MC 26/27 - Misbruik van arbeidstherapie
| Publicatie | Nr. 26/27 - 26 juni 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
Kijk uit wanneer een patiënt van u aanbiedt om het tuinhekje te komen verven, of om bij u in het huishouden te komen helpen. Het kan u op een berisping van het Tuchtcollege komen te staan. Tenminste, als u het net zo bont maakt als de arts in onderstaande casus. Niet betalen, geen contract, maar wel als werkgever eisen stellen aan de arbeidsproductiviteit. Of was het als therapeut? Daar ging het nu juist om.
Een patiënte - van huis uit verpleegkundige - was sinds vier jaar in psychotherapeutische behandeling bij de arts (de latere verweerster). Deze startte een eigen herstellingsoord en de patiënte - de latere klaagster - hielp enthousiast mee. Aanvankelijk alleen bij het maken van kerststukjes, maar uiteindelijk als verpleegkundige met alle toeters en bellen, zoals nachtdienst en het geven van injecties. Ondertussen gingen de therapeutische gesprekken gewoon door. De arts ontving ongetwijfeld wél haar honorarium, haar verpleegkundig actieve patiënte c.q. vrijwilligster ontving slechts een reiskostenvergoeding. Natuurlijk ontstond er ruzie door deze onzuivere situatie. Klaagster werd moreel onder druk gezet toen zij in een drukke tijd - in haar rol van verpleegkundige - niet kwam opdagen. Uiteindelijk beëindigde klaagster abrupt de therapeutische én de werkrelatie. Verweerster bleef wrok houden en had niet meer de professionele distantie om de therapeutische relatie goed af te ronden. Zowel het Regionaal als het Centraal Tuchtcollege achtte het een verwerpelijke rolvermenging. Net zozeer als het aangaan van een seksuele relatie met een patiënt ongeoorloofd is.
Wij vragen ons af of elke arts zich even bewust is van een potentieel onzuivere vermenging van arbeidsrelatie
en therapeutische relatie. Veel artsen hebben voor vele klusjes wel een mannetje, niet zelden iemand uit de eigen patiëntenkring.
Een laatste kanttekening onzerzijds geldt het aantal psychotherapeutische sessies. Ondanks 240 sessies waren er geen vorderingen; zou hier misschien dankzij moeten staan?
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 12 maart 2002
Beslissing in de zaak van: A, thans wonende te B, als arts voor psychotherapie verbonden aan de Stichting C te B, appellante, raadsman: mr. J.G. Sijmons, tegen D, wonende te E, verweerster in hoger beroep, sociaal-verpleegkundige, raadsvrouwe: mr. S.A.H. Kool.
1. Verloop van de procedure
D - hierna te noemen klaagster - heeft op 12 maart 1999 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 30 mei 2000, nr. 99/067, heeft dat College de klacht gegrond verklaard zoals vermeld in die beslissing en de arts berispt. Op 4 september 2000 is een beroepschrift van die beslissing ingediend door mr. F van Woerden-Poppe, destijds raadsvrouwe van de arts. Op 24 november 2000 is een verweerschrift ingekomen. Op 18 september 2001 is een aanvullend beroepschrift ingekomen, ingediend door mr. Sijmons, de huidige raadsman van de arts. Daarop is op 17 oktober 2001 een aanvullend verweerschrift ingekomen. Naar aanleiding van de op 17 december 2001 verzonden uitnodiging voor de zitting van 17 januari 2002 is een wrakingsverzoek ontvangen van mr. Sijmons ten aanzien van één lid van het College dat het vooronderzoek in eerste aanleg in deze zaak had geleid. Dat verzoek is toegewezen. Op 28 december 2001 is een fax van mr. Kool ingekomen, waarbij aanvullende stukken zijn toegestuurd. Op 17 januari 2002 is de zaak ter zitting van het Centraal Tuchtcollege behandeld. Beide raadslieden hebben pleitnotas overgelegd en mr. Sijmons overlegde bovendien een productie.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende feiten ten grondslag gelegd:
Verweerster is arts. Zij is daarnaast opgeleid tot psychotherapeut. Vanaf januari 1992 is klaagster bij verweerster in psychotherapeutische behandeling geweest. De therapeutische gesprekken vonden plaats in de F-kliniek te G, waaraan verweerster toen nog verbonden was. Deze kliniek is onderdeel van de Stichting ter bevordering van de H. Eind 1996 bereidde verweerster samen met I, kunstenaar, en J, pedagoge, de oprichting voor van de Stichting C te B, een herstellingsoord voor burn-outpatiënten en somatisch zieken. In de door klaagster met verweerster gevoerde gesprekken heeft verweerster de aanstaande oprichting van C genoemd. In de kersttijd 1996 ging het met klaagster niet goed. Zij heeft toen op een zaterdag contact opgenomen met verweerster, die haar vervolgens heeft uitgenodigd om kerststukjes te komen maken op C. Klaagster heeft aan deze uitnodiging gehoor gegeven. Begin 1997 is klaagster op instigatie van de oprichters wekelijks op C komen helpen met allerhande klussen om de instelling gereed te maken voor patiënten. Klaagster is hiertoe overgegaan omdat zij iets om handen wilde hebben en de werkzaamheden weer structuur in haar leven brachten. In maart 1997 is C geopend. Klaagster is kort daarna door verweerster verzocht om als een van de gastvrouwen op C op te treden. Klaagster heeft aan dit verzoek voldaan. Vervolgens heeft klaagster aan J aangeboden een slaapdienst op C waar te nemen. J heeft van dit aanbod gebruikgemaakt. Klaagster was in ieder geval vanaf dat moment tevens werkzaam in haar oorspronkelijk beroep van verpleegkundige. Zij werd vanaf toen regelmatig ingeroosterd voor slaapdiensten, waarbij zij de wacht had over ongeveer twintig patiënten. Ook diende zij aan patiënten medicijnen toe, soms door middel van injecties. Als er s nachts problemen waren, nam klaagster contact op met
J dan wel met verweerster, die ook regelmatig de nacht op C doorbracht en dan als achterwacht fungeerde. Klaagster werd voor haar werkzaamheden op C niet betaald. Zij ontving alleen een reiskostenvergoeding. Klaagster had geen vrijwilligerscontract. Intussen vonden de therapeutische gesprekken tussen klaagster en verweerster doorgang. Deze gesprekken vonden af en toe ook op C plaats. In een van die gesprekken heeft verweerster aan klaagster verweten dat zij een nachtdienst had afgezegd. Omdat klaagster psychisch steeds meer moeite kreeg met de ontstane situatie, is zij in de zomer enige tijd gestopt met haar werkzaamheden voor C. Verweerster heeft vervolgens in september 1997 aan klaagster verzocht om wederom werkzaamheden voor C te komen verrichten. Klaagster heeft hierover aan verweerster een brief geschreven, gedateerd 17 september 1997. In deze brief heeft zij - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
Je vertelde me in ons gesprek over C. Heb ik het goed begrepen dat je een tekort aan verpleegkundige hebt; in verband met de erkenning. Ik ben verpleegkundige. ( ... ) Er is veel energie en levenskracht die ik graag wil gebruiken, wellicht kan dat op C. Ik werk dan als vrijwilliger, terwijl ik ook weer wat werkervaring opdoe. ( ... )
Blijft een moeilijk punt dat ik nog bij je in therapie ben, waardoor de kans bestaat dat dingen door elkaar kunnen lopen. Maar als we daar afspraken over kunnen maken, moet het wat mij betreft mogelijk zijn.
Klaagster is vervolgens weer als onbezoldigd verpleegkundige op C komen werken. Afspraken zijn er tussen klaagster en verweerster niet gemaakt. Op 14 februari 1998 heeft klaagster aan verweerster een brief geschreven waarin zij om duidelijkheid vraagt omtrent haar positie op C. Voorts heeft zij in deze brief aangegeven dat haar vertrouwen in de therapeutische gesprekken met verweerster was afgenomen omdat verweerster volgens klaagster niet meer wist waar zij mee bezig was. Deze brief ontbreekt in het door verweerster overgelegde dossier. Op 26 februari 1998 heeft klaagster wederom aan verweerster verzocht duidelijkheid te scheppen omtrent haar positie op C. Klaagster had namelijk geconstateerd dat er wel andere vrijwilligsters bij C in dienst werden genomen, maar dat zij daar niet bij was. Op die dag heeft er een ruzie plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster. Verweerster heeft daarin wederom aangegeven dat zij aan klaagster nog geen duidelijkheid omtrent haar positie kon verschaffen. Klaagster had diezelfde avond slaapdienst. Omdat zij de spanning niet meer aankon heeft zij zich s nachts afgemeld bij verweerster en de telefoon aan haar overgedragen. Verweerster heeft naar aanleiding van deze incidenten aan klaagster op 28 februari 1998 een brief geschreven. Deze brief luidt - voorzover hier van belang - als volgt:
Je bent bij mij in therapie. Ik zie werkproblemen en mogelijke openingen. Ik laat je daarbij toe in mijn tuin(= C). Ik kijk op een afstand of dat wil lukken en wat ik zie. Probeer af en toe in onze gesprekken daarop terug te komen, maar dat lukt ten dele. Toch is het mijn tuin en zie ik het op dit moment als een therapeutisch proces. ( ... )
Van de zomer ben je een paar maanden buiten beeld geweest in een voor ons drukke tijd. En nu laat je los tijdens een nachtelijke dienst, waarbij je de telefoon bij mij achterlaat terwijl ik niet eens uit bed kan komen door de pijn in mijn rug ... Ik voel me geweldig door je in de steek gelaten. En hoe kan een organisatie op je bouwen ...
De afspraak met klaagster die eveneens in voormelde brief staat vermeld, is afgebeld door verweerster. Nadien heeft verweerster op 17 maart 1998 nog een brief gestuurd aan klaagster naar aanleiding van een door klaagster aan haar verzonden tekening. In deze brief staat onder meer:
( ... ) omdat je telefonisch toch laat zien dat je mijn zienswijze van mijn proeftuin niet respecteert en daar wil ik eigenlijk niet over in discussie vervallen. Dus aan jou om goed afscheid te nemen of dit toch liever uit te stellen naar een beter moment. Ik hoor graag van je.
Klaagster heeft vervolgens nog diverse malen geprobeerd om telefonisch contact op te nemen met verweerster. Verweerster was voor haar echter onbereikbaar. Klaagster en verweerster hebben nadien geen contact meer gehad.
3. De klacht
De klacht, die door het Regionaal Tuchtcollege grotendeels gegrond is verklaard, bestaat uit drie onderdelen:
a. De arts heeft de grenzen van een professionele relatie overschreden door eveneens een werkgeefster-werkneemsterrelatie met klaagster aan te gaan. Dit heeft geleid tot een rolvermenging waardoor de therapie negatief is beïnvloed.
b. De arts heeft haar dossierplicht verzaakt. Het dossier is niet volledig. Zij had het dossier bij haar beëindiging van haar dienstverband met de F niet mogen kopiëren en mogen meenemen. Voorts had zij geen stukken aan het Regionaal Tuchtcollege mogen overleggen zonder toestemming van klaagster. Daarmee heeft zij het medisch beroepsgeheim geschonden.
c. De arts heeft de behandeling niet op correcte manier beëindigd. Zij heeft klaagster ook niet terugverwezen naar haar huisarts.
4. De ontvankelijkheid van de klacht
In hoger beroep heeft de arts allereerst aangevoerd dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht niet-ontvankelijk had dienen te verklaren omdat de arts klaagster niet als arts, maar als psychotherapeute heeft behandeld en psychotherapeuten pas sinds 1 april 1998 onderworpen zijn aan tuchtrecht ingevolge de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).
Daartegen heeft klaagster aangevoerd dat de behandeling is aangevangen op een moment waarop de arts wel arts, maar nog geen psychotherapeut was, en voorts dat de arts medicijnen aan klaagster heeft voorgeschreven en bovendien zich ook thans nog profileert als arts-psychotherapeut.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht gaat het Centraal College uit van de volgende
feiten en omstandigheden.
De arts staat sinds 1965 als arts ingeschreven in het BIG-register en is bevoegd verklaard sinds 8 december 1965. Die inschrijving is verlengd per 15 januari 1998. Sinds 29 december 1993 staat zij ingeschreven in het register van psychotherapeuten. Per 1 januari 1994 is haar functie bij de Stichting ter bevordering van Antroposofische Psychiatrie gewijzigd in die van psychotherapeut.
De behandeling van klaagster is in 1992 begonnen in de F-kliniek te G, toen de arts nog niet als psychotherapeut was geregistreerd. In het kader van de behandeling schreef zij regelmatig medicijnen voor als antidepressiva (Fevarin), slaapmiddelen (Mogadon) en kalmeringsmiddelen (Seresta). Het voorschrijven van medicijnen is op grond van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening aan artsen voorbehouden. Daaraan doet niet af dat zij hierover overleg pleegde met andere artsen, verbonden aan de F-kliniek. In die periode waren artsen die als psychotherapeut werkzaam waren, als arts onderworpen aan tuchtrechtspraak voor gedragingen die hebben plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van tien jaar vóór de datum van indiening van de klacht.
Per 1 april 1998 is het Besluit houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de psychotherapeut, Staatsblad 1998, 155 in werking getreden. De arts heeft ter zitting verklaard dat zij nooit aan de oprichting van C was begonnen, als zij niet achttien jaar verpleeghuisarts was geweest, aangezien in C ook somatische patiënten afkomstig uit ziekenhuizen worden opgenomen om te herstellen. Sinds 1 april 1998 is de arts, die nog steeds als arts geregistreerd staat en zich als arts-therapeut verbonden aan de C profileert, op grond van de Wet BIG niet alleen als arts, maar ook als psychotherapeut onderworpen aan de tuchtrechtspraak. Klaagster is mitsdien door het Regionaal Tuchtcollege derhalve terecht ontvangen in haar klacht.
5. De overige grieven in hoger beroep
Voorts heeft de arts de volgende grieven tegen de bestreden beslissing aangevoerd:
1. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat klaagster in begin 1997 op instigatie van de oprichter (de arts) wekelijks op C is komen helpen om de instelling gereed te maken voor de patiënten, immers, dat was geen eenzijdig verzoek van de oprichters van C, maar een wederzijdse afspraak omdat klaagster zelf graag wilde komen werken.
2. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege overwogen dat in maart 1997 na de opening van C klaagster wederom door de arts zou zijn verzocht om als gastvrouw in C op te treden, immers zij wilde zelf graag komen.
3. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat klaagster door een slaapdienst waar te nemen, werkzaam is geworden in haar oorspronkelijk beroep van verpleegkundige.
4. Ten onrechte heeft het Regionaal
College als vaststaand aangenomen dat klaagster in de zomer van 1997 is gestopt met het vrijwilligerswerk omdat zij moeite zou hebben met de combinatie van het vrijwilligerswerk en de therapie.
5. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege als vaststaand aangenomen dat de arts klaagster heeft verzocht om wederom werkzaamheden voor C te komen verrichten, waarop zij als onbezoldigd verpleegkundige weer op C zou zijn gaan werken.
6. Ten onrechte heeft het tuchtcollege aangenomen dat de arts brieven zou hebben achtergehouden.
7. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat er ruzie zou zijn ontstaan op 26 februari
1998.
8. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege als vaststaand aangenomen dat de arts zich onbereikbaar zou hebben gehouden voor klaagster.
9. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat er sprake is van een rolvermenging in de relatie van klaagster en de arts.
10. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege de brief van 28 februari 1998 geïnterpreteerd als het aanspreken van klaagster op haar verantwoordelijkheden als vrijwilligster en in deze brief een verwijt voortvloeiend uit de persoonlijke gezondheidstoestand van de arts gelezen.
11. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege in de beroepen beslissing geoordeeld dat appellante onvoldoende aantekening heeft gehouden van de voortgang van de behandeling en geoordeeld dat het dossier niet compleet is vanwege de afwezigheid van enkele brieven.
12. Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat de arts ten onrechte een afschrift heeft meegenomen in de F-kliniek in mei 1998.
13. Het Regionaal Tuchtcollege verwijt de arts ten onrechte dat zij niet meer activiteiten heeft ontplooid, in dier voege dat zij geen contact met klaagster heeft opgenomen en haar niet heeft doorverwezen naar de huisarts.
14. Ten onrechte is de maatregel van een berisping opgelegd.
6. De beoordeling van het hoger beroep
Het Centraal College zal de grieven gezamenlijk per klachtonderdeel behandelen.
ad a. De grieven 1 t/m 5, 7, 9 en 10 betreffende het overschrijden van de professionele relatie met klaagster door tevens een werkgeefster-werkneemsterrelatie met klaagster aan te gaan.
Ter zitting in hoger beroep heeft de arts verklaard dat de therapie met klaagster, die reeds in 1992 was aangevangen, ondanks 240 sessies geen vorderingen maakte en dat zij klaagster in het kader van de interactionele psychotherapie als vrijwilligster op C heeft ingeschakeld in de verwachting dat zodoende meer structuur in het bestaan van klaagster, die in de ziektewet liep, aangebracht zou worden, hetgeen bevorderlijk zou zijn voor de therapie. Zij heeft tevens verklaard daartegen geen bezwaar te zien, omdat zij niet de directe leidinggevende van klaagster zou zijn, terwijl zij de gedragingen van klaagster in een werkrelatie kon observeren die zij heel direct bij de therapeutische gesprekken kon terugspiegelen. Klaagster maakte, aldus de arts, grensovergangen waarop zij klaagster in de therapeutische gesprekken moest aanspreken. Zij verwijt klaagster dat deze haar bezigheden niet heeft beperkt tot vrijwilligerswerk, doch zich ging opstellen als verpleegkundige, haar beroep, en doelbewust heeft gestreefd naar een arbeidscontract, ja, dat klaagster de therapie heeft opgeofferd aan een arbeidscontract bij C. Ze wilde liever een baan, dan therapie. Daaraan ben ik onderdoor gegaan, en dat is na zes jaar therapie heel schrijnend, aldus de arts ter zitting. De arts heeft het arbeidscontract tegengehouden, welk contract klaagster uiteindelijk heeft verkregen na het tijdelijk vertrek van de arts bij C, wegens een conflict met de familie IJ.
Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat de arts door klaagster als vrijwilligster toe te laten in C, mijn proeftuin, zoals de arts dit noemt, heeft gehandeld in strijd met de beroepscode van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie, waarin in art. II.1.1. het verbod is neergelegd om een andere relatie met de cliënt te hebben dan een behandelrelatie. Zodanig verbod geldt evenzeer voor de arts die met een patiënt een behandelrelatie heeft. Onder dat verbod valt niet alleen het verbod tot het aangaan van een seksuele relatie, maar ook het aangaan van andere relaties die de behandelrelatie denatureren en in gevaar brengen, zoals een arbeidsrelatie. Immers, daarin spelen ook andere belangen dan alleen het recht van de cliënt op een goede en objectieve behandeling, zoals het belang van de arts om het dreigende personeelstekort bij C tegen te gaan. Daaraan doet niet af dat de arts mogelijk formeel niet de leidinggevende was - dat is niet na te gaan, omdat nimmer een vrijwilligerscontract is opgesteld - nu C een kleine instelling is en de arts één van de drijvende krachten achter C was. Een en ander speelt te meer waar de arts gezien de behandelrelatie een natuurlijk overwicht had op klaagster en haar tijdens de therapiegesprekken, die steeds vaker op C plaatsvonden, heeft aangesproken op haar functioneren in C, zoals het geven van een verkeerde injectie aan een patiënt. Het bevreemdt het Centraal Tuchtcollege dan ook dat de arts klaagster verwijt dat zij als verpleegkundige een arbeidscontract wenste teneinde te voorkomen dat zij in de WAO terecht zou komen, wat immers een zeer voor de hand liggende wens was van klaagster. Uit het voorgaande blijkt dat de arts geen professionele distantie wist te bewaren, dat zij het belang van haar patiënte niet altijd heeft laten prevaleren boven haar eigen belang, zodat de grenzen van de behandelrelatie zijn overschreden. Klachtonderdeel a. is derhalve terecht door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaard.
ad b. De verzaking van de dossierplicht en het aanhouden van een schaduwdossier, dat zonder toestemming van klaagster is overgelegd aan het Regionaal Tuchtcollege.
Onder dit klachtonderdeel zullen de grieven 6, 11, en 12 gezamenlijk worden behandeld.
Het Centraal College is met het Regionaal College van oordeel dat de arts ook als psychotherapeute onvolledig aantekening heeft gehouden van de voortgang van de behandeling en van de rol die het vrijwilligerswerk van klaagster daarbij te spelen had. Het doel van verslaglegging is immers onder meer dat de arts of psychotherapeut de voortgang van de behandeling op adequate wijze kan waarborgen en dat hij, zo nodig, rekenschap kan afleggen over de behandeling (zie ook art. III.4.1.1.1. van de beroepscode van de NVP). Bedoelde aantekeningen, evenals de andere stukken die voor de behandeling relevante gegevens bevatten, moeten in het dossier worden bewaard (zie ook art. III.4.1.1.2. van de beroepscode). Ter zitting heeft de arts verklaard dat na jarenlange therapie een zodanige intieme relatie ontstaat dat klaagster niet meer alleen als patiënte werd gezien en dat daarom niet al haar brieven gezien werden als brieven van een patiënte en als zodanig in het dossier zijn bewaard. Daarmee heeft zij deels erkend dat zij de grenzen van een behandelrelatie als arts en als psychotherapeut heeft overschreden en deels dat de dossiervorming onvolledig is geweest. Dit onderdeel van de klacht is dus gegrond.
Dat de arts een schaduwdossier heeft aangehouden dan wel het dossier op de F-kliniek heeft ingezien en daaruit stukken heeft overgelegd ter verdediging tegen de klacht van klaagster is de arts niet te verwijten. De relatie met klaagster was immers verstoord en de arts had in mei 1998 reeds vernomen dat klaagster een klacht tegen haar zou indienen. Dit klachtonderdeel is door het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte gegrond verklaard.
ad c. De beëindiging van de behandelrelatie.
Onder dit klachtonderdeel vinden de grieven 8 en 13 bespreking.
Gezien bovengeciteerde brief heeft de arts het aan klaagster overgelaten om de behandelrelatie passend te beëindigen en heeft zij onduidelijkheid laten bestaan over vervolgafspraken. Wel stelt zij dat zij de F-kliniek op de hoogte heeft gesteld, waar haar supervisor K inmiddels was vertrokken. Klaagster heeft voldoende weerlegd dat de arts de beëindiging van de behandelrelatie heeft gemeld aan de huisarts van klaagster. De arts heeft derhalve ook op dit punt in strijd met art. II.3.2. van de beroepscode gehandeld, te weten nagelaten om aan te bieden om voor een adequate verwijzing zorg te dragen.
7. De maatregel
Tijdens het pleidooi ter zitting heeft de raadsman van de arts naar voren gebracht dat zij achteraf van mening is dat zij niet juist heeft gehandeld door klaagster bij C te introduceren, al was het alleen maar om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Echter, nu ter zitting is gebleken dat de arts niettegenstaande de uitlatingen van haar raadsman, ook na het verstrijken van bijna vier jaar nog steeds geen professionele distantie tot haar voormalige patiënte weet aan te houden en nog steeds persoonlijke verwijten tegen haar uit, zal het Centraal Tuchtcollege de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van een berisping handhaven. Gezien de beslissing ten aanzien van het verbod op het aangaan van een arbeidsrelatie die het onderwerp wordt van
de therapeutische gesprekken zal het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze beslissing bevelen.
8. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster ontvankelijk in haar klacht tegen de arts;
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Medisch Contact en het Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter; mr. H.S. Pruiksma, mr. M.J.F. Zeven-Postma, leden-juristen; F.M.M. van Exter, prof.dr. P.P.G. Hodiamont, leden-beroepsgenoten; mr. F.A. Arnbak-dAulnis de Bourouill, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2002, door mr. R.A. Torrenga, in aanwezigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



