MC - 36 Verantwoordelijk voor de arts-assistent
| Publicatie | Nr. 36 - 03 september 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
Soms, zoals in deze zaak, is het jammer dat een arts niet ter zitting verschijnt en dat het niet tot een hoger beroep komt. Toegegeven, het is voor iedere arts doorgaans een zware gang, maar juist nu het aantal opleidingsziekenhuizen binnenkort zo fors zal worden uitgebreid, wordt een grensbepaling van de verantwoordelijkheid van de formele opleider zo mogelijk nog pregnanter. Een vergelijkbare situatie als hieronder beschreven kan zich overal voordoen en waarschijnlijk gebeurt dat ook nog steeds.
Een arts-assistent chirurgie doet op de Eerste Hulp zijn eerste schouderrepositie. Na de zoveelste poging lukt het uiteindelijk met pethidine. De agio legt in de status echter niet vast dat er ook sprake is van een biceps-peesruptuur en een sternoclaviculaire subluxatie. De patiënt houdt klachten en hij besluit na bijna vier jaar (het kan nog tot tien jaar na de behandeling of het nalaten daarvan) een klacht in te dienen. Niet tegen de sjorrende arts-assistent, maar tegen diens opleider, een chirurg die volgens zijn zeggen vooral een coördinerende taak heeft.
Het Regionaal Tuchtcollege denkt daar echter anders over en geeft de opleider een tuchtrechtelijke waarschuwing: hij had de bekwaamheid van de arts-assistent beter moeten (laten) beoordelen. Bovendien hadden er goede op schrift gestelde instructies moeten zijn alsmede een structurele controle op de statusvoering. Juist in een opleidingssituatie.
U bent als (potentiële) opleider dus gewaarschuwd. Opleiden is iets anders dan in het diepe gooien.
B.V.M. Crul, huisarts mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Regionaal Tuchtcollege Amsterdam d.d. 15 januari 2002
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 2 november 1999 binnengekomen klacht van A, wonende te B, klager, tegen dr. C, chirurg, wonende te D, verweerder.
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift met de bijlagen; het antwoord met de bijlagen binnengekomen op 21 februari 2000; de repliek van 30 maart 2000 met de bijlagen; de dupliek binnengekomen op 2 augustus 2000; de correspondentie betreffende het vooronderzoek; en de inlichtingen van 12 december 2000.
Partijen zijn bij brief van 3 augustus 2000 in de gelegenheid gesteld in het kader van het vooronderzoek te worden gehoord, maar hebben van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt.
De klacht is gezamenlijk met zaak 99/286 ter openbare terechtzitting van 15 januari 2002 behandeld, waarbij verweerder in zaak 99/287 niet aanwezig was.
Klager werd bijgestaan door mw. mr. E, advocaat te B. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. F, verbonden aan de DAS Rechtsbijstand te B.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard, kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerder was als chirurg-opleider werkzaam in het G te B.
De klacht heeft betrekking op de verantwoordelijkheid van verweerder als hoofd van de opleiding chirurgie in het G voor behandeling van klager door arts-assistent dr. H tijdens klagers bezoek aan de Eerste Hulp op 26 januari 1996 en de daaropvolgende nacontrole.
Op 26 januari 1996 was klager thuis gevallen, waarbij zijn rechterschouder geluxeerd was. Op de Eerste Hulp van het G is klager diezelfde dag door H gezien. H heeft een röntgenfoto van de schouder laten maken en heeft na drie pogingen om de schouder te reponeren pethidine gespoten, waarna de repositie slaagde. De biceps-peesruptuur en de sternoclaviculaire subluxatie zijn niet genoteerd, evenmin als de herhaalde pogingen tot reponeren en het daarna toedienen van pijnmedicatie. Na een controlefoto heeft klager een mitella gekregen. In de status is genoteerd oefenen op geleide van de pijn. Klager is na een week en na vier weken bij een andere assistent dan H op de polikliniek ter controle geweest. Klager heeft langdurig pijn gehouden en heeft nog steeds functieverlies van de rechterhand en -schouder.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager stelt dat verweerder in zijn hoedanigheid van opleider en hoofd van de afdeling Eerste Hulp verantwoordelijk was voor de instructie en supervisie van de arts-assistenten, zowel op het gebied van de behandeling en nacontrole van letsels gezien op de Eerste Hulp als op het gebied van verslaglegging. Derhalve acht klager verweerder verantwoordelijk voor het feit dat H zonder direct toezicht en onvoldoende bekwaam zijn eerste schouderrepositie bij klager heeft gedaan. Hs verslaglegging was daarbij zo summier dat ook de nacontrole zodanig was dat klager langdurig pijn en functieverlies is blijven houden.
Zakelijk weergegeven verwijt klager verweerder in zijn hoedanigheid van opleider:
1. onvoldoende instructie en toetsing van de arts-assistenten met betrekking tot behandeling en nacontrole van letsels gezien op de spoedeisende hulp;
2. onvoldoende instructie en toetsing met betrekking tot behoorlijke verslaglegging, waardoor de nacontrole beneden de maat is gebleven.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder stelt dat de klacht ongegrond is en dient te worden afgewezen.
ad 1. Instructies voor diagnostiek en behandeling zouden goed zijn vastgelegd in schriftelijke procedures. Verweerder had een coördinerende taak en was niet belast met continu toezicht op en begeleiding van de assistenten in opleiding op de spoedeisende hulp. De oudere assistenten en een ervaren chirurg waren tijdens de diensten aanwezig voor nadere instructie of advies. Verweerder heeft feitelijk geen enkele bemoeienis gehad met de behandeling van en nazorg aan klager.
Overigens was H voldoende ervaren om zelfstandig klager te behandelen en te beoordelen of hij nader advies of instructie nodig had.
Naar aanleiding van het gebeurde is de protocollering van instructies aan arts-assistenten en van behandeling van letsels op de Eerste Hulp verbeterd.
ad 2. Verweerder erkent dat de schriftelijke verslaglegging onvoldoende was, maar stelt dat na het gebeurde ook de instructies op dat punt zijn verbeterd. Overigens is ondanks de niet nauwkeurige verslaglegging de nazorg naar behoren geweest.
5. De overwegingen van het college
Ten aanzien van de klachtonderdelen overweegt het college als volgt:
Het college acht verweerder in zijn hoedanigheid van hoofd opleiding chirurgie verantwoordelijk voor duidelijke instructie en toetsing van de arts-assistenten.
Verweerder heeft erkend dat de instructies voor diagnostiek en behandeling door de arts-assistenten op de Eerste Hulp van het G in 1996 verbetering behoefden.
ad 1. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, is naar voren gekomen dat de arts-assistenten op de Eerste Hulp van het G geacht werden - met supervisie letterlijk en figuurlijk dichtbij - zelfstandig te werken, tenzij zij zich daartoe niet bekwaam of deskundig achtten. Het college is van oordeel dat, hoewel H een eigen verantwoordelijkheid had om te bepalen of hij zich bekwaam voelde tot een schouderrepositie, zijn bekwaamheid ook beoordeeld had dienen te worden door C of H supervisor. Een duidelijke instructie op dit punt ontbrak.
Met betrekking tot de nacontrole heeft het college niet kunnen constateren of de instructie en wijze van toetsing goed waren vastgelegd. Het college is, mede gelet op het onderzoek naar zenuwletsel bij schouderluxaties als beschreven in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 3 december 1994, wel van oordeel dat de eerste controle na de schouderluxatie een op zichzelf staand en volledig onderzoek had moeten zijn, als basis voor (zonodige) verdere behandeling.
ad 2. De verslaglegging door de assistent was, zoals verweerder heeft erkend, onvolledig. Het college acht verweerder niet alleen daarvoor verantwoordelijk, maar verwijt hem daarbij dat er geen gestructureerd moment van toetsing was om hiaten in de verslaglegging te kunnen achterhalen. Gebleken is dat op de Eerste Hulp aangevraagde fotos en opnames wel werden besproken, doch er was geen structurele controle op de statusvoering. Zoals onder 1. is aangegeven, dient de kwaliteit van de nacontrole niet afhankelijk te zijn van hetgeen bij een consult op de Eerste Hulp is beschreven.
Het college acht het, gezien de hectiek die een Eerste Hulp kan meebrengen, van groot belang dat een Eerste Hulp, zeker in een opleidingsziekenhuis, een duidelijk systeem van procedures, beschrijving van bevoegdheden en controles kent. Ten tijde van de behandeling van klager was, ook gemeten naar de maatstaven van 1996 deze systematiek op de Eerste Hulp van het G niet adequaat, hetgeen verweerder in zijn hoedanigheid als toenmalig hoofd van de opleiding chirurgie is aan te rekenen.
Het college is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat verweerder met zijn hiervoor bekritiseerde handelwijze heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij behoorde te betrachten en derhalve in strijd met artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing ingevolge art. 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het college waarschuwt verweerder en bepaalt dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.
Aldus gewezen op 15 januari 2002 door mr. F.G. Bauduin, voorzitter, mw. M.F. van Brederode-Zwart, K.M.J.F.L. Lindner en dr. B. van Ramshorst, leden-arts, mr. C.E. Polak, lid jurist, met mr. F.M. Pekelharing- de Planque, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2002 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



