U bent nu hier:

MC 06 - Vrijheidsbeperking

Publicatie Nr. 6 - 05 februari 2002
Jaargang 2002
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege



'De separeer is een ingesleten gewoonte geworden’, meldde Hoofdinspecteur voor de Geestelijke Gezondheidszorg en psychiater J. Lucieer onlangs in de Volkskrant.1 De inspectie heeft onderzoek gedaan naar het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen en is geschrokken. Te snel wordt - mede vanwege personeelsgebrek - gegrepen naar het middel van de separeer en/of fixatie. Lucieer geeft echter ook aan dat er soms omstandigheden zijn ‘dat het niet anders kan’. Hij vraagt artsen om na te gaan of ‘je maatregelen die je de patiënten oplegt, ook thuis voor je kinderen zou willen invoeren’. Het kwaliteitsinstituut CBO zal volgende week richtlijnen presenteren die meer duidelijkheid moeten verschaffen bij het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen.
In onderstaande casus verwijten ouders de behandelend psychiater van hun - weliswaar 41-jarige - dochter dat hij juist te weinig vrijheidsbeperkende interventies heeft toegepast. Dat, ondanks haar herhaalde dreigingen met suïcide en een langdurige voorgeschiedenis van een paranoïde psychose met een IBS. De vrouw pleegde uiteindelijk zelfmoord door voor de trein te springen.
Daarnaast werd de psychiater verweten de ouders - van wie de vader inmiddels was benoemd tot mentor van patiënte - onvoldoende te hebben geïnformeerd. Patiënte was echter fel tegen het informeren van haar ouders. Dat zij weigerde antipsychotica te gebruiken, zal de zaak niet hebben vergemakkelijkt. De psychiater ging in beroep tegen zijn veroordeling door het Regionaal Tuchtcollege. Met succes. Het Centraal Tuchtcollege was van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Het College had er begrip voor dat de psychiater had moeten laveren tussen Scylla en Charybdis om enerzijds het suïciderisico zo klein mogelijk te houden en anderzijds de getraumatiseerde patiënte te helpen perspectief in haar leven te creëren. Daarbij pasten dwangmedicatie en opsluiting niet, de tragische afloop van de behandeling ten spijt. Zoals eerder in Medisch Contact is betoogd, is de medische invloed op het voorkomen van suïcide helaas beperkt.2
Ten aanzien van het informeren van de - kort voor het in hoger beroep overleden - vader in zijn rol van mentor is het College heel duidelijk: ingevolge de WGBO-regels voor vertegenwoordiging is voor de mentor slechts plaats als de arts de overtuiging heeft dat de betrokken patiënt zijn of haar wil onvoldoende kan bepalen. Anders blijft het primaat, zoals in onderstaande zaak, bij de patiënt, zowel wat betreft het weigeren van de medicatie als het informeren van haar ouders c.q. mentor.
Vrijheidsbeperkende maatregelen, dwangmedicatie en dwangbehandeling: de media hebben de afgelopen dagen duidelijk gemaakt hoeveel kanten er aan deze medaille zitten. Belangrijk is dat wanneer de arts zorgvuldig de afwegingen maakt en gericht op het belang van de patiënt, de kans op een tuchtrechtelijk verwijt niet groot is. n



Referenties
1. Ellen de Visser. Patiënten stikken door vastbinden. 'De separeer is een ingesleten gewoonte geworden'. De Volkskrant 16 januari 2002: pag. 1 en 3.   2. Beerthuis RJ, Harms HH. Bewust gekozen dood. Psychiater kan zelfdoding niet voorkomen. Medisch Contact 2001; 56 (35): 1244-5.


B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 8 november 2001
Beslissing in de zaak van A, psychiater, wonende te B, appellant, advocaat: mr. AA, tegen C, wonende te D, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. CC.


1. Verloop van de procedure
E - oorspronkelijk klager - heeft op 27 december 1999 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A - hierna te noemen ‘de arts’ - een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 oktober 2000 heeft dat College aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd.
De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen.
Kort daarna is E overleden. Zijn echtgenote C - hierna te noemen ‘klaagster’ - heeft als zijn rechtverkrijgende een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 27 september 2001, waar zijn verschenen de arts, bijgestaan door mr. AA, advocaat te J en klaagster, bijgestaan door mr. CC, advocaat te B. De zaak is door de raadslieden bepleit aan de hand van door hen overgelegde op schrift gestelde aantekeningen.


2. De klacht in eerste aanleg
De in eerste aanleg ingediende klacht houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in.
De arts heeft in 1996 als eindverantwoordelijk psychiater voor de behandeling van F, de toen 41-jarige ernstig
psychotische dochter van klager, onvoldoende maatregelen getroffen tot afwending van suïcidegevaar, zulks terwijl F hieromtrent zeer duidelijke signalen uitzond. Zo heeft hij ten onrechte nagelaten dwangmedicatie toe te passen en stond hij toe dat F, ook in de avonduren, onbegeleid buiten wandelde. Ook nadat F in de nacht van 20 op 21 november 1996 een zeer serieuze suïcidepoging had gedaan heeft de arts volstaan met een vrijwillige heropname van F op de gesloten afdeling en mocht zij vier dagen later al weer vrij wandelen, ondanks het bericht van klager aan F’s afdeling dat zij had aangekondigd dat zij zich op 26 november voor de trein zou werpen. Voorts verwijt klager de arts dat het ziekenhuis, onder zijn verantwoordelijkheid, nalatig is geweest om actie te ondernemen nadat F op 20 november 1996 was weggelopen en opnieuw nadat zij op 7 december 1996 niet was teruggekeerd van haar wandeling. Ten slotte behelst de klacht het verwijt dat de arts in strijd met zijn wettelijke verplichting heeft verzuimd klager inlichtingen te verstrekken over F’s behandeling en heeft geweigerd met hem overleg te
plegen ook nadat klager tot mentor van F was benoemd.


3. Het verweer in eerste aanleg
De arts heeft er in eerste aanleg op gewezen dat de behandelstaf zich gesteld zag voor een conflict van plichten doordat enerzijds F de staf uitdrukkelijk verbood met haar ouders over haar behandeling te overleggen, terwijl anderzijds haar vader op enig moment tot haar mentor was benoemd en het zeer gewenst leek om een behandelplan in samenspraak met haar ouders op te stellen. Daar de bezwaren van F tegen overleg met haar ouders niet aantoonbaar gebaseerd waren op psychotische overwegingen heeft de arts, in samenspraak met de geneesheer-directeur van de instelling, besloten haar verbod te respecteren. Herhaaldelijk is F antipsychotische medicatie aangeboden. Die heeft zij steeds geweigerd. Naar de mening van de arts was ondanks het aanwezige suïcidegevaar niet voldaan aan de wettelijke
criteria voor behandeling onder dwang, nog daargelaten dat van een dwangbehandeling weinig - positief - effect was te verwachten nu naar het oordeel van de arts het suïciderisico niet samenhing met de psychotische belevingen van F, maar met het niet kunnen zien van haar kinderen en met haar overige maatschappelijke teloorgang. De bedoeling was om met een structurerende begeleiding F te helpen enig perspectief in haar leven te creëren. Daartoe diende zij over enige bewegingsvrijheid te beschikken.


Omtrent de gebeurtenissen op en na 20 november 1996 luidt het verweer van de arts als volgt.
F is, nadat zij op 20 november niet op tijd was teruggekeerd op de afdeling, op 21 november in haar woning aangetroffen. Daar bleek dat zij gedurende enige tijd de gaskraan had laten openstaan, maar deze zelf ook weer had dichtgedraaid. F is vrijwillig mee teruggegaan naar het ziekenhuis. De arts heeft een collega van het ziekenhuis verzocht te onderzoeken of er gronden waren voor een Inbewaringstelling. Haar conclusie was dat dat niet het geval was. F verklaarde zich bereid op de gesloten afdeling te blijven en onbegeleid verblijf buiten de afdeling te beperken tot driemaal daags een halfuur. De arts heeft aangekondigd dat hij over de ontstane situatie beraad met haar ouders noodzakelijk vond en drong er bij F op aan daarbij aanwezig te zijn, maar ook nu weigerde zij sthenisch.
Op 2 december heeft de arts samen met de casemanager met de ouders gesproken. Onder meer heeft de arts toen zijn  beweegredenen om af te zien van dwangmedicatie en (algehele) beperking van de bewegingsvrijheid van F uiteengezet. Nadien was er, op grond van gunstige rapportage door de verpleging, het voornemen om in overleg met de ouders de bewegingsvrijheid van F uit te breiden. Zij is echter op 7 december niet teruggekeerd van een ommetje aan het begin van de avond.
Op 20 november is, nadat de vader alarm had geslagen, door de dienstdoende arts in overleg met de als achterwacht dienstdoende psychiater een terughoudend beleid gevoerd. Die beslissing is naar beste weten en zorgvuldig tot stand gekomen. Op 7 december zijn door de dienstdoende verpleegkundige de ouders en de als achterwacht dienstdoende psychiater niet gewaarschuwd. In beide gevallen had de arts geen dienst.


4. De beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


Ten tijde van de tragische afloop verbleef F op vrijwillige basis in G. Een gedwongen behandeling, zoals de toediening van medicatie of een verblijf op een gesloten afdeling tegen de zin van F, zou zeer waarschijnlijk averechts hebben gewerkt.
Het college merkt daarbij overigens op dat een patiënt ook tijdens een verblijf in een gesloten inrichting het recht heeft een behandeling te weigeren. Verweerders beleid om in het belang van de behandel- en vertrouwensrelatie met F geen dwang toe te passen is dan ook verdedigbaar. Het is niet ondenkbaar dat F bij een ander beleid al eerder een einde aan haar leven zou hebben gemaakt. De onderdelen van de klacht die zich richten op deze aspecten zijn dan ook ongegrond.
Dit op zichzelf verdedigbare beleid is echter te lang volgehouden toen de situatie verslechterde. Kort na F’s suïcidepoging op 21 november 1996, die op 18 november 1996 was aangekondigd, mocht F al weer onbegeleid buiten wandelen, ook ‘s avonds.
Bij deze nieuwe ontwikkelingen had verweerder het beleid moeten bijstellen en stringentere maatregelen moeten nemen. Op de avond van 7 december 1996 is geen dienstdoende arts of achterwacht gebeld. De hierop gerichte onderdelen van de klacht zijn dan ook gegrond.
Dat geldt ook voor de onderdelen van de klacht die zien op de bejegening van
klager in zijn hoedanigheid van mentor. Verweerder heeft in dat opzicht niet volledig voldaan aan zijn verplichtingen uit de wet, omdat hij een afweging heeft moeten maken tussen die verplichtingen en het te voeren beleid. Weliswaar is het op zich verdedigbaar dat hij daarbij het belang van een vertrouwensrelatie met F, die noodzakelijk was voor haar behandeling, zwaarder heeft laten wegen, maar verweerder had klager ten minste moeten uitleggen hoe hij die afweging heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verweerder dit heeft gedaan. In september en in december 1996 is er wel overleg geweest tussen verweerder en klager, maar dit is moeizaam totstandgekomen. Op deze punten is verweerder tekortgeschoten in zijn informatieplicht tegenover klager.
De conclusie is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Verweerder heeft op de hiervoor besproken punten gehandeld in strijd met de zorg die hij behoort te betrachten tegenover zijn patiënte en haar mentor.

5. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal College uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 26 juli 1996 is F, de toen 41-jarige dochter van klaagster en haar echtgenoot, met een IBS opgenomen in het psychiatrisch Centrum G nadat zij haar vader had meegedeeld niet verder te willen leven omdat zij geen contact had met haar kinderen. Zij had toen al een psychiatrische voorgeschiedenis daterend van na haar echtscheiding in 1990. Zo is zij ook reeds in juni 1991 wegens paranoïde psychose met een IBS opgenomen geweest in G. In die tijd heeft zij het gezag over haar drie kinderen verloren. De kinderen zijn aan haar ex-echtgenoot toegewezen en de bezoekregeling was minimaal. F verlangde vurig naar contact met haar kinderen.
Nadat de IBS in augustus 1996 was geëindigd is F onder behandeling gebleven van de heer H, een arts die destijds onder supervisie van de arts werkte op de afdeling I van G. F bleef  benadrukken dat zij contact wilde met haar kinderen. Zij gaf  voorts te kennen dat zij niet wilde dat over haar behandeling overleg was met haar ouders. Ondanks pogingen haar wat dat betreft te overreden verbood zij haar behandelaars haar ouders te informeren.
In verband met de weigering van F om antipsychotica in te nemen is overwogen dwangbehandeling toe te passen, maar die mogelijkheid is verworpen omdat de arts concludeerde dat niet aan de wettelijke criteria voor behandeling onder dwang was voldaan. Bovendien was de behandelstaf van mening dat F zich door dwangbehandeling nog meer in het nauw gedreven zou voelen.
Op 9 september 1996 is in overleg met F begonnen met een dagbehandeling gedurende drie dagen per week. F zou ondertussen zoeken naar vrijwilligerswerk om haar leven meer structuur te geven. Zij is er niet in geslaagd vrijwilligerswerk te vinden.
Op 11 oktober 1996 gaf zij te kennen weer voltijds te willen worden opgenomen, omdat zij zich door de duivel bedreigd voelde. Zij verbleef sindsdien vrijwillig op de open afdeling.
Op 23 oktober 1996 is haar vader benoemd tot haar mentor. De arts, die zich geplaatst zag voor een conflict van plichten heeft, in samenspraak met de geneesheer-directeur, besloten het uitdrukkelijk verbod van F om met haar ouders te overleggen, te respecteren.
Begin november 1996 dreigde F (wederom) zich te zullen suïcideren. In een gesprek met de arts op 8 november ontkende ze dit echter.
Op 20 november 1996 is F niet tijdig teruggekeerd van een avondwandeling. Door toedoen van haar ouders, die waren gealarmeerd door haar buurvrouw tegen wie F zou hebben gezegd dat zij zich voor de trein zou werpen, is de dienstdoende arts ingeschakeld. Deze heeft, in overleg met de dienstdoende psychiater, een afwachtend beleid gevoerd. De volgende dag is F aangetroffen in haar woning. De omstandigheden leken te wijzen op een - al of niet afgebroken - suïcidepoging.
F is die dag vrijwillig opgenomen op de gesloten afdeling van G. Zij mocht wel buiten wandelen, maar is daarbij enige dagen begeleid. Voor een IBS werden geen wettelijke gronden aanwezig geacht.
Op 25 november 1996 heeft F’s vader G gebeld met de waarschuwing dat F een vriendin had gebeld dat zij zich de volgende dag voor de trein zou werpen. De casemanager heeft deze kwestie met haar besproken. De arts was van die mededeling niet op de hoogte.
Op 2 december 1996 vond een gesprek plaats tussen de ouders en de arts. Bij die gelegenheid heeft de arts een verzoek om dwangmedicatie afgewezen. Ook is toen het vrij wandelen aan de orde geweest. De ouders maakten daar bezwaar tegen.
In de avond van 7 december 1996 is F alleen gaan wandelen. Toen zij niet tijdig terugkeerde is vanuit F’s afdeling haar buurvrouw gebeld met het verzoek te melden als zij F in haar woning hoorde. Het dienstdoende avondhoofd vond geen aanleiding voor verdere actie. Op 8 december 1996 hebben de ouders van F van de politie vernomen dat F zich die nacht voor de trein had geworpen.


6. Beoordeling van het hoger beroep
Het beroep van de arts richt zich tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor zover dit de klacht gegrond heeft verklaard. Klaagster heeft in hoger beroep ook de onderdelen van de klacht die zich richten op het achterwege laten van dwangmaatregelen voorzover door het Regionaal College als ongegrond afgewezen opnieuw aan de orde gesteld. Het Centraal College zal derhalve ook die onderdelen in zijn oordeel betrekken.
De arts heeft nadrukkelijk betoogd dat bij het formuleren van het behandelbeleid op verantwoorde wijze een gecalculeerd risico is genomen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat gedurende de hele behandeling van F haar toestand sterk wisselend is geweest: ook al veel eerder in de behandeling zijn er momenten geweest van grote zorg bij de behandelstaf over een eventuele suïcide. Hij betwist dan ook de aanname door het Regionaal College dat er in november 1996 en met name op en na 20 november sprake zou zijn geweest van een waarneembare verslechtering in de toestand van F.
Het Centraal College begrijpt het betoog van de arts aldus, dat voorafgaand aan 21 november 1996 het behandelbeleid er op was gericht om enerzijds het risico van suïcide zo klein mogelijk te doen zijn en anderzijds F te helpen enig perspectief in haar leven te creëren, daarmee mogelijk de kans op contact met haar kinderen vergrotend. Nog afgezien van de wettelijke beletselen past daarbij niet de toepassing van dwangmedicatie en opsluiting. Het Centraal College is dan ook met het Regionaal College van oordeel dat het aldus door de arts gevoerde beleid - zeer wel - verdedigbaar is, temeer daar geenszins het vertrouwen was gerechtvaardigd dat dergelijke dwangmaatregelen de kans op suïcide effectief zouden verkleinen.
Anders dan het Regionaal College is het Centraal College van oordeel dat het bovenstaande ook heeft te gelden voor de periode na 21 november. Over de omstandigheden waaronder F die dag in haar woning werd aangetroffen, verschilt de lezing van de arts met die van de ouders. De arts is afgegaan op de mededeling van de casemanager dat hem, nadat hij zich toegang tot haar woning had verschaft, bleek dat F gedurende enige tijd de gaskraan had laten openstaan maar deze zelf ook weer had dichtgedraaid. Hij heeft geen melding gemaakt van bedwelming. Volgens de ouders werd F in bedwelmde toestand in haar woning aangetroffen.
Het College gaat ervan uit dat de arts zijn nadere beleid heeft afgestemd op hetgeen hem toen door de casemanager is verteld omtrent de aangetroffen situatie. Hij heeft blijk gegeven die situatie ernstig in te schatten door een collega te verzoeken om na te gaan of er termen waren voor een IBS. Het oordeel van die arts was dat F weliswaar psychotisch was maar dat, aangezien zij stellig bereid was op de gesloten afdeling te blijven en ontkende suïcidaal te zijn, aan de criteria voor een IBS niet werd voldaan. F nam ook in zoverre genoegen met de beperking van haar vrijheid, dat zij ermee instemde dat zij - na enkele dagen dat zij slechts onder begeleiding naar buiten mocht - niet meer dan driemaal daags een halfuur onbegeleid buiten de afdeling mocht zijn. Kennelijk heeft zij zich daar tot 7 december aan gehouden. Mede in aanmerking genomen dat op 5 december 1996 in een behandelbespreking de verpleging rapporteerde dat F weer ‘de oude’ leek te worden (waarmee kennelijk bedoeld is: weer leek op te knappen) terwijl ook op 6 december geen sprake was van een ongunstig beeld, kan naar het oordeel van het Centraal College niet gesproken worden van een onzorgvuldig beleid, dit ondanks de tussentijdse melding dat F opnieuw haar voornemen tot suïcide had kenbaar gemaakt. Het College constateert dat steeds aandacht is besteed aan de signalen die de behandelstaf bereikten, in laatstgenoemd geval in de vorm van een gesprek tussen F en de casemanager. Een en ander duidt niet op onderschatting van het ziektebeeld of verwaarlozing van de zorg. Al met al acht het College de voortzetting - met enige beperkingen - van het eerder ingezette beleid, waarbij werd gehandeld volgens een zorgvuldig overwogen behandelplan gericht op het creëren van perspectief, niet ongerechtvaardigd, de tragische afloop van de behandeling ten spijt.


Omtrent de klacht over het achterwege laten van maatregelen op de avond van 7 december 1996 overweegt het Centraal College als volgt.
De arts voert in hoger beroep aan dat het gedrag van het avondhoofd - dat naliet om  de dienstdoende arts te bellen - zijns inziens niet verwijtbaar is. Voorts voert hij aan dat hij in die beslissing niet is gekend en er daarom hoe dan ook niet tuchtrechtelijk voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Ter zitting van het Centraal College heeft hij daar nog aan toegevoegd dat de afspraak bestond dat het avondhoofd, een B-verpleegkundige, in een dergelijk geval de dienstdoende arts moest bellen. Kennelijk is die afspraak niet nagekomen.
Klaagster acht de arts wel degelijk verantwoordelijk nu hij heeft nagelaten adequate instructies achter te laten voor de leidinggevende en/of het avondhoofd. Op welke maatregelen klaagster daarbij het oog heeft is het Centraal College niet zonder meer duidelijk.
Het College gaat ervan uit dat de door de arts vermelde afspraak inderdaad bestond. Die aanname vindt ook bevestiging in de beschrijving van de gang van zaken op 20 november 1996. Nu er in de visie van de arts, gezien ook de geruststellende rapportage door de verpleging, geen sprake was van verslechtering van de toestand van F, hoefde hij geen bijzondere maatregelen te treffen en mocht hij er redelijkerwijs van uitgaan dat de bestaande afspraak zou worden nageleefd. Dat dat niet is gebeurd en ook dat de ouders die avond niet zijn gewaarschuwd, kan de arts niet worden verweten, nu hij in die beslissing niet is gekend.
Ten slotte betwist de arts de stelling van het Regionaal College dat klager niet is geïnformeerd over de afwegingen bij het besluit om de wens van F te respecteren om haar ouders niet inhoudelijk over haar behandeling te informeren. Aan die stelling heeft het Regionaal College de conclusie verbonden dat de arts is tekortgeschoten in zijn informatieplicht tegenover klager, met name in diens hoedanigheid van mentor. Die conclusie kan het Centraal College niet onderschrijven nu de arts in hoger beroep ten stelligste heeft betoogd dat meermalen aan klager is uiteengezet, zowel door de casemanager als - nadat F daarvoor uiteindelijk toestemming had verleend - door de arts op 2 december, dat en waarom de arts met de WGBO in de hand, van mening was dat hij de ouders niet mocht informeren over de behandeling. Volgens de arts was F wat die weigering betreft in staat tot een redelijke waardering van haar belangen  en heeft hij dat ook aan de ouders duidelijk gemaakt. Overigens heeft de arts ook in hoger beroep nog eens benadrukt dat hij F erop heeft gewezen dat hij overleg met haar ouders belangrijk vond.
Klaagster bestrijdt bovenstaande opvatting van de arts met de stelling dat daarmee het mentorschap volledig inhoudloos en illusoir zou worden. Volgens haar kan de mentor aanspraak maken op rechtstreekse nakoming van de verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst. Daarbij verliest zij echter uit het oog dat binnen de toepassing van de WGBO voor vertegenwoordiging van de patiënt door de mentor slechts plaats is indien de hulpverlener de overtuiging heeft dat de betrokken patiënt zijn of haar wil onvoldoende kan bepalen. In casu acht het College niet ongerechtvaardigd dat de arts, nu hij van mening was dat F in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen terzake, het primaat bij haar als patiënt heeft gelegd en haar weigering heeft gehonoreerd, zowel voor wat betreft medicatie als voor wat betreft bemoeienis van haar vader en mentor c.q. haar ouders met haar behandeling. Dat de arts er kennelijk niet in is geslaagd de ouders zijn zienswijze duidelijk te maken, laat staan hen te overtuigen van de juistheid daarvan is betreurenswaardig, maar daarvoor valt hem niet een tuchtrechtelijk verwijt te maken, te meer niet nu aannemelijk is dat hij wel degelijk geprobeerd heeft de standpunten van enerzijds zijn patiënte en anderzijds haar ouders te verzoenen.


7. Slotsom
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat, hoe triest de gang van zaken gelet op de fatale gebeurtenis op 7 december 1996 ook is geweest, de arts niet het verwijt treft dat hij in het kader van de behandeling van F een der in artikel 47 Wet BIG vermelde tuchtrechtnormen heeft veronachtzaamd. Het beroep van de arts is dus gegrond.


8. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;


en opnieuw rechtdoende:


wijst de klacht af; 


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact en Tijdschrift De Psychiater met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, voorzitter;  mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, mr. M.J.F. Zeven-Postma, leden-juristen; prof. dr. F.E.R.E.R. de Jonghe, M.M. Veering, leden-beroepsgenoten; mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2001, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.


 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd