avond van die 15e september wordt nog een extra CTG gemaakt, waartoe door verweerder overdag wegens de bij klaagster voortbestaande ongerustheid opdracht is gegeven. Het wordt tussen 20.00 en 22.00 uur gemaakt en het wordt gezien door de verpleegkundige L.. Deze bespreekt dit CTG, aldus is voldoende aannemelijk geworden, die avond nog telefonisch met verweerder, die dan niet meer in het ziekenhuis is. Dit CTG wordt door hem als goed beoordeeld. Deze beoordeling beschouwt het Centraal Tucht- college als adequaat. Ook deze CTG-uitdraai wordt in het dossier gedaan en dat dossier staat de volgende morgen aan de dan dienstdoende gynaecoloog ter beschikking.

4.3.10. Wat betreft de beoordeling van verweerders optreden op de twee dagen dat hij dienst had, dinsdag 14 en woensdag 15 september 2004, leidt de vorengeschetste gang van zaken tot deze conclusie: hem is ernstig te verwijten dat hij bij herhaling, althans tenminste tweemaal, wetend dat hij van doen had met een risico-patiënte die ook nog dagelijks haar onrust uitsprak over het feit dat zij zo weinig leven van de baby voelde, afwijkende CTG’s niet als afwijkend heeft herkend, dat hij daardoor niet heeft onderkend dat hij te doen had met een baby in nood, en zodoende niet tot een adequaat beleid is gekomen. Zo’n beleid zou bestaan hebben uit een keuze tussen twee varianten. De ene is dat hij op woensdag 15 september, toen hij dienst had, zelf voor alle veiligheid de geboorte op die dag bewerkstelligde. De andere is dat hij ten behoeve van de collega’s die na hem dienst deden al het nodige deed om hen goed te informeren en te alarmeren; zulks heeft hij nagelaten; hij heeft niets in de status gezet over de opname van een hoog-risico-patiënt, hij heeft niet nog een alarmsignaal geplaatst bij haar herhaalde klacht dat zij weinig leven voelde en hij heeft niet duidelijk gewezen op de mogelijke deceleratie waarop hij zelf was gestuit en die hij van een kringetje had voorzien. Het moge zo zijn dat het binnen verweerders maatschap geen gebruik is om CTG’s nog te beschrijven en die beschrijving bij het dossier te voegen, aldus werkend ontneemt men wel aan collega’s de mogelijkheid om adequaat op signalen van een patiënt te reageren, althans zulks wordt bemoeilijkt, en verweerder had zich daarvan bewust moeten zijn.

Aan dit alles doet niet af dat er op 15 september 2004 ’s avonds – zie hierboven onder 4.3.9. – een CTG is geweest dat geen onrust baarde.

4.4. Het voorafgaande impliceert dat verweerder nalatig is geweest in het betrachten van voldoende zorg jegens klaagster, als bedoeld in artikel 47 Wet BIG. De klacht is dus gegrond en de beslissing waarvan beroep moet worden vernietigd. Het Centraal Tuchtcollege acht, gelet op de ernst van deze nalatigheid alsmede op verweerders documentatie die een waarschuwing laat zien voor een eerder betrachten van onvoldoende zorg als gynaecoloog, een berisping de maatregel die in dit geval geboden is.

4.5. Op hier onbesproken gebleven stellingen van partijen – inclusief het op zichzelf juiste betoog van verweerder dat slechts voorzover hem persoonlijke verwijtbaarheid treft de klacht gegrond is – behoeft niet meer te worden ingegaan.


5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart de klacht gegrond, voorzover inhoudend dat verweerder als gynaecoloog op 14 en 15 september 2004 onvoldoende zorg jegens klaagster heeft betracht;
berispt verweerder deswege.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter, mrs. W. Jonkers en W.P.C.M. Bruinsma, leden-juristen en dr. R.A. Verweij en prof.dr. G.H.A. Visser, leden-beroepsgenoten en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009, door mr. A.D.R.M. Boumans, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier? Dan dient u eerst in te loggen.

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

De zaak Van der Linde

    Petitie voor steun Van der Linde

    Petitie voor steun Van der Linde  |  Ter ondersteuning van huisarts Hans van der Linde, die is aangeklaagd door het RIVM en Roel Coutinho, is er sinds enkele dagen een online petitie. Daarop kunnen mensen aangeven dat zij… »»
    Reacties: 3 reacties


Meer berichtgeving in dossier Van der Linde »»

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd