MC 10 - Wie is verantwoordelijk?
| Publicatie | Nr. 10 - 04 maart 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
In dit nummer van MC staat op pag. 360 een bijdrage over wie verantwoordelijk is voor het handelen en de triage van de doktersassistente op de - als paddestoelen uit de grond schietende - doktersposten. Is dat de arts die dienstdoet of de arts die de doktersdienst bestuurlijk aanstuurt? In
hoeverre kun je er als dienstdoend arts van op aan dat de assistente die gelijktijdig met jou dienstdoet, ook de juiste beslissingen neemt?
Uit onderstaande casus blijkt dat het Centraal Tuchtcollege de dienstdoende huisarts verantwoordelijk houdt voor het functioneren van de doktersassistent. Toch oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat het feit dat de doktersassistent de dienstdoende huisarts niet onmiddellijk op de hoogte heeft gebracht van een telefoongesprek in dit geval niet als een zodanig met een goede gezondheidszorg strijdig optreden kan worden gekenschetst, dat de arts daar een tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt.
Wat was het geval? Een man - de latere klager - krijgt al tijdens het diner in een bistro klachten van misselijkheid. Thuisgekomen geeft hij over, waarbij in het braaksel mogelijk bloedsporen zitten. In de vroege morgen belt zijn
partner de dokterspost omdat patiënt zich steeds zieker voelt en zelf aan een maagbloeding denkt. Zonder te overleggen met een arts nodigt de doktersassistent hem uit naar de dokterspost te komen. De klager verwoordt het anders: de arts weigerde in te gaan op het verzoek om een visite.
Als klager opstaat om te gaan douchen collabeert hij echter en valt hij door een glazen wand. Bloed overal en via 112 verschijnt de ambulance alsmede de aangeklaagde arts, die via een tweede telefoontje aan de dokterspost ook is gewaarschuwd. De toon is gezet, want alhoewel de arts ijverig rondbelt voor een vrij bed en de ambulancebroeders niet in de weg wil lopen, heeft in de perceptie van klager de arts niet genoeg gedaan. Het Centraal Tuchtcollege is het niet met klager eens en ziet geen tuchtrechtelijk verwijt.
Toch geeft deze zaak wat de verantwoordelijkheid voor het handelen van de doktersassistent betreft zeker stof tot reflexie. Zo eenduidig interpretabel is de uitspraak namelijk niet. En voor artsen is het jammer dat de juiste uiteindelijke diagnose van klager niet in het vonnis vermeld staat. Ook in die zin is van tuchtzaken te leren.
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 18 december 2001
Beslissing in de zaak van A, huisarts, wonende te B, appellant, bijgestaan door mr. AA, tegen C, wonende te B, verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. CC.
1. Verloop van de procedure
C - klager in eerste aanleg, hierna te noemen klager - heeft op 25 februari 2000 bij het Regionaal Tuchtcollege te s- Gravenhage tegen A - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 23 januari 2001 heeft dat College de klacht gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 27 september 2001, waar zijn verschenen de arts, bijgestaan door mr. AA en klager, bijgestaan door mr. CC. Voorts is gehoord D, als getuige.
2. Beslissing in eerste aanleg
De in eerste aanleg ingediende klachten houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
In de avond en nacht van vrijdag 11 februari op zaterdag 12 februari 2000 is klager ernstig ziek geworden. Om 6.00 uur in de morgen heeft zijn partner op zijn verzoek de doktersdienst gebeld. Na uitleg van de situatie van klager heeft de dokter geweigerd een visite bij klager te maken. Klager moest naar de praktijk komen. Toen het daarna steeds slechter ging met klager, hij bewusteloos raakte en in zijn val een glazen wand in de badkamer van zijn appartement verbrijzelde en in het glas terechtkwam, heeft zijn partner 112 gebeld en om een ambulance gevraagd. Toen de partner van klager de arts had gemeld dat de ambulance naar hen onderweg was, is de arts gekomen, nagenoeg gelijk met de verpleegkundigen van de GGD. Door de arts is geen enkele hulp verleend. Hij is er niet in geslaagd voor klager een ziekenhuisbed te vinden en heeft klager in de steek gelaten met de mededeling dat het GGD-personeel het dan verder maar moest regelen en dat hij wegging.
De arts heeft zich in eerste aanleg tegen de klachten verweerd. De arts voert aan dat er geen sprake is geweest van een weigering door hem een visite af te leggen, noch van een opdracht daartoe. Zodra hem de melding bereikte dat klager gecollabeerd was en dat 112 was gebeld, heeft de arts de ambulance naar hem toegestuurd en zelf heeft hij de taxi naar het huis van klager genomen. Daar aangekomen trof de arts behalve klager ook de politie, ambulancepersoneel en de partner van klager aan. Hij heeft de pols van klager gevoeld, vastgesteld dat hij oppervlakkige verwondingen had en niet in shock verkeerde. Op verzoek van het ambulancepersoneel heeft hij getracht een ziekenhuisbed voor klager te vinden, hetgeen niet lukte, waarna hij het ambulancepersoneel heeft verzocht de gebruikelijke procedure te volgen en klager naar de dichtstbijzijnde EHBO-post te brengen ter evaluatie en verzorging.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
Het is niet komen vast te staan dat de arts heeft geweigerd een visite af te leggen. Tegenover de verklaring van de klager staat de verklaring van de arts dat hij niet telefonisch met de partner van klager heeft gesproken. Het College moet ervan uitgaan dat het telefoongesprek met het personeel van de dokterspost is gevoerd. Het is aannemelijk dat de vraag van een doktersassistent aan de arts wat er moest gebeuren met een patiënt die rood bloed opgaf, betrekking heeft gehad op klager. De arts heeft terecht gezegd dat een dergelijke patiënt door een arts moet worden gezien. Beter was geweest indien hij daarbij had vermeld dat een visite moest worden gemaakt. Verder heeft de arts aan het voorval geen aandacht geschonken, totdat opnieuw naar de dokterspost werd gebeld. Dit vindt het College onjuist. Bloedbraken wijst op een mogelijk acute aandoening, die niet op zijn beloop kan worden gelaten. Naar het oordeel van het College had de arts deze melding actiever moeten vervolgen en nader bij de assistent moeten informeren. Daaraan doet niet af dat de assistent in dienst is van de Stichting die de doktersnachtdienst organiseert, of dat de assistent mogelijk zelf had moeten begrijpen dat een visite op zijn plaats was geweest. De arts was, als dienstdoend huisarts, verantwoordelijk voor de medische afhandeling van hulpvragen. Ter zitting heeft de arts verklaard dat zijn verantwoordelijkheid in dergelijke situaties pas begint op het moment dat hem door de assistent wordt gevraagd een patiënt te ontvangen of te bezoeken. Het College kan de arts daarin niet volgen. Dit zou tot gevolg hebben dat in het traject van de afhandeling van hulpvragen in de waarneming een gedeelte van de opvang buiten verantwoordelijkheid van een medicus zou plaatsvinden. Dat is niet aanvaardbaar. Het College kan niet vaststellen dat de arts na aankomst bij klager nalatig is geweest. De arts stelt dat hij enig onderzoek heeft verricht en een shock heeft uitgesloten. Meer onderzoek was niet noodzakelijk nu klager onder de hoede van ambulanceverpleegkundigen naar een ziekenhuis zou worden gebracht. Het staat vast dat de arts zich heeft ingespannen om een ziekenhuisbed voor klager te vinden en dat hem dat niet lukte. Dat is de arts niet te verwijten. Hij heeft volgens de geldende regeling gehandeld door klager vervolgens naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis te laten brengen.
De conclusie is dat de klacht gegrond is, omdat de arts, nadat hij was geraadpleegd over klager, de situatie actiever had moeten volgen.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal College uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Vrijdag 11 februari 2000 had klager in de loop van de middag een wat opgeblazen gevoel. In de bistro, die hij samen met zijn partner bezocht, is hij na een paar happen al gestopt met eten. Na thuiskomst is hij direct naar bed gegaan en om ongeveer 21.30 uur die avond heeft hij overgegeven. Het leek of het braaksel rood van kleur was, maar klager heeft daaraan op dat moment niet erg veel aandacht geschonken. Klager heeft een slechte nacht gehad, die hij tussen waken en slapen heeft doorgebracht.
Om ongeveer 6.00 uur in de morgen van 12 februari 2000 heeft klager zijn partner, D, gevraagd om de dokterspost te bellen, omdat hij zich steeds zieker voelde en vermoedde dat hij een maagbloeding had gehad. Blijkens de ter zitting afgelegde verklaring van D heeft zij vervolgens de dienstdoende assistent aan de telefoon gehad, die, nadat zij de situatie waarin klager verkeerde had uitgelegd, de telefoon even wegdrukte en haar vervolgens vroeg: Wilt u naar de dokterspost komen, want het gaat nu toch wel goed?, of woorden van gelijke strekking. D heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Zij is toen gaan douchen, waarna ook klager wilde gaan douchen, omdat hij zich vies voelde en hij niet in die toestand bij de dokter wilde aankomen. D hoorde vanuit de keuken, waar zij bezig was ontbijt klaar te zetten, een gil en toen bleek haar dat klager was gecollabeerd en door een glazen wand was gevallen. D heeft toen 112 gebeld en de GGD heeft hulp toegezegd. Ook heeft D nogmaals de dokterspost gebeld en aan dezelfde assistent meegedeeld dat haar partner niet naar de dokterspost kon komen en dat zij om een ambulance had gevraagd. Kort na dit tweede telefoongesprek is de arts in de woning van klager gearriveerd, ongeveer tegelijkertijd met politie- en ambulancepersoneel.
4. Beoordeling van het hoger beroep
Het beroep van de arts richt zich tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voorzover dit de klacht gegrond heeft verklaard. Klager heeft in hoger beroep nog het oordeel van het Regionaal College met betrekking tot het handelen van de arts nadat hij in de woning van klager was gearriveerd aan de orde gesteld.
De arts heeft ter zitting van het Centraal College uitleg gegeven over de wijze waarop de dokterspost tijdens de uren van de waarneming van de huisartsen functioneert. Het Centraal College heeft kennisgenomen van het Reglement van de Coöperatieve Huisartsenposten UA, gevestigd te B.
Gebleken is dat de telefoon van de dokterspost wordt bemand door een doktersassistent(e) en niet door een (huis)arts. Bij een binnenkomende hulpvraag wordt door de doktersassistent per computer meteen een uitdraai van de gegevens van de patiënt gereedgemaakt. De doktersassistent(e) handelt volgens geldende protocollen. Indien hij of zij iets te vragen heeft zijn de artsen beschikbaar voor overleg.
In hoger beroep is aannemelijk geworden dat, zoals de arts stelt, tussen de arts en de dienstdoende doktersassistent geen overleg heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het eerste telefoontje van de partner van klager. Uit de verklaring van de partner van klager blijkt niet dat haar is medegedeeld dat de arts over het verzoek om naar de praktijk te komen is geraadpleegd, maar alleen dat het gesprek kort werd weggedraaid, waarna de mededeling volgde dat klager voor een consult naar de dokterspost moest komen. Wanneer een patiënt wordt uitgenodigd voor een consult, ontvangt de arts niet onmiddellijk een computeruitdraai met de gegevens van de patiënt, zo heeft de arts ter terechtzitting uiteengezet; de arts krijgt de patiënt dan immers toch te zien. In dit geval is bij gelegenheid van het tweede telefoongesprek van D met de dokterspost de arts in kennis gesteld van de problemen van klager doordat de assistent hem de computeruitdraai van de gegevens onder ogen heeft gebracht. De arts heeft toen meteen actie ondernomen.
Aan de boven weergegeven gang van zaken doet niet af dat naar het oordeel van het Centraal College de dienstdoende huisarts verantwoordelijk is voor het functioneren van de doktersassistent(e) tijdens de dienst op de huisartsenpost. Dit oordeel wordt ondersteund door hetgeen is bepaald in artikel 13 lid 2 van het Reglement Coöperatieve Huisartsenposten UA.
Het Centraal College is namelijk van oordeel dat de doktersassistent in de omstandigheden van dit geval, waarover eerst in hoger beroep duidelijkheid is verschaft, geen onjuiste beslissing heeft genomen door zijn verzoek naar de dokterspost te komen. Overwogen wordt dat bij de hulpvraag melding is gemaakt van een paar dagen melaena en van slapheid, verschijnselen die klager in de dagen daarvoor geen aanleiding hadden gegeven een arts te raadplegen. Voorts is na het verzoek naar de dokterspost te komen kennelijk van de zijde van klager niet aangedrongen op een visite van de huisarts. Volgens de standaardprocedure bij een hulpvraag tijdens de nachtelijke uren wordt de patiënt uitgenodigd voor een consult op de dokterspost, tenzij moet worden aangenomen dat hij niet in staat is te komen.
Het Centraal College neemt daarbij nog in aanmerking dat klager tot 6.00 uur heeft gewacht voordat hij zijn partner de huisartsenpost liet bellen - naar zijn zeggen omdat hij de nachtrust van de dienstdoende arts niet te veel wilde verstoren - dat de partner van klager de tijd heeft genomen om te douchen en dat klager zelf ook nog het voornemen had onder de douche te gaan voordat hij zich naar de dokterspost zou begeven. De conclusie is dat klager zelf zijn toestand aanvankelijk minder ernstig en spoedeisend inzag dan kort daarna is gebleken.
Uit bovenstaande volgt dat het Centraal College met het Regionaal College van oordeel is dat niet is gebleken dat de arts geweigerd heeft een visite af te leggen.
Anders dan het Regionaal College is het Centraal College voorts van oordeel dat het feit dat de doktersassistent het eerste telefoongesprek tussen hem en D niet onmiddellijk ter kennis van de arts heeft gebracht niet als een zodanig met een goede gezondheidszorg strijdig optreden kan worden gekenschetst, dat de arts daar een tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt.
Het Centraal College merkt niettemin op dat de wijze van registreren van de op de dokterspost binnenkomende hulpvragen nadere aandacht en verbetering behoeft om zo veel als mogelijk is miscommunicatie te vermijden.
Gebleken is dat de arts, toen 10 minuten na het eerste telefonisch contact de tweede telefonische melding kwam waarin werd meegedeeld dat de patiënt gecollabeerd was en niet naar de dokterspost zou komen, (ongevraagd) direct naar het huis van klager is gereden, nadat hij - desgevraagd door 112 - opdracht voor een ambulance heeft gegeven. Toen de arts arriveerde, bleek in de woning van klager ambulancepersoneel en politie al aanwezig te zijn. Er was sprake van een hectische toestand.
Klager en de arts verschillen van mening over de vraag of de arts klager lichamelijk heeft onderzocht en of de arts overigens genoeg zorg voor klager in zijn toestand heeft gehad.
Naar het oordeel van het Centraal College is niet onmogelijk en niet onaannemelijk dat de arts ondanks de buikligging van klager de pols van klager heeft gevoeld, daar een dergelijk handelen bij het verlenen van eerste hulp als een routinehandeling moet worden beschouwd. Gezien de toestand van klager op dat moment (hij was maar gedeeltelijk bij bewustzijn) is het mogelijk dat hem is ontgaan dat de arts zijn pols heeft gevoeld. In ieder geval staat niet vast dat de arts dat heeft nagelaten.
Nadat de arts had vastgesteld dat klagers toestand stabiel was en dat hij niet in een shock verkeerde, was verder onderzoek en/of behandeling door hem niet opportuun nu het ambulancepersoneel bezig was klager gereed te maken voor vervoer naar het ziekenhuis.
Volgens klager heeft de arts hem voortijdig in de steek gelaten dan wel heeft hij gepoogd zich te onttrekken aan zijn verplichting om voor klager een plek in een ziekenhuis te vinden.
Niet is betwist dat de arts zich, door achtereenvolgens vier ziekenhuizen in de omgeving te bellen - tevergeefs - heeft ingespannen om voor klager een ziekenhuisbed te vinden. Wanneer geen bed in enig ziekenhuis beschikbaar is, is de normale gang van zaken dat de patiënt wordt overgebracht naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, afdeling EHBO, om voor stabilisatie van zijn toestand te zorgen. De arts heeft ten tweede male het dichtstbijzijnde ziekenhuis (E) gebeld, waarheen klager conform zijn uitdrukkelijke wens is vervoerd. Of de opname in dat ziekenhuis mede te danken is aan de bemoeienis van de eigen (bevriende) huisarts die op dat moment via een telefoontoestel in een ander vertrek buiten zicht van de arts door de partner van klager is benaderd, doet niet ter zake. De arts had na zijn laatste telefoongesprek met het E-ziekenhuis geen taak meer en is weggegaan. Dat hij daarbij het vervoer van klager door het ambulancepersoneel in de weg liep, zoals klager heeft gesteld, is niet komen vast te staan. Niet meer kan worden vastgesteld of hij het flatgebouw via de trap of met de lift heeft verlaten; partijen verschillen daarover uitdrukkelijk van mening.
5. Slotsom
Bovenstaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat de arts heeft geweigerd klager een visite te brengen en evenmin dat de arts klager de nodige medische hulp heeft onthouden, zodat de arts dienaangaande geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Het beroep van de arts wordt dus gegrond verklaard en voorzover klager in hoger beroep overigens nog het handelen van de arts aan de orde heeft willen stellen, wordt de klacht ook in zoverre verworpen.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- verklaart het beroep van de arts gegrond;
- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep
- en opnieuw rechtdoende,
wijst de klacht af
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Medisch Contact en De Huisarts met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, voorzitter; mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, mr. M.J.F. Zeven-Postma, leden-juristen; M.A.P.E. Bulder-van Beers, F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten; mr. F.A. Arnbak-dAulnis de Bourouill, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 december 2001, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris. n
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



