MC 18 - Nierpatiënt
| Publicatie | Nr. 18 - 01 mei 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
Een nachtelijke visite afleggen vanwege oorpijn bij een 63-jarige patiënt ligt niet direct in de rede. Toch vindt die visite plaats en schrijft de dienstdoende huisarts diclofenac voor. Als een zoon van de patiënt de volgende middag naar de aangeklaagde centralist/basisarts van de dokterspost opbelt met de mededeling dat de oorpijn niet is afgenomen en dat zijn vader nierpatiënt is, kan dat telefoontje de basisarts niet overreden tot het wederom afleggen van een visite. Hetzelfde geldt voor de vervolgens die nacht opgebelde dienstdoende huisarts, die later eveneens met een klacht wordt geconfronteerd.
De volgende dag blijkt na spoedopname in het ziekenhuis - vanwege een epileptisch insult - dat zich bij patiënt secundair aan een otitis media een meningitis heeft ontwikkeld. Verder blijkt uit de diagnose dat de man lijdt aan diabetes mellitus en een progressieve nierinsufficiëntie bij ernstige sepsis bij - en nu komt de aap uit de mouw - zijn tranplantatienier, waarvoor hij prednison gebruikt. Patiënt overlijdt twee dagen later.
Dat hij de diagnose had gemist, werd de aangeklaagde arts niet kwalijk genomen. Wél dat hij niet heeft doorgevraagd na de melding: Maar mijn vader is nierpatiënt. Het is weliswaar bekend dat hulpvragers wel vaker zeggen dat het gaat om een long-, hart- of kankerpatiënt. Een toevoeging die doorgaans het spoedeisend karakter van de hulpvraag beoogt te benadrukken. Soms terecht.
Wij vragen ons af of patiënten met ernstige, chronische pathologie door hun behandelend artsen niet beter zouden moeten worden geïnstrueerd over de relevante medische informatie die in geval van nood aan hun dienstdoende collegas moet worden verstrekt. Natuurlijk ontslaat dat de arts er niet van om zelf door te vragen, maar het geeft de moderne patiënt ook meer eigen verantwoordelijkheid.
Aan het eind van het vonnis krijgt de huisartsenpost van het regionaal college nog een waarschuwende vinger vanwege het gebrek aan een goede gegevensoverdracht en afspraken rond de verantwoordelijkheid van de centralist/basisarts (zie ook eerdere bijdragen over dit onderwerp in Medisch Contact). Daar wordt inmiddels hard aan gewerkt, zo begrijpen wij van de LHV.
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam d.d. 16 oktober 2001
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 10 augustus 2000 bij het college binnengekomen klacht van: A, B en C, klagers, tegen D, arts, verweerder.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift met de bijlagen; het antwoord van 29 september 2000; de repliek van 16 oktober 2000; de dupliek van 3 december 2000; en de correspondentie betreffende het vooronderzoek.
De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2001.
Partijen waren aanwezig. Klagers werden bijgestaan door mr. drs. E, advocaat
te F, en verweerder door mr. G, advocaat te H.
2. De feiten
De klacht betreft verweerders handelen tijdens het telefonisch consult op vrijdagmiddag 17 maart 2000 met betrekking tot I, 63 jaar, verder te noemen: de patiënt. Deze was de ex-echtgenoot van klaagster A, en de vader van klager B (verder te noemen B) en klager C.
Uit de voorgeschiedenis blijkt dat de patiënt in 1998 een niertransplantatie heeft ondergaan, en dat hij als therapie onder meer prednisolon kreeg voorgeschreven.
Op donderdag 16 maart 2000 kreeg de patiënt last van oorpijn. Tegen de pijn nam hij paracetamol. Omdat de pijn
verergerde, belde de patiënt die nacht omstreeks 02.00 uur klager C, die daarop de dienstdoende huisarts J heeft gebeld. Deze heeft vervolgens een visite afgelegd. Op grond van haar bevindingen achtte J een oorontsteking het meest waarschijnlijk en schreef zij Diclofenac 3 dd 50 mg voor.
Op vrijdagmiddag 17 maart 2000 had verweerder dienst als telefonist/basisarts in de huisartsenwaarneming K te F voor de dienstdoende huisarts L. B, die bij de patiënt was, belde hem - via de M - omstreeks 18.00 uur. Partijen zijn het niet eens over de inhoud van dit gesprek. Vast staat dat B in dit gesprek aan verweerder heeft gemeld dat huisarts J de nacht daarvoor een visite bij de patiënt had afgelegd, dat deze 3 dd 50 mg diclofenac had voorgeschreven, en dat de oorpijn na inname daarvan niet was afgenomen. Voorts staat vast dat B tevens heeft gemeld dat zijn vader nierpatiënt was.
In de nacht van vrijdag 17 op zaterdag 18 maart 2000 heeft de patiënt omstreeks 02.00 uur wegens toenemende oorpijn B gebeld met het verzoek bij hem te komen. Na aankomst bij de patiënt is de M gebeld. De vervolgens geraadpleegde dienstdoende huisarts N stelde telefonisch de diagnose middenoorontsteking en schreef diclofenac voor. Evenals verweerder achtte hij op basis van de verkregen informatie een visite niet noodzakelijk. Klagers zijn het daarmee niet eens en hebben om die reden eveneens een klacht ingediend tegen N, welke klacht is geregistreerd onder nummer 00/193.
Toen klager C de volgende dag - zondag 19 maart 2000 - bij de patiënt kwam, vertoonde deze symptomen passend bij een epileptisch insult. De vervolgens - via 112 - gealarmeerde ambulance heeft de patiënt naar het O-ziekenhuis vervoerd, waar hij diezelfde dag op de afdeling Intensive Care (IC) is opgenomen. De diagnose luidde: 1. meningitis, secundair aan een otitis media, 2. progressieve nierinsufficiëntie bij ernstige sepsis bij transplantaatnier, en 3. diabetes mellitus. De patiënt werd behandeld met breedspectrum antibiotica. Hij is op 21 maart 2000 overleden.
3. Het standpunt van klagers en de klacht
De aan verweerder verstrekte informatie had voor hem reden moeten zijn een visite bij de patiënt af te leggen, te meer nu B in dat gesprek ook heeft gezegd dat zijn vader nierpatiënt was. Van verweerder had bovendien mogen worden verwacht dat hij deze mededeling serieus had genomen, en dat hij had doorgevraagd naar de aard van de nieraandoening. Verweerder heeft echter - aldus klagers - om de mededeling gelachen en geantwoord dat dat er niets mee te maken heeft.
Klagers voeren voorts aan dat verweerder een onjuiste diagnose heeft gesteld, en dat hij als gevolg daarvan een onjuiste therapie - te weten het voorschrijven van Otalgan - heeft ingesteld. Klagers menen dat de patiënt nog adequaat behandeld had kunnen worden en dat diens overlijden wellicht had kunnen worden voorkomen als verweerder had ingezien dat een visite geïndiceerd was.
De klacht houdt dan ook, zakelijk weergegeven, in dat verweerder is tekortgeschoten in de zorgverlening ten aanzien van de patiënt, door de hem gemelde klachten niet serieus te nemen en naar aanleiding daarvan geen visite af te leggen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Om een visite is niet gevraagd. Op verweerders vraag waar de pijn in het oor was gelokaliseerd, antwoordde B dat de pijn binnenin het oor zat. Op grond van deze melding zei verweerder toen dat er waarschijnlijk sprake was van een middenoorontsteking. B meldde desgevraagd dat hij niet wist of ook huisarts J deze diagnose had gesteld, dat de patiënt niet eerder een middenoorontsteking had gehad, dat hij geen koorts had, en dat J de vorige nacht veel oorsmeer in het buitenoor had geconstateerd.
Op basis van deze aanvullende informatie - mede gelet op de leeftijd van de patiënt - heeft verweerder zijn aanvankelijk gestelde diagnose middenoorontsteking gewijzigd in buitenoorontsteking. Verweerder stelt dat hij B heeft verzocht naar de praktijk te komen om het oor te onderzoeken. B zei daarop dat zijn vader nierpatiënt was. Verweerder heeft toen inderdaad gezegd dat dat er niets mee te maken had. Hij betwist dat hij daarom heeft gelachen. Die mededeling van B heeft hij opgevat als een verklaring waarom de patiënt niet naar de praktijk kon komen.
Gelet daarop en op verzoek van B heeft verweerder vervolgens voorgesteld aan de patiënt Otalgan voor te schrijven. Afgesproken werd dat B opnieuw zou bellen als de Otalgan niet zou helpen en/of dat de patiënt na het weekeinde de eigen huisarts zou raadplegen. B was het daarmee eens en beëindigde het gesprek.
Achteraf bezien vindt verweerder dat hij beter had kunnen doorvragen naar aanleiding van de mededeling nierpatiënt.
5. De overwegingen van het college
5.1. Dat B in het telefoongesprek met verweerder op vrijdagmiddag 17 maart 2000 om een visite heeft verzocht, staat, nu verweerder dit betwist, niet vast. Wel staat vast dat B aan verweerder heeft gemeld dat zijn vader nierpatiënt was. Hoewel toen niet aan verweerder is gemeld dat de patiënt een niertransplantatie had ondergaan en dat hij in dat kader prednisolon kreeg voorgeschreven, had verweerder erop bedacht moeten zijn dat er mogelijk meer aan de hand zou kunnen zijn. Hij had derhalve meer informatie aan B moeten vragen dan hij stelt te hebben gedaan, om zich een juist beeld van de toestand van de patiënt te kunnen vormen.
Verweerder heeft ook erkend dat hij dit, achteraf bezien, in onvoldoende mate heeft gedaan. Niet uitgesloten moet worden geacht dat verweerder daardoor is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat er bij de patiënt sprake was van een ongecompliceerd verloop van het klachtenpatroon. Naar het oordeel van het college is verweerder er te gemakkelijk van uitgegaan dat hij met B over het door hem gekozen beleid, te weten het voorschrijven van Otalgan, tot overeenstemming was gekomen. Dat verweerder daarbij is uitgegaan van de diagnose buitenoorontsteking acht het college overigens niet verwijtbaar.
Op grond van het vorenstaande komt het college, ongeacht de vraag of een visite op medische gronden was geïndiceerd, dan ook tot het oordeel dat verweerder in de gegeven omstandigheden - reeds door niet voldoende door te vragen naar aanleiding van de hem gedane mededeling dat er sprake was van een nierpatiënt - onvoldoende zorgvuldig en derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Het college merkt overigens op dat het - anders dan klagers menen - niet aannemelijk is dat het overlijden van de patiënt had kunnen worden voorkomen als verweerder een ander beleid had gevoerd.
Al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking nemende, komt het college tot de conclusie dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft door te handelen als hiervoor bekritiseerd, gehandeld in strijd met de zorg die hij ten opzichte van de patiënt had behoren te betrachten. De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.
5.2. Ambtshalve en los van de klacht en de beoordeling van het handelen van verweerder merkt het college nog het volgende op.
Op grond van hetgeen verweerder daaromtrent ter zitting heeft verklaard, vraagt het college zich af of er binnen de huisartsenwaarneming K goede afspraken over de gegevensoverdracht bij de wisseling van de dienst zijn gemaakt, met name nu ter zitting is gebleken dat alleen de eigen huisarts van de patiënt wordt geïnformeerd en niet de opvolgende waarneemdienst.
Daar komt bij dat verweerder zegt geen toegang te hebben (gehad) tot de in de computer van de huisarts beschikbare medische gegevens van de patiënt.
Voorts betwijfelt het college of er voldoende helderheid is geschapen over de verantwoordelijkheid van de telefonist/basisarts tegenover die van de dienstdoende huisarts.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de telefonist/basisarts uitsluitend tot taak heeft om aan de hand van de telefonisch verkregen informatie te beoordelen of een visite door de dienstdoende huisarts is geïndiceerd.
Het college beveelt de bij de huisartsenwaarneming betrokken artsen aan om de ambtshalve aangestipte
probleempunten, gelet op de daaraan verbonden risicos, zorgvuldig onder de loep te nemen en het terzake
afgesproken beleid te heroverwegen.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing zodra zij onherroepelijk is, op na te
melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt verweerder.
Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus gewezen op 16 oktober 2001 door mr. H. van Breda, voorzitter; M.F. van Brederode-Zwart, J.F.A. Vleer en J.H.W.A. Schouten, leden-arts; mr. C.E. Polak, lid-jurist, mr. P. Tanja, secretaris, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 11 december 2001 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris. n
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



