U bent nu hier:

MC 01 - Onder psychiaters

Publicatie Nr. 1 - 02 januari 2002
Jaargang 2002
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege

Bij het lezen van de boeken van Agatha Christie is het zaak om zo snel mogelijk vertrouwd te raken met de opgevoerde personages. Zo niet, dan raak je als meelezende detective al gauw het spoor bijster. Extra moeilijk wordt het als de personages namen meekrijgen die niet te onthouden zijn. Toen A de bloedende B onderaan de trap van C zag liggen en D - die zojuist haar relatie met E uit F had beëindigd - met de revolver van H nog in de hand naast B zag staan, belde zij direct I om via J dokter K te kunnen waarschuwen.
Bereidt u zich bij het lezen van onderstaande tuchtzaak voor op iets soortgelijks en op een mogelijk wat verwarrende chronologische volgorde. Maar de casus is dan ook op waarheid gebaseerd. We hebben wat speurwerk voor u verricht:
Klager is een op psychische gronden arbeidsongeschikte hoofdopzichter, die op aanvraag van bedrijfsarts na enkele maanden ziektewet wordt onderzocht door de aangeklaagde psychiater. Deze rapporteert dat ‘paranoïde schizofrenie’ de best passende diagnose is. Hij vermeldt en passant dat de vermoede seksuele intimidatie van klager ten opzichte van vrouwelijke collega’s heel goed zou kunnen passen bij een andere mogelijke diagnose: een manische periode bij een bipolaire stoornis. Deze rapportage vormde voor klager al in een eerdere fase aanleiding de psychiater voor het tuchtcollege te brengen, wat resulteerde in een berisping voor de psychiater, hem opgelegd door het Centraal Tuchtcollege.
Waar het in onderstaande zaak om gaat is de klacht dat de psychiater zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. En wel omdat hij zonder de vereiste toestemming een bovendien voor de klager belastende correspondentie had gevoerd met collega-psychiater E, die op verzoek van een verzekeringsarts aanvullend onderzoek bij klager had verricht en daarbij het hem door klager verstrekte rapport van de psychiater had ‘gekraakt’. Dit nu leidde tot een intercollegiale correspondentie, een soort papieren oorlogje tussen de beroepsgenoten, met de hoofdopzichter als lijdend voorwerp. Deze wil dan ook dat de volledige correspondentie op enigerlei wijze wordt meegewogen in de beoordeling. Bij één brief staat het Centraal Tuchtcollege dat echter niet toe, hetgeen voor klager aanleiding is de mogelijkheid van een derde klacht aan te kondigen. Hoe dan ook, ook in deze (tweede) zaak krijgt de klager gelijk. Wel krijgt de psychiater de lichtere straf van een waarschuwing, omdat hem in de eerste zaak de zwaardere maatregel van berisping is opgelegd. Een wijziging in strafmaat waar de meeste artsen naar onze ervaring weinig verschil in zien.
Tot slot is nog van belang de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege dat degene die een klacht indient, geacht wordt akkoord te gaan met het verstrekken van gegevens door de aangeklaagde aan de tuchtrechter, voorzover althans die gegevens bij de beoordeling van betekenis kunnen zijn. Het belang van een eerlijk proces brengt dat mee. Maar de klager moet dan wel kunnen weten dat zijn toestemming voor het verstrekken van relevante gegevens wordt verondersteld.
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 6 september  2001
Beslissing in de zaak van A, wonende te B, appellant, AA, advocaat te L, tegen
C, psychiater te D, wonende te D,
verweerder in hoger beroep, CC, advocaat te M.
 
1. Verloop van de procedure
Appellant - hierna te noemen klager - heeft op 25 februari 1999 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen verweerder in hoger beroep - hierna te noemen de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 oktober 2000, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De psychiater heeft op 28 mei 2001 een brief, ingekomen op 30 mei 2001, aan de voorzitter van het Centraal College gezonden, die bij de stukken is gevoegd. Klager heeft bij brief met bijlagen van 26 juni 2001, ingekomen op 27 juni 2001, daarop gereageerd.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare  terechtzitting van het Centraal College van 28 juni 2001 waar zijn verschenen klager, bijgestaan door AA, die een pleitnota heeft overgelegd, en de psychiater, bijgestaan door CC, die eveneens aan de hand van een pleitnota de zaak heeft toegelicht.


2. Beslissing in eerste aanleg
De in eerste aanleg ingediende klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat klager door de door de psychiater aan E op 23 juli 1998 geschreven brief is geschaad, omdat daarin onwaarheden staan. De psychiater heeft met deze brief zijn medisch beroepsgeheim geschonden.
Het door de psychiater in eerste aanleg gevoerde verweer houdt, zakelijk weergegeven, in dat hij E heeft geschreven omdat hij onaangenaam was getroffen door diens uitlatingen over de psychiater. Van schending van het medisch beroepsgeheim is geen sprake. De psychiater mocht zich in het belang van zijn verdediging in de zaak tot E wenden.


Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


Verweerder heeft de bewuste brief geschreven ter verdediging van en toelichting op het rapport dat hij eerder over klager heeft uitgebracht. Hij heeft niet de bedoeling gehad de brief in de openbaarheid te brengen. In de brief stonden geen feiten die al niet in het
eerdere rapport waren vermeld. Ook
E schrijft in zijn rapport dat er een probleem ‘op het terrein van de intieme contacten’ was en een conflict met
klagers werkgever.
In die zin verschilt verweerders brief niet van de brief van E. Daarom valt niet in te zien dat verweerder door zijn brief zijn beroepsgeheim heeft geschonden, te minder nu het hier gaat om mededelingen aan een collega die net als verweerder een beroepsgeheim heeft.
Dat neemt niet weg dat het college er begrip voor heeft dat klager zich door de toon en het woordgebruik van verweerder gekwetst voelt. Verweerder heeft in zijn brief weinig wetenschappelijke
distantie betracht. Hij had zijn commentaar op een neutrale manier moeten schrijven.
Verweerder heeft dan ook niet geheel gehandeld zoals van hem had mogen worden verwacht, maar niet in die mate dat hij in tuchtrechtelijke zin verwijtbaar heeft gehandeld.


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal College uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De psychiater is directeur van F. In dit centrum verricht hij psychiatrische keuringen.
Klager is als hoofdopzichter werkzaam geweest bij de gemeente G. Sinds 29 mei 1996 was hij arbeidsongeschikt.


Op verzoek van een bedrijfsarts van de Arbodienst van de GG en GD te H is klager op 24 september en 2 oktober 1996 in het centrum van de psychiater onderzocht. De psychiater heeft op 24 oktober 1996 zijn rapport uitgebracht. Zijn conclusie was dat klager op psychiatrische gronden arbeidsongeschikt was. Daarbij schrijft hij onder andere:


’Betrokkene is een 48-jarige man, die er conform zijn kalenderleeftijd uitziet.
( ... ) Zijn toon, spraak en psychomotoriek waren adequaat. ( ... ) Gedurende het gesprek van 3½ uur kwam de lijdensdruk van betrokkene sterk over. Hij verliest op een gegeven moment in het gesprek de controle, wordt zeer kwaad en slaat met zijn hand op het bureaublad. Betrokkene komt wat achterdochtig over. Hij heeft al veel instanties moeten zien en heeft al bij veel instanties zijn verhaal moeten doen en heeft het idee dat hij met dit rapport de WAO ingeduwd wordt, terwijl hij graag wil werken. Zijn stemming was dysfoor, verontwaardigd en boos - hoewel hij zich wel excuseerde voor zijn uitval en zei dat het niet persoonlijk bedoeld was. Zijn stemming is ook wat wisselend. Hij heeft geen psychosomatische klachten, geen conversieverschijnselen. Zijn bewustzijn is normaal. Betrokkene is goed georiënteerd in plaats, tijd en persoon. Zijn geheugen is ongestoord. ( ... ) Verbale agressie is aanwezig. Betrokkene is duidelijk geagiteerd en maakt een agressieve getergde indruk.


Conclusie:
( ... ) Een valide MMPI-2, waarin de klachten enigszins gebagatelliseerd zijn, wijst naar aanzienlijke psychopathologie: er is sprake van een manische episode, bipolaire of dienstige stoornis of paranoïde schizofrenie. Het laatste past het meest bij het geziene en gehoorde tijdens het onderzoek.’


Onder het hoofd ‘Bespreking van de klachten van betrokkene’ vermeldt dit rapport voorts onder meer:


’Boosheid, woede en verontwaardiging, naast paranoïdie, overheersen bij betrokkene. Echt manisch was hij niet: hij liet zich nl. wel onderbreken. Anderzijds is het best voorstelbaar dat hij in een manische of submanische episode - door kritiek en oordeelstoornissen die bij manie behoren - enkele signalen verkeerd heeft begrepen of signalen meende gezien te hebben die er niet waren en zich meer dan het nodige heeft gepermitteerd tegenover vrouwelijke collega’s met de voorstelbare pijnlijke gevolgen van dien.
‘Zo’n aantijging, sexuele intimidatie - hoewel ik met de feiten niet bekend
ben - past bij uitstek bij het gedrag in een manische episode. ( ... )’


Klager heeft tegen de psychiater naar aanleiding van het opgestelde rapport een klacht ingediend tegen de psychiater, welke klacht in hoger beroep bij beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 22 juni 2000 gegrond is verklaard. Aan de psychiater werd de maatregel van berisping opgelegd.


De adviserend verzekeringsarts van de I heeft E te J verzocht een aanvullend onderzoek te verrichten. Klager heeft E het rapport van de psychiater overhandigd. E schrijft onder meer het volgende:


’Er is echter geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. ( ... )
‘Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk, dat er bij betrokkene sprake is van een zekere kwetsbaarheid voor heel bepaalde situaties. Tenslotte ligt er wel een probleem op het terrein van de intieme contacten. De relevantie daarvan voor het conflict, waarin betrokkene met zijn werkgever is terecht gekomen, is echter niet duidelijk aantoonbaar. Betrokkene heeft in de loop van 1995 en 1996 last gekregen van symptomen, die hooguit aan een passagere paniekstoornis doen denken, en die duidelijk samenhingen met de druk, waaronder hij zich voelde staan. Er is nooit op enig moment sprake geweest van een psychotische decompensatie of een manische ontremming, ( ... ).
‘( ... ) in dit verband moet mij van het hart, dat de conclusies die in het rapport van collega C worden getrokken, voor mij onbegrijpelijk zijn. Hoe kan de diagnose psychotische stoornis worden gesteld, zonder dat in het psychiatrisch onderzoek ook maar enig symptoom of klacht vermeld wordt, die dit rechtvaardigt? Achterdocht is op zichzelf geen psychotisch symptoom, zeker niet in een situatie als die, waarin betrokkene verkeerde.’
Op 23 juli 1998 heeft de psychiater een brief geschreven aan E. Daarin komen de volgende passages voor.


’Gezien het feit dat U als psychiater een “flitsende” reputatie geniet, is uw oordeel nogal hard aangekomen, bij mij in ieder geval ( ... ).


‘Hij was bij ons op 24 september 1997 (het Centraal College leest: 1996) volkomen normaal, maakte een beleefde en gereserveerde indruk en hij maakte een vlotte MMPI; negen dagen later was hij furieus. ( ... )
‘De houding van A bij mij tijdens het onderzoek, was - zoals U in mijn rapport mocht lezen - uitgesproken angstaanjagend. Tijdens mijn 20-jarige loopbaan bij de sociale psychiatrie, heb ik herhaaldelijk nachtelijk agressieve of paranoïde mensen moeten onderzoeken of benaderen en ik kan U vertellen dat ik voor minder, mensen met een IBS heb laten opnemen. Dat U geen waanideeën en hallucinaties in mijn rapport heeft kunnen vinden, kwam door het feit dat betrokkene op vragen daaromtrent niet wilde antwoorden. Men mag zo’n gedrag dan niet psychotisch noemen, maar hij was het wel. ( ... ) ik geloof er niets van dat een normale man, op verschillende tijdstippen, bij verschillende vrouwelijke collega’s, over de schreef gaat, zonder sexueel ontremd te zijn.’


4. De omvang van het geding in hoger beroep
4.1. Klager heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, nu naar zijn oordeel de psychiater in de brief van 28 mei 2001 wederom klachtwaardige zaken heeft vermeld, deze bij de behandeling van de zaak mee te nemen en te laten meewegen bij het oordeel omtrent de op te leggen maatregelen. Indien het Centraal College van oordeel zou zijn dat dit verzoek neerkomt op een in hoger beroep niet toegestane uitbreiding van de klacht, heeft klager verzocht, op voorwaarde dat de psychiater met die gang van zaken in zou stemmen, eventueel nieuw klachtwaardig handelen, vervat in de brief van 28 mei 2001, te laten meewegen bij de beoordeling van de oorspronkelijke klacht. Het Centraal College begrijpt dat klager daarmee doelt op overeenkomstige toepassing van de voor het vooronderzoek geschreven bepaling van artikel 66, tweede lid van de Wet BIG, die mogelijk maakt dat het onderzoek zich mede kan uitstrekken tot andere dan in het klaagschrift vermelde feiten en omstandigheden.
Klager heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven zich het recht te willen voorbehouden naar aanleiding van de brief van 28 mei 2001 een nieuwe klacht in te dienen bij het Regionaal Tuchtcollege, indien de psychiater niet kan instemmen met de door klager voorgestane gang van zaken bij de beoordeling van het hoger beroep.


4.2. De psychiater heeft zich erop beroepen dat in dit stadium van het geding en voor het eerst in hoger beroep aanbrengen van een op nieuwe feiten berustende klacht niet mogelijk is. Tegen het bij de beoordeling van de oorspronkelijke klacht laten meewegen van eventueel tuchtrechtelijk verwijtbare uitlatingen in de brief van 28 mei 2001, maakt de psychiater evenzeer bezwaar.


4.3. Het Centraal College is van oordeel dat voorzover het verzoek van klager meebrengt dat voor het eerst in hoger beroep een op nieuwe feiten berustende klacht wordt aangebracht, dit verzoek niet op de wet berust en ook overigens strijdig is met de eisen van een behoorlijke rechtspleging.
Het verzoek om eventueel tuchtrechtelijk verwijtbare uitlatingen in de brief van 28 mei 2001 te betrekken bij de beoordeling van de oorspronkelijke klacht, komt niet aan de orde, nu niet aan de voorwaarde waaronder dit verzoek gedaan werd, is voldaan.
Het Centraal College zal ook niet ambtshalve een en ander in de beoordeling betrekken, nu klager zich uitdrukkelijk het recht heeft willen voorbehouden ter zake een klacht bij het Regionaal College in te dienen.


4.4. De brief van  28 mei 2001 wordt dan ook niet in de beoordeling betrokken, zodat de omvang van het geding begrensd blijft tot de in eerste aanleg geformuleerde klacht.


5. Beoordeling van het hoger beroep
5.1. De kern van de klacht is dat de psychiater door zijn brief aan E zijn beroepsgeheim jegens klager heeft geschonden. Het andere onderdeel van de klacht, inhoudende dat de brief ook onwaarheden bevat, is door klager niet nader gesubstantieerd en is derhalve ongegrond.


5.2. Op diverse punten houdt de brief aan E informatie over klager in, die niet vermeld is in het aan E geopenbaarde rapport van 24 oktober 1996. Het betoog van de psychiater dat hij reeds omdat hij in zijn brief niets nieuws meldde zijn beroepsgeheim niet kan hebben geschonden, gaat daarom niet op.


In zijn brief refereert de psychiater aan stemmingswisselingen bij klager en vermeldt in dit verband:


‘Hij was bij ons op 24 september 1997 (het Centraal College leest: 1996) volkomen normaal, maakte een beleefde en gereserveerde indruk en hij maakte een vlotte MMPI; negen dagen later was hij furieus.’


Deze observatie evenals de passage:


‘Tijdens mijn 20-jarige loopbaan bij de sociale psychiatrie, heb ik herhaaldelijk nachtelijk agressieve of paranoïde mensen moeten onderzoeken of benaderen en ik kan U vertellen dat ik voor minder, mensen met een IBS heb laten opnemen. Dat U geen waanideeën en hallucinaties in mijn rapport heeft kunnen vinden, kwam door het feit dat betrokkene op vragen daaromtrent niet wilde antwoorden. Men mag zo’n gedrag dan niet psychotisch noemen, maar hij was het wel. ( ... ) ik geloof er niets van dat een normale man, op verschillende tijdstippen, bij verschillende vrouwelijke collega’s, over de schreef gaat, zonder sexueel ontremd te zijn’
bevatten informatie over klager die niet in het aan E bekende rapport is vervat.


5.3. Het stond gelet op zijn beroepsgeheim de psychiater niet vrij om deze informatie en deze standpunten over het functioneren van klager aan een derde te openbaren, dan met toestemming van klager. Die toestemming heeft de psychiater niet gevraagd en ook overigens mocht hij er niet vanuit gaan dat hij die toestemming had. Evenmin was er sprake van een intercollegiaal consult, nu E immers geen informatie bij de psychiater heeft ingewonnen. Dat E evenals de psychiater geheim-houder is, doet aan het voorgaande niet af.


5.4. Voorzover klager betoogt dat de psychiater tevens zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden doordat deze via de postkamer van de K te J de geadresseerde heeft bereikt, overtuigt dit betoog niet. Medisch geheim wordt niet geschonden doordat post, die dergelijke geprivilegieerde informatie bevat  eerst via een postkamer van een instelling de geadresseerde bereikt. Ook valt niet in te zien dat het enkele gegeven dat de brief is ingebracht in de tuchtprocedure, een schending van het beroepsgeheim inhoudt. Wie een klacht indient, wordt immers geacht de jegens hem geldende geheimhoudingsplicht op te heffen voor zover het gegevens betreft die voor de beoordeling door de tuchtrechter van betekenis kunnen zijn.


5.5. Het voorgaande betekent dat de psychiater jegens klager zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en dat de klacht gegrond is. In het gegeven dat aan de psychiater in de tuchtzaak betreffende zijn rapportage van 24 oktober 1996, waarmee de thans opnieuw tuchtrechtelijk aan hem te verwijten gedraging nauw samenhangt, reeds de maatregel van berisping is opgelegd, vindt het Centraal College aanleiding de thans op te leggen maatregel te matigen tot een waarschuwing.


Om redenen aan het algemeen belang ontleend, wordt op de voet van artikel 71 van de Wet BIG de publicatie van deze beslissing bevolen.


6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
legt de psychiater de maatregel van waarschuwing op; 


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact almede het Tijdschrift voor de psychiatrie met het verzoek tot plaatsing.


 Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, leden-juristen; mw. E.C.M. Plag, prof. dr. F.E.R.E.R. de Jonghe, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2001, door mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, in tegenwoordigheid van de secretaris. <<

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd