MC 35 - Toch weer blauw op straat
| Publicatie | Nr. 35 - 28 augustus 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
Neen, het gaat in deze casus niet over de gemiste diagnose van een cyanotische patiënt. Wél over een patiënt die zichzelf niet als patiënt zag, en die zich blauw ergerde aan het onprofessionele gedrag van zijn bedrijfsarts. Hij wilde namelijk wel degelijk weer blauw de straat op als volwaardig politieagent, en niet wegkwijnen achter een bureau.
Hij had een hartoperatie ondergaan en een halfjaar later ook nog zijn dochter verloren door een verkeersongeval. Terwijl hij zijn gewone werk al weer gedeeltelijk had hervat, achtte de later aangeklaagde bedrijfsarts de agent - gelet op diens medisch profiel - echter ongeschikt voor executieve dienst. De arts gaf dat door aan de plaatsvervangend districtchef, die hem vier dagen later gebood om zijn uniform met onmiddellijke ingang aan de kapstok te hangen. Dat liet de politieagent echter niet op zich zitten. Hij bleef zijn werk gewoon doen, ging in beroep tegen de beslissing van zijn superieur en klaagde tuchtrechtelijk zijn bedrijfsarts aan. Hij werd aan alle kanten in het gelijk gesteld.
Het regionaal tuchtcollege berispte de bedrijfsarts: zijn advies was op drijfzand gebaseerd. Geen gericht onderzoek, geen inlichtingen gevraagd bij de behandelende sector (de cardioloog zag achteraf geen enkel reden voor enige beperking), geen overleg met vorige bedrijfsartsen van betrokkene, geen of onvoldoende dossiervorming, geen kennis van de specifieke werkomstandigheden van de agent, geen informatie van de werkvloer gevraagd, geen afstemming met betrokkene gehad, geen adequate verzuimbegeleiding.
Kortom, een schoolvoorbeeld van hoe een bedrijfsarts volgens ons níet moet handelen. Reïntegratie tegen de klippen op, alleen helaas niet door de bedrijfsarts in gang gezet.
B.V.M. Crul, huisarts
mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam d.d. 11 december 2001
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 16 augustus 2000 binnengekomen klacht van: A, klager, tegen B, bedrijfsarts, verweerder.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van: het klaagschrift met bijlagen; het aanvullend klaagschrift van 13 september 2000; de brief van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 20 september 2000; de brief van klager van 22 september 2000; het antwoord van 27 oktober 2000; de repliek van 12 november 2000; de
dupliek van 17 december 2000; de brief van klager van 4 januari 2001; de correspondentie betreffende het vooronderzoek; het proces-verbaal van het op 7 juni 2001 gehouden mondeling vooronderzoek; en de brief met bijlagen van klager van 18 juli 2001.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 11 december 2001 behandeld. Partijen waren aanwezig.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, kan van het volgende worden uitgegaan:
Klager is sinds 1978 werkzaam als politieambtenaar bij de regiopolitie C, waarbij hij inzetbaar was op alle taken van de dienst. Klager werkte onder andere bij de afdeling Milieu Verkeer en Bestuurlijke Zaken (MVBZ).
In verband met een hartoperatie in november 1997 heeft klager het werk enige tijd moeten onderbreken. Naar aanleiding van het overlijden van de dochter van klager op 17 mei 1998 ten gevolge van een verkeersongeval was er een nieuwe onderbreking en bezocht klager met zijn echtgenote enkele malen een psycholoog.
In februari 1998 heeft klager zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Gedurende deze periode stond hij onder controle van verweerders voorgangers bij de Arbodienst te D, mw. E en dhr. F. Later heeft klager verweerder in verband met de verzuimbegeleiding een aantal malen bezocht in de periode januari 1999 tot en met november 1999.
In het kader van de verzuimbegeleiding had verweerder gemiddeld eens per zes weken overleg met het Sociaal Medisch Team (SMT) van de regiopolitie C, dat bestond uit een vertegenwoordiger van de werkgever en een
vertegenwoordiger van de afdeling
Personeelszaken. Aan verweerder is
tijdens zon overleg de vraag voorgelegd of klager, gezien zijn belaste voorgeschiedenis, in staat was executieve diensten te verrichten.
Op 2 september 1999 vond een SMT-overleg plaats waarbij verweerder als zijn mening te kennen gaf dat klager niet geschikt was voor executieve diensten. Tijdens een gesprek op 6 september 1999 met de plaatsvervangend districtchef van de Regiopolitie C kreeg
klager te horen dat na overleg met verweerder was besloten om hem, gelet op zijn medisch profiel, met onmiddellijke ingang te ontheffen van executieve dienst, hetgeen meebracht dat klager geen uniform en dienstpistool meer mocht dragen. Het besluit werd vastgelegd in een brief aan klager, gedateerd
6 september 1999.
Klager heeft tegen het besluit van
6 september 1999 een bezwaarschrift ingediend en is zijn executieve werkzaamheden blijven verrichten.
Klager heeft naar aanleiding van voornoemd besluit op 5 oktober 1999 een gesprek gevoerd met verweerder en hem medegedeeld dat hij zijn werk kon doen en deed. Verweerder heeft klager laten weten dat hij een psychiatrische expertise nodig achtte. Klager heeft geweigerd daaraan mee te werken.
Verweerder heeft op 25 oktober 1999 informatie gevraagd aan de psycholoog bij wie klager in behandeling was. Verweerder wilde haar advies en mening weten omtrent het kunnen verrichten door klager van executieve taken. De psycholoog heeft verweerder laten weten dat zij zichzelf niet bevoegd achtte hierover een oordeel te vellen, en zij adviseerde verweerder informatie op te vragen bij personen die met klager samenwerkten. Tevens heeft verweerder contact opgenomen met de schietinstructeur. Deze kon niets zeggen met betrekking tot klager over schieten onder stress.
Verweerder heeft zijn mening, op grond waarvan de regiopolitie haar besluit had genomen, op 9 december 1999 op schrift gesteld en doen toekomen aan de regiopolitie. Verweerder schreef in deze brief dat hij klager niet in staat achtte executief werk te verrichten, dat dit het advies was van verweerder en de twee voorgaande bedrijfsartsen en gebaseerd op preventieve en dus beschermende advisering bij een in het verleden zwaar belaste politieagent.
Klagers bezwaarschrift is in juni 2000 gegrond verklaard. Uit onderzoek was gebleken dat er geen aanwijzingen waren dat klager niet in staat moest worden geacht tot het verrichten van executieve werkzaamheden.
Klager is thans als brigadier werkzaam in de functie van coördinator in executieve dienst.
3. Het standpunt van klager en de klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. vertrouwelijke medische informatie zonder toestemming van klager aan derden heeft verstrekt, althans informatie die als vertrouwelijk kan en moet worden aangemerkt aan derden heeft verstrekt;
2. geen gevolg heeft willen geven aan een verzoek van klager om verder onderzoek te doen, ondanks het schrijven van specialisten;
3. een niet onderbouwd advies heeft gegeven aan derden, waardoor lichamelijke schade dan wel financiële schade is ontstaan;
4. niet in het belang van klager heeft gehandeld.
4. Het standpunt van verweerder
Het verweer houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder heeft gehandeld zoals van een goed bedrijfsarts mocht worden verwacht. Hij heeft daartoe het volgende gesteld.
1. Verweerder heeft geen medische informatie uitgewisseld tijdens het overleg met het SMT. Er is hem tijdens dit overleg de vraag voorgelegd of klager naar zijn mening executief werk zou kunnen verrichten.
2. Verweerder heeft aangegeven hiernaar onderzoek te willen doen. Naar aanleiding van de informatie van de psycholoog en de schietinstructeur heeft verweerder zijn advies meegedeeld aan de werkgever.
3. De werkgever is vrij om dit advies op te volgen. Verweerder heeft het als zijn medische verantwoordelijkheid als bedrijfsarts beschouwd en het in het belang van klager en de werkgever nodig geacht te adviseren tot een preventieve maatregel om klager tegen zichzelf alsmede diens omgeving tegen klager te beschermen.
4. Verweerder heeft in het belang van klager gehandeld. Zijn advies kwam echter niet overeen met wat klager voor ogen stond.
5. De overwegingen van het college
ad 1. Binnen de regiopolitie was bekend dat klager een hartoperatie had ondergaan en dat zijn dochter was overleden en dat klager hierdoor in hoge mate belast was. Tegenover de uitdrukkelijke betwisting door verweerder is niet komen vast te staan dat verweerder zonder toestemming van klager (aanvullende) medische informatie heeft verstrekt aan derden, te weten de overige leden van het SMT.
Dit onderdeel van de klacht acht het college niet gegrond.
ad 2. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel is het college van oordeel dat is komen vast te staan dat verweerder voorafgaand aan zijn stellingname van 2 september 1999 geen gericht onderzoek heeft verricht of laten verrichten bij klager zelf, noch informatie heeft opgevraagd bij klagers behandelend artsen en andere hulpverleners ten aanzien van het handelen in stressvolle omstandigheden.
Verweerder heeft eerst na 5 oktober 1999, dus na het SMT-overleg van 2 september 1999, en pas nadat klager zich heeft vervoegd omdat hij het oneens was met diens advies, contact opgenomen met de psycholoog en de schietinstructeur. De psycholoog achtte zich niet bevoegd om de aan haar gestelde vraag omtrent het uitvoeren van de executieve dienst te beantwoorden. De schietinstructeur heeft geen uitlatingen gedaan omtrent het eventueel schieten van klager in een stressvolle situatie. Ondanks het feit dat de psycholoog noch de schietinstructeur inlichtingen kon verstrekken die ondersteunend waren voor het oordeel van verweerder, heeft verweerder ook toen geen contact opgenomen met de cardioloog of met andere artsen van klager. Vast is komen te staan dat de klager hiertoe wel een verzoek heeft gedaan. Klager heeft uiteindelijk zelf informatie opgevraagd bij zijn cardioloog, hetgeen heeft geresulteerd in de brief van de cardioloog aan klager van
8 december 1999, die aan klagers klacht is gehecht, waarin staat dat de cardioloog geen reden zag voor enige beperking. Het college is van oordeel dat de in oktober 1999 ontvangen antwoorden van de psycholoog en de schietinstructeur volstrekt niet konden dienen om het oordeel en advies van verweerder te onderbouwen.
De brief van verweerder van
9 december 1999 biedt evenmin enige motivatie of onderbouwing. Ook uit het medisch dossier blijkt niet of en op welke wijze verweerder overleg heeft gehad met de andere bedrijfsartsen. Bovendien hebben deze twee bedrijfsartsen klager na de overdracht aan verweerder niet meer gezien.
Op grond van dit alles acht het college het tweede klachtonderdeel gegrond.
ad 3. Voor wat betreft het derde klachtonderdeel acht het college het onjuist dat verweerder geen contact heeft opgenomen met de leidinggevende van klager omtrent het functioneren van
klager. Ook acht het college het onjuist dat verweerder geen andere personen binnen het korps heeft benaderd die iets konden verklaren over de benodigde stressbestendigheid van een politieagent in executieve dienst in het algemeen. Verweerder was niet bekend met objectieve maatstaven op grond waarvan hij kon beoordelen of een politieagent stressbestendig is of schietgevaarlijk. Mede gezien de beperkte ervaring en deskundigheid van verweerder ten aanzien van werknemers die een dienstpistool dragen en de specifieke arbeidsomstandigheden van een politieagent, had verweerder zich moeten realiseren dat hij niet zelfstandig een advies omtrent het al dan niet kunnen uitoefenen van de executieve taken kon geven en dat hij daarvoor contact had moeten opnemen met anderen, zoals leidinggevenden, instructeurs, de psycholoog binnen de politie en collegas alvorens tot een oordeel dan wel een advies te kunnen komen.
Verweerder had zich als bedrijfsarts op de hoogte behoren te stellen van de inhoud van de taken van een politieagent in executieve dienst en hoe deze taken behoren te worden uitgevoerd. Vervolgens had verweerder vanuit zijn medische deskundigheid moeten toetsen of klager deze taken kon vervullen met inachtneming van zijn medische voorgeschiedenis. Als er sprake zou zijn van psychische labiliteit had daarover informatie beschikbaar moeten komen en eventueel een onderzoek moeten worden verricht naar de vraag in hoeverre deze psychische labiliteit van invloed zou kunnen zijn op de uitoefening van de functie. Verweerder had zijn oordeel/
advies moeten opschorten dan wel
achterwege laten, zolang hij niet inhoudelijk op de hoogte was en derhalve in casu niet in staat was een zelfstandig medisch onderbouwd oordeel/advies te geven.
Het college is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie had moeten komen dat hij niet over de benodigde informatie en deskundigheid beschikte om de hem gestelde vraag van de korpsleiding te kunnen beantwoorden.
De korpsleiding heeft na het SMT-overleg op 2 september 1999 het besluit genomen om klager per direct te ontheffen van de executieve dienst en heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van verweerder. Verweerder is hiervan op de hoogte gebracht door de korpsleiding, getuige de brief aan klager van 6 september 1999. Verweerder heeft aangegeven door het besluit verrast te zijn geweest aangezien hij, naar zijn zeggen, met de leden van het SMT de afspraak had gemaakt dat hij nadere informatie en adviezen zou inwinnen en in december 1999 zijn definitieve advies gereed zou hebben, waarbij het college opmerkt dat deze afspraak niet als zodanig is genoteerd in het medisch dossier. Ondanks deze afspraak en ondanks het feit dat verweerder zegt verrast te zijn geweest door het snelle besluit van de korpsleiding heeft verweerder geen stappen ondernomen om het besluit ongedaan te maken, de korpsleiding te wijzen op de gemaakte afspraken binnen het SMT, en/of anderszins zijn ongenoegen omtrent de gang van zaken kenbaar te maken. Dit had te meer voor de hand gelegen nu verweerder er, in elk geval vanaf 5 oktober 1999, van op de hoogte was dat klager zich niet kon verenigen met het besluit van de korpsleiding.
Het college acht het derde klachtonderdeel gegrond. Verweerders advies was in het geheel niet onderbouwd, wat voor klager negatieve gevolgen heeft gehad. In welke mate klager hierdoor lichamelijke dan wel financiële schade heeft geleden, gaat het kader van deze tuchtrechtelijke procedure te buiten.
ad 4. Het college acht het functioneren van verweerder verre onder de maat. In het bijzonder is verweerder bij de verzuimbegeleiding van klager ernstig tekortgeschoten. Naar het oordeel van het college had hij met klager behoren te bespreken dat hem tijdens het SMT-overleg de vraag was voorgelegd of klager wel executieve functies, en dan speciaal in verband met het dragen van een dienstpistool, kon vervullen. Als verweerder - al dan niet op goede gronden - meende in een later SMT-overleg een advies te moeten geven, had hij - zeker als dat zoals in casu voor klager verstrekkende gevolgen had - dat advies met
klager behoren te bespreken voor hij het daadwerkelijk uitbracht. De noodzaak van een dergelijke handelwijze is op te maken uit de op verweerder van toepassing zijnde regeling, vervat in het Activiteitenplan 2000 van de Regiopolitie C, en is meer in het algemeen een kwestie van professioneel fatsoen. Verweerder stelt weliswaar dat hij in zijn beleving alles met klager heeft besproken, doch daarvan blijkt op geen enkele wijze uit het medisch dossier, noch anderszins. Ook de rapportage in het medisch dossier over het SMT-overleg is volstrekt onvoldoende, hetgeen te meer klemt daar dit overleg en de daarbij gemaakte afspraken een essentieel onderdeel vormen van verzuimbegeleiding. Ten slotte is in het dossier niet te vinden waaruit het gewraakte advies van verweerder bestond en wat er naar aanleiding daarvan eventueel werd besloten of afgesproken.
Door aldus te handelen en na te laten heeft verweerder niet in het belang van klager gehandeld.
Het college acht daarom ook dit klachtonderdeel gegrond.
De conclusie van het voorgaande is dat drie van de vier klachtonderdelen gegrond zijn. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege
berispt verweerder;
bepaalt voorts dat de beslissing op de voet van artikel 71 van de Wet BIG geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter publicatie zal worden aangeboden.
Aldus gewezen op 11 december 2001 door mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter, N.A. Mensing van Charante, dr. J.B. Maathuis en J.H.W.A. Schouten, leden-artsen, mr. R.F. Milo, lid-jurist, met mr. L. Tjabbes-Meijer als secretaris en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 januari 2002 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



