MC 22 - De telefoon in het winkelcentrum
| Publicatie | Nr. 22 - 28 mei 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
Velen van u zullen zich tijdens hun bereikbaarheidsdienst of achterwacht thuis bevinden, althans niet steeds - zoals dat zo fraai heet - op de werkvloer of in de nabijheid van de patiënt. Dit was ook het geval bij de in onderstaande casus aangeklaagde waarnemend verpleeghuisarts. Tijdens haar weekenddienst werd zij - misschien wel tijdens het boodschappen doen - gebeld door de verpleging over een psychogeriatrische patiënte die suffer was dan gewoonlijk. De arts adviseerde de vrij hoge dosis Dipiperon te verlagen.
Wel nee, zei de klagende familie van de patiënte, het ging om toenemende benauwdheid en de arts had onze moeder moeten onderzoeken. Misschien was haar plotselinge dood maandagmorgen vroeg dan te voorkomen geweest. Bij het vooronderzoek bleek echter niemand in het verpleeghuis de versie van de familie te kunnen bevestigen. De arts was één keer in huis geweest en was toen niet op de medische toestand van patiënte geattendeerd, terwijl het toch haar beleid was om een benauwde patiënt altijd te onderzoeken.
Zowel het Regionaal als het Centraal College hechtte meer geloof aan de versie van de verpleeghuisarts. Zij kreeg echter wel het verwijt dat zij geen aantekening had gehouden van haar telefonische consulten. Behalve het boodschappenlijstje moet u dus voortaan ook maar een blocnote met pen meenemen, als u tijdens uw bereikbaarheidsdienst mocht willen gaan winkelen. Maar dat is hopelijk geen nieuws voor u.
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 26 februari 2002
Beslissing in de zaak van: A, wonende te B, appellant, klager in eerste aanleg, tegen C, wonende te B, arts, verweerster in eerste aanleg en in hoger beroep.
1. Het verloop van de procedure
Appellant heeft op 26 maart 1999, ingekomen op 31 maart 1999 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen verweerster, hierna te noemen: de arts, een klacht ingediend. Dit College heeft de klacht bij beslissing van 18 april 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen.
Appellant is bij beroepschrift van 29 juni 2000, ingekomen op 30 juni 2000, tegen deze beslissing in beroep gekomen. Bij brief van 25 augustus 2000 heeft appellant dit beroep nader toegelicht. De arts heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen 19 oktober 2000.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van het Centraal College op 20 december 2001 alwaar verschenen zijn partijen en de raadsvrouw van de arts, mr. H. Uhlenbroek, advocaat te Amsterdam.
2. Beslissing in eerste aanleg
Ten aanzien van de feiten, de klacht en het standpunt van klager, het standpunt van verweerster en de overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, heeft het College van eerste aanleg overwogen als volgt:
De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
De klacht betreft de behandeling van klagers moeder D, geboren op 18 december 1913, overleden op 26 januari 1998, verder patiënte te noemen, in het verpleeghuis van de E te F. Patiënte was daar op 11 december 1997 met een BOPZ-indicatie opgenomen op de afdeling Psychogeriatrie. De geriater van de Riagg had op 20 oktober 1997 als diagnose gesteld een mild dementiesyndroom met status na delier.
Bij poliklinisch onderzoek in het G te F op 9 december 1997 was de conclusie: Dementiesyndroom, mogelijk status na infarct rechter hemisfeer bij hartritmestoornis.
Verweerster is verbonden aan de H te F, maar verricht ook avond en weekeinddiensten voor het E. Zij had dienst in het weekeind van zaterdag 24 en zondag 25 januari 1998 en is toen onder andere over patiënte geconsulteerd.
Patiënte is in de vroege ochtend van 26 januari 1998 overleden. De internist I, destijds nog werkzaam in het E, heeft haar geschouwd. Zij heeft een verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven, waarin is vermeld onder 1.a Ziekte, welke rechtstreeks de dood ten gevolge had: mors subita, en onder 2. Bijkomstige, bij overlijden nog bestaande ziekten ...: dementie. Obductie is niet verricht.
De klacht en het standpunt van klager
Klager stelt, zakelijk samengevat, het volgende:
Patiënte is voortijdig en onnodig overleden. Zij kreeg op zaterdag 24 januari 1998 plotseling benauwdheidsklachten en ademhalingsproblemen en de bloeddruk was te laag. De dienstdoende verpleegkundige gaf haar een nitrostattablet. Verweerster was aanvankelijk niet bereikbaar. Later is gezegd dat zij telefonisch had geadviseerd de medicatie Dipiperon te verminderen wegens de sufheid van patiënte.
Klager betwist echter dat verweerster is geconsulteerd wegens klachten van sufheid. Hij stelt dat de sufheid niet ongewoon was en dat verweerster over benauwdheidsproblemen moet zijn geraadpleegd. Hij voert daarvoor aan dat patiënte daar medicatie voor kreeg en dat de Dipiperon later die avond weer in normale dosering is toe-gediend.
De familie stelde ook de volgende dag vast dat het niet goed ging met patiënte en verzocht weer om medische hulp. De verpleegkundige volstond toen echter met de mededeling dat de eigen arts de behandeling de volgende dag zou voortzetten. Patiënte is echter voordien plotseling overleden.
De klacht houdt in dat verweerster heeft nagelaten patiënte de gevraagde en noodzakelijke medische hulp te verlenen.
Het standpunt van verweerster
Met betrekking tot de klacht stelt verweerster, zakelijk samengevat het volgende:
Verweerster betwist in de eerste plaats dat zij tijdens haar dienst niet bereikbaar is geweest en stelt dat haar semafoon zoals gebruikelijk tijdens de hele dienst aan heeft gestaan. Verweerster kon zich bij kennisneming van de door klager eerst intern ingediende klacht in eerste instantie niet meer herinneren in het desbetreffende weekeinde over patiënte te zijn gebeld. Nadat zij nadere informatie had gekregen, herinnerde zij zich weer dat zij was gebeld over een patiënte die erg suf was en een betrekkelijk hoge dosering Dipiperon kreeg toegediend en dat was afgesproken dat de Dipiperon zou worden verminderd en dat er zo nodig, bijvoorbeeld bij blijvende ernstige sufheid of andere klachten, zoals een tensiedaling, weer zou worden gebeld. Verweerster is echter niet meer over patiënte gebeld.
Verweerster voert nog aan dat het niet aannemelijk is dat zij tijdens deze dienst is gebeld over een patiënte met benauwdheidsklachten omdat dit een klacht is waarvoor zij een patiënt altijd zelf onderzoekt. Een melding van benauwdheidsklachten zou bovendien geen indicatie zijn geweest om de dosis dipiperon te verlagen. Verweerster erkent in dat weekeinde in ieder geval één visite in het E te hebben afgelegd, maar stelt toen niet benaderd te zijn met het verzoek ook patiënte te bezoeken.
De overwegingen van het college
In het kader van het vooronderzoek zijn als getuige gehoord de schouwarts/internist I, de verpleeghuisarts en hoofd van de medische dienst J, het verpleegkundig hoofd K, de verpleegkundige L en de verpleegkundige M, allen direct of indirect betrokken bij de gebeurtenissen waarop de klacht betrekking heeft.
Noch uit de stukken, noch uit hetgeen door de getuigen is verklaard, blijkt dat verweerster, zoals klager stelt, meer dan één keer over patiënte is geconsulteerd en dat de reden daarvan niet ernstige sufheid maar benauwdheidsklachten is geweest. Het is jammer dat het in de desbetreffende periode nog niet gebruikelijk was dat de artsen aantekeningen van een dergelijk telefonisch consult maakten en dat derhalve in de onderhavige casus uitsluitend kan worden afgegaan op hetgeen in de verpleegkundige rapportage is genoteerd. Dit beleid is dan ook, zoals in het onderzoek is gebleken, terecht gewijzigd.
Voor klagers standpunt dat het anders is gegaan dan verweerster stelt, zijn echter in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden.
Het is voorts niet aannemelijk dat bij een verder onderzoek, bijvoorbeeld door, zoals klager heeft verzocht, nog een andere getuige te horen, feiten bekend zouden kunnen worden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Ervan uitgaande dat verweerster eenmaal telefonisch is geconsulteerd wegens sufheid van patiënte, komt het college tot de conclusie dat zij een juist advies heeft gegeven en dat haar met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47, lid 1, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt.
3. Beoordeling in hoger beroep
3.1. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal College geen aanleiding gegeven tot het vaststellen van andere feiten en het maken van andere gevolgtrekkingen dan het College in eerste aanleg heeft gedaan.
3.2. Het Centraal College merkt nog het volgende op.
Anders dan het Regionaal College acht het Centraal College de destijds door de waarnemende verpleeghuisartsen bij telefonische consulten gevolgde handelwijze, inhoudende dat van telefonische consulten door de geraadpleegde verpleeghuisarts geen verslag werd gemaakt, niet jammer maar onjuist.
Dat de medewerker van het verpleeghuis die de waarnemend verpleeghuisarts raadpleegde, wel van dit consult aantekening maakte in het zorgdossier van de betreffende patiënt, doet daaraan niet af.
3.3. Door het feit dat de arts van het ten processe bedoelde consult geen verslag heeft gemaakt, is de beoordeling van deze zaak ernstig bemoeilijkt.
3.4. Nu de door de arts destijds gevolgde handelwijze gebruikelijk was en - blijkens mededeling van de arts ter terechtzitting in hoger beroep - thans gewijzigd is in die zin dat door de waarnemende verpleeghuisarts voortaan wel schriftelijk verslag gedaan wordt van een telefonisch consult, acht het Centraal College het opleggen van een maatregel niet op zijn plaats.
3.5. Om redenen van algemeen belang zal de beslissing op na te melden wijze worden gepubliceerd.
4. Slotsom
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep als ongegrond moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Aldus gegeven in Raadkamer door mr. K.E. Mollema, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.M. Brilman, leden-juristen, A.A. Keizer, E.C.M. Plag, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Walter-Ebbenhout, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2002, door mr. P. Neleman, in tegenwoordigheid van de secretaris. n
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



