MC - Seksuele intimidatie op de werkvloer
| Publicatie | Nr. 47 - 19 november 2002 |
|---|---|
| Jaargang | 2002 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
| Auteur | B.V.M. Crul, huisarts en mr. W.P. Rijksen |
Het ligt op de weg van de bedrijfsarts om gezondheidbedreigende situaties binnen een bedrijfsorganisatie te signaleren en aan betrokkenen te melden, met het doel de geconstateerde bedreigingen te elimineren. Aldus de beroepscode die is opgesteld door federatiepartner de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Duidelijke taal, die geen problemen zal geven - althans wat het melden betreft - als het gaat om blootstelling aan schadelijke stoffen, onvoldoende daglicht of te lage werkbanken. Maar wat als een werkneemster zich bij een bedrijfsarts beklaagt over seksuele intimidaties door een man op het werk, en wat als de man in kwestie ook nog eens de directeur blijkt te zijn? Nog ingewikkelder wordt het als vervolgens de aandeelhouders de directeur - onder andere vanwege zijn intimidaties - ontslaan en het de nieuwe machthebbers in de afwikkeling van het ontslag niet slecht uitkomt als een en ander uit de anonimiteit komt. Het lijkt De achterkant van het gelijk van Marcel van Dam wel, en zoals ook blijkt uit dat tv-programma, variëren in dit soort zaken de meningen nogal. Ook in deze zaak waren het Regionaal en Centraal Tuchtcollege het niet met elkaar eens. Wat had zich afgespeeld?
De bedrijfsarts had de seksuele intimidatie twee keer schriftelijk gemeld bij de personeelsfunctionaris van de betrokken directeur. Nog afgezien van het feit dat zij de
eerste keer schreef en ook bij het Regionaal Tuchtcollege aangaf dat een aantal medewerkers haar had geïnformeerd, terwijl zij in de tweede brief melding maakte van één medewerkster, had zij kennelijk geen aanleiding (of mogelijkheid?) gezien de klachten over deze directeur eerst met hemzelf te bespreken. Ook zonder dat uitdrukkelijk wordt vermeld dat haar informant(en) haar toestemming had(den) gegeven voor het doorgeven van de informatie aan de personeelsfunctionaris (overigens kan dit wel uit de context worden opgemaakt), meldde de bedrijfsarts de
eerste keer weliswaar geanonimiseerd, maar zonder twijfel herleidbaar ( ... een van de hoogste in lijn zijnde leidinggevenden ... ) en de tweede keer - toen de man inmiddels was ontslagen - met naam en toenaam. Dat laatste had de bedrijfsarts volgens het Regionaal Tuchtcollege niet mogen doen: de brief was geschreven op verzoek van de personeelsfunctionaris, terwijl de bedrijfsarts wist dat betrokkene al was ontslagen en dat daarmee ook het bedrijfsgeneeskundig risico was geëlimineerd. Daarbij betrok het college ook de mogelijkheid dat de brief tevens tot doel had gehad het bedrijf als cliënt te behouden. Het Centraal Tuchtcollege oordeelde echter dat in eerste instantie de naam ook al had mogen worden genoemd en dat het van belang is dat zoiets ook voor de andere werknemers kenbaar wordt. Ook al zou een bedrijfseconomisch belang bij de bedrijfsarts hebben meegespeeld - waar het CTG overigens geen aanwijzing voor had - dan nog had de bedrijfsarts juist gehandeld. Het vonnis van het Regionaal College werd dan ook vernietigd.
De uitspraak van het Centraal Tuchtcollege doet op zijn minst vermoeden dat er met deze directeur meer aan de hand is geweest dan uit het weergegeven feitencomplex blijkt. Was het schrikbewind, het arrogante, bedreigende en intimiderende gedrag van deze directeur zo groot dat een normaal gesprek met deze man niet meer mogelijk was en elke melding over zijn gedrag wellicht resulteerde in een strafexercitie van zijn kant? De casus meldt daar niets over. De bedrijfsarts had op grond van informatie van slechts één (of drie?) medewerkster(s) toch eerst deze signalen bij de man in kwestie zelf moeten neerleggen in plaats van een tot zijn persoon herleidbare brief aan de personeelsfunctionaris te schrijven? Of heeft zij juíst vanwege zijn gedrag lef getoond en naar bevind van zaken zo professioneel mogelijk gehandeld? En gedroeg deze directeur zich zo afwijkend van wat een goed werkgever betaamt dat - terwijl hij zich al niet meer liet zien op zijn werk - het schrijven van een tweede brief door de bedrijfsarts gerechtvaardigd was om een terugkeer van deze man op het werk te voorkomen?
Dat alles neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege wel erg ongemotiveerd oordeelt dat het niet op de weg van een bedrijfsarts ligt om een onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van klachten over seksuele intimidatie. Ook al is een bedrijfsarts geen opsporingsambtenaar, gewaakt moet worden voor het ten onrechte aankaarten van mogelijk volstrekt ongegronde aantijgingen. Bovendien, waarom moet een bedrijfsarts wel een onderzoek instellen bij verdenking op schadelijke stoffen, te weinig daglicht of te lage werkbanken? Zaken die bij uiteindelijk onjuist gebleken vermoedens veel minder persoonlijke schade berokkenen. Zijn er niet genoeg voorbeelden bekend van achteraf gebleken onjuiste aangiften van aanranding? Het is jammer
dat het College ons ten aanzien van de feiten niet beter informeert, waardoor de uitspraak wellicht ook beter kan worden begrepen.
B.V.M. Crul, huisarts en mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 5 september 2002
Beslissing in de zaak onder nummer 2001/221 van: A, bedrijfsarts, verbonden aan de B te C, wonende te D, appellante, raadsman prof. mr. B. Sluijters, advocaat te Den Haag, tegen E, wonende te F, verweerder in hoger beroep, raadsvrouw mr. S.F. Tiems, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
Verweerder in beroep - hierna te noemen klager - heeft op 14 maart 2000 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen appellante - hierna te noemen
de bedrijfsarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 27 juli 2001 heeft dat
College de klacht gegrond verklaard en aan de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing opgelegd.
De bedrijfsarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 20 juni 2002, waar zijn verschenen de bedrijfsarts en klager, bijgestaan door raadslieden die elk aan de hand van pleitnotities, die aan het Centraal College zijn overgelegd, hun standpunten hebben toegelicht.
2. De beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. De nummering van de overwegingen is door het Centraal College aangebracht.
2.1. Klager was sedert 1 februari 1986 krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BV G. In 1986 is hij tevens benoemd tot statutair directeur van de BV. Op 4 november 1999 is klager tijdens een buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV als bestuurder ontslagen, terwijl voorts tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders op die datum is besloten aan klager als werknemer ontslag te verlenen met ingang van de eerste dag waarop dit rechtens mogelijk is. Als reden voor dit ontslag is gegeven dat er een vertrouwenscrisis was ontstaan, onder meer daaruit voortvloeiende dat het optreden van klager door een aantal belangrijke en minder belangrijke personeelsleden als arrogant, bedreigend en intimiderend in de ruimste zin des woords werd ervaren.
Verweerster, die destijds reeds werkzaam was als bedrijfsarts bij de B te C verrichtte in die hoedanigheid sinds 1 april 1999 bedrijfsgeneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de BV G.
Op 1 november 1999 heeft zij aan de personeelsfunctionaris H van dat bedrijf een brief gericht van de navolgende inhoud:
Persoonlijk/vertrouwelijk
BV G
T.a.v. de heer H 1 november 1999
Geachte heer,
In de afgelopen weken heb ik van een aantal medewerkers te horen gekregen dat zij zich geïntimideerd en seksueel geïntimideerd voelen naar een leidinggevende. Er werd aangegeven dat dit gedrag al jaren vertoond wordt en niet stopte nadat er werd aangegeven dat het ongewenst is. Gezien het feit dat het een van de hoogste in lijn zijnde leidinggevenden betreft zou ik graag met u willen overleggen over de te nemen stappen richting deze persoon. Bovendien adviseer ik u om zo spoedig mogelijk een klachtenprocedure in te stellen en bekend te maken bij uw personeel. Daarbij is aan te raden een vertrouwenspersoon aan te stellen; ook hiervan moeten alle personeelsleden op de hoogte worden gebracht. Ik heb u een aantal brochures doen toekomen die bij het invoeren van het beleid ten aanzien van seksuele intimidatie behulpzaam kunnen zijn.
Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
B.A, bedrijfsarts
Klager heeft eerst na het hem verleende ontslag kennis gekregen van de inhoud van deze brief. Hij heeft ter zake van dat ontslag een procedure aanhangig gemaakt tegen de BV G. Verweerster heeft vervolgens op 9 februari 2000 aan de personeelsfunctionaris van de BV een brief gericht van de volgende inhoud:
Persoonlijk/vertrouwelijk
BV G
T.a.v. de heer H 9 februari 2000
Geachte heer H,
U verzocht mij wat meer duidelijkheid en context te geven bij de brief d.d. 1-11-1999, waarin ik melding maak van (seksuele) intimidatie. De naam van de betreffende directeur, de heer E, heb ik op dat moment niet genoemd, vanwege de kans op represailles tegen de werkneemster die mij informeerde over het (seksueel) intimiderend gedrag van de heer E.
De hiervoor vermelde brief heb ik geschreven vanuit verantwoordelijkheidsbesef in de functie van bedrijfsarts van uw bedrijf.
Er werd bij mij melding gemaakt van door de heer E gedane uitspraken als: Alle vrouwen in dit bedrijf zijn kutwijven, dit ten overstaan van een vrouwelijke medewerkster (tijdens werktijd, op kantoor) en: Ik zal jou breken en kapot weten te maken, tegen een werkneemster. Werkneemster werd vervolgens belast met de taken behorende bij drie andere functies en haar werd de beschikbaarheid van een bedrijfsmiddel, zoals een laptop, ontzegd.
Verder werd aan mij gemeld dat het gebruikelijk was dat de heer E vrijwel dagelijks seksueel getinte opmerkingen maakte over onder meer het uiterlijk van vrouwelijke medewerkers, hij stelde vragen over hun seksleven en hij raakte vrouwelijke medewerkers langdurig en ongewenst aan op schouders en in de hals, en legde zijn hand op borst of been.
Er werd mij gemeld dat deze uitspraken en handelingen bij meerdere werknemers plaatsvonden en door meerdere werden gezien en gehoord.
Mocht u nog vragen hebben over het bovenstaande, neemt u dan gerust contact met mij op.
Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
B.A, bedrijfsarts
2.2. De klacht behelst, zakelijk weergegeven, het verwijt dat verweerster door verzending van de hierboven genoemde brieven als bedrijfsarts in meerdere opzichten is tekortgeschoten jegens klager en heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.
Volgens klager heeft verweerster in de eerste plaats gehandeld in strijd met artikel 457 lid 1 boek 7 BW, omdat zij door het schrijven van die brieven, waarin informatie over klager werd verstrekt, diens persoonlijke levenssfeer heeft geschaad.
2.3. Dit verwijt is niet terecht voorzover het betrekking heeft op de brief van 1 november 1999. In die brief wordt immers klager niet als zodanig genoemd of herkenbaar aangeduid. Het College zal hierna ingaan op dit verwijt, voorzover het betrekking heeft op de brief van 9 februari 2000.
2.4. Het tweede klachtonderdeel behelst dat verweerster deze verklaring heeft afgegeven voor een ander dan een medisch doel. Volgens klager heeft het er de schijn van dat verweerster de brief van 1 november 1999 heeft geschreven op verzoek van de BV G in verband met het voorgenomen ontslag en is de tweede brief geschreven teneinde de positie van de BV in de procedure met klager te versterken.
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij in september en oktober 1999 van drie werknemers van de BV G de meldingen heeft ontvangen die zij heeft verwerkt in haar brief van 1 november 1999, dat zij met deze werknemers heeft besproken of het niet mogelijk was dat zij zelf stappen zouden ondernemen, of zelf binnen het bedrijf melding zouden maken van hun ervaringen, maar dat zij daarop de reactie kreeg dat dat niet mogelijk was omdat zij vreesden voor intimidatie.
Verweerster heeft ook verklaard dat de meldingen geloofwaardig op haar overkwamen, maar dat zij deze niet op waarheidsgehalte heeft getoetst en daar ook niet goed toe in staat was. De vraag is gewettigd of verweerster, die zegt dat zij met twee van de betrokken werknemers slechts eenmaal gesproken heeft, toch niet dieper had moeten ingaan op de gefundeerdheid van de meldingen. Ook is de vraag gewettigd of verweerster die meldingen niet eerst rechtstreeks had moeten bespreken met klager zelf, alvorens deze door te geven aan de personeelsfunctionaris. Klager heeft in dit verband opgemerkt dat de haast waarmee verweerster te werk is gegaan de indruk wekt dat er voor het schrijven van de brief van 1 november 1999 contact is geweest met de BV G. Verweerster heeft dit met stelligheid ontkend en aangevoerd dat zij alleen maar wilde bereiken dat zo spoedig mogelijk een einde zou komen aan de intimidatie door klager.
Het is in dit klachtgeding niet mogelijk geweest de door verweerster ontvangen meldingen op juistheid te toetsen. Zij had kunnen overwegen die meldingen eerst nog met klager zelf te bespreken alvorens zij die doorgaf aan de BV G, waardoor zij het risico van wellicht grote persoonlijke en financiële schade voor klager zou hebben verkleind. Anderzijds was er het bedrijfsgeneeskundige belang dat zo spoedig mogelijk een einde kwam aan het door de werknemers beschreven intimiderend en seksueel ongewenst gedrag. Het College gunt in dit opzicht aan verweerster de gunst van de twijfel en is van oordeel dat zij door het schrijven van eerstgenoemde brief van 1 november 1999, hoewel bij haar handelen zeker vraagtekens kunnen worden gezet, nog niet is tekortgeschoten. In het bovenstaande is het College tevens ingegaan op het derde verwijt van klager dat verweerster onvoldoende het waarheidsgehalte van de aan haar gedane meldingen en dientengevolge ook van haar berichtgeving aan de BV G heeft onderzocht.
Ter zitting heeft verweerster verklaard dat zij de brief van 9 februari 2000 heeft geschreven op verzoek van de personeelsfunctionaris van G, die haar had gevraagd meer informatie te geven over het intimiderend gedrag van klager jegens de werknemers en dat haar bij het schrijven van die brief bekend was dat klager toen niet meer in dienst was van de BV G en dat er een procedure aanhangig was tussen
klager en die BV. Naar aanleiding van aan haar gestelde vragen over het bedrijfsgeneeskundig belang van die brief heeft verweerster opgegeven dat haar door de BV G dringend was gevraagd een brief met dergelijke inhoud te schrijven en dat zij daar ten slotte toe is overgegaan, omdat dat bedrijf een belangrijke cliënt was voor de B, die men niet graag wilde verliezen.
Naar het oordeel van het College is verweerster door de brief van 9 februari 2000 in ernstige mate tekortgeschoten. Zij wist toen dat de arbeidsverhouding tussen klager en de BV G was verbroken, zodat in ieder geval geen sprake meer kon zijn van intimidatie of seksueel ongewenst gedrag van klager jegens werknemers van die BV, geheel daargelaten of daarvan sprake was geweest tijdens het bestaan van de arbeidsverhouding. Enig ander bedrijfsgeneeskundig belang dat met die brief werd gediend, heeft verweerster niet kunnen noemen en van een dergelijk belang is ook anderszins niet gebleken. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij bij het schrijven van die brief niet méér wist over de juistheid van de verwijten van de werknemers dan op 1 november 1999. Zij had zich moeten realiseren dat zij zeker met de tweede brief zonder enige reden of noodzaak het belang van klager in ernstige mate beschadigde.
De klacht is derhalve gegrond voor wat betreft de tweede brief. Verweerster heeft als arts gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van goede individuele gezondheidszorg. Het College acht de maatregel van waarschuwing een passende correctie.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal College evenals het Regionaal Tuchtcollege uit van de hiervoor onder 2.1. opgesomde feiten en omstandigheden.
4. De klacht
Voor de inhoud van de klacht verwijst het Centraal College naar de hierboven onder 2.2. en 2.4., eerste alinea, aangehaalde overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege.
5. Beoordeling van het hoger beroep
5.1. De bedrijfsarts heeft niet alleen de plicht de gezondheid, veiligheid en het welzijn van het individu te bevorderen, maar evenzeer de plicht de gezondheid, veiligheid en het welzijn van de bedrijfspopulatie te bevorderen. Hij zal daarbij een zorgvuldige bedrijfsgezondheidskundige afweging moeten maken tussen individuele belangen en belangen van de organisatie en hij dient zich loyaal op te stellen ten aanzien van het bedrijf waarvoor hij werkzaam is.
Zulks is met zoveel woorden bepaald in de door de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) opgestelde Beroepscode voor Bedrijfsartsen, waarin ook als beroepsnorm is opgenomen dat de bedrijfsarts - op basis van ervaring en de beroepsmatig verkregen gegevens - gezondheidsbedreigende situaties behoort te signaleren aan betrokkenen binnen de bedrijfsorganisatie met het doel de geconstateerde gezondheidsbedreigingen te elimineren.
Waar de Arbeidsomstandighedenwet 1998 voorschrijft dat de werkgever gehouden is om binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid een beleid met betrekking tot het beschermen van werknemers tegen onder meer seksuele intimidatie te voeren en waar de arbodienst terzake moet adviseren en optreden (zoals blijkt uit het bepaalde in artikel 2.9., lid 1 sub c, van afdeling 3
van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin wordt bepaald dat een arbodienst de gevaren onderkent en beoordeelt, zowel van het technische systeem en het menselijk gedrag, waarbij tevens binnen het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen worden betrokken) is boven iedere twijfel verheven dat het op de weg van de bedrijfsarts ligt om risicos als het bestaan van een klimaat van seksuele intimidatie, waaraan onder meer gezondheidsrisicos zijn verbonden, te signaleren, bij de werkgever
aan de orde te stellen en het ertoe
te laten leiden dat dergelijke risicos worden geëlimineerd.
Als iedere arts is ook de bedrijfsarts (in beginsel) gebonden aan het beroepsgeheim, zoals dat is neergelegd in artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek.
Dat neemt niet weg dat moet
worden aanvaard dat het beroepsgeheim van een bedrijfsarts noodzakelijkerwijs is beperkt in verband met en door de verplichtingen van die bedrijfsarts ten opzichte van de organisatie.
Dat brengt mee dat de bedrijfsarts het vermoeden van het bestaan van een klimaat van seksuele intimidatie aan de werkgever moet kunnen meedelen met het oog op eliminatie daarvan door die werkgever.
De bedrijfsarts die zich aldus van zijn taak kwijt, schendt zijn beroepsgeheim niet.
5.2. De op 1 november 1999 door de bedrijfsarts aan de werkgeefster geschreven brief geeft, gezien tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene, blijk van een juiste, gewetensvolle en weloverwogen taakopvatting. Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat deze brief laakbaar is, omdat daarin vermoedens zouden zijn gepresenteerd als vaststaande feiten. Dit standpunt berust op een onjuiste lezing van de brief. De bedrijfsarts maakt melding van het onbetwiste feit dat zij van werkneemsters een en ander heeft vernomen en geeft verder adviezen aan de werkgeefster om de juiste procedure volgen.
Waar het niet op de weg van de bedrijfsarts ligt om een onderzoek
naar de gegrondheid van klachten over seksuele intimidatie in te stellen, was zij niet verplicht klager op de hoogte te
stellen. Bovendien kon zij daarvan afzien op de te billijken grond dat zij bevreesd was voor (verdere) intimidatie van de betrokken werkneemsters en het ontstaan van een situatie waarin het elimineren van de mede uit bedrijfsgeneeskundig oogpunt ongewenste toestand bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt zou worden.
5.3. De brief van 9 februari 2000 kan evenmin aanleiding geven tot een tuchtrechtelijk verwijt aan de bedrijfsarts. In deze brief heeft de bedrijfsarts op verzoek van de personeelsfunctionaris van de werkgeefster, H, een iets gedetailleerder relaas opgenomen over de haar ter ore gekomen signalen van seksuele intimidatie. Ten aanzien van deze nadere concretisering geldt hetzelfde als reeds is overwogen over de brief van 1 november 1999.
Tevens wordt in de brief van 9 februari voor het eerst uitdrukkelijk de naam van klager vermeld. Ook hiertegen heeft het Centraal College geen bedenkingen. Klager is kort na de eerste brief door de werkgeefster ontslagen en in de verhouding tussen klager en de werkgeefster is nimmer twijfel geweest dat die brief klager betrof. In zoverre voegde het noemen van de naam weinig toe aan de eerste brief.
Het moge zo zijn dat de werkgeefster in de arbeidsrechtelijke procedure, die klager tegen haar had aangespannen, belang had te beschikken over een stuk dat klager met name noemde en dat in dat kader het noemen van de naam van klager relevant was, maar dat betekent niet dat de bedrijfsarts niet aan dat belang van de werkgeefster tegemoet had mogen komen. Het standpunt van klager dat met de tweede brief geen bedrijfsgeneeskundig belang werd gediend, moet worden verworpen. Het ligt immers op de weg van de bedrijfsarts om bedrijfsgeneeskundige risicos te signaleren en deze te melden aan de werkgever opdat deze die kan elimineren. Dit betekent dat de bedrijfsarts in beginsel ook gehouden is die informatie aan de werkgever te verschaffen die de werkgever daadwerkelijk in de gelegenheid stelt om te kunnen ingrijpen.
In een geval als het onderhavige is dat onder meer de naam van klager. Dat klager reeds was ontslagen, betekent niet dat daarmee het bedrijfsgeneeskundig belang aan het verschaffen van nadere inlichtingen was komen te ontvallen. Klagers ontslag was immers voorwerp geworden van een arbeidsrechtelijke procedure tussen klager en zijn werkgever en in hoeverre die aanleiding kon zijn tot herstel van de dienstbetrekking onttrok zich aan de waarneming van de bedrijfsarts.
Bovendien geldt dat wanneer werknemers aan een bedrijfsgeneeskundige gezondheidsbedreigende omstandigheden melden, het een bedrijfsgeneeskundig belang dient dat er feitelijk ook iets met die melding gebeurt en zulks ook voor de werknemers kenbaar wordt. Ook vanuit die optiek was de bedrijfsarts gelegitimeerd om de naam van klager te vermelden.
5.4. De bedrijfsarts heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de overweging van het Regionaal Tuchtcollege dat zij ter zitting zou hebben verklaard dat zij de tweede brief zou hebben geschreven omdat de werkgeefster een belangrijke cliënt was, die de B niet graag wilde verliezen. De bedrijfsarts stelt dat deze redengeving in de context waarin het Regionaal Tuchtcollege die heeft gebruikt, haar in de mond is gelegd.
Waar het Centraal College van oordeel is dat de bedrijfsarts gelegitimeerd was om de naam van klager te vermelden, is het niet ter zake dienende of zij dit mede deed om een belangrijke cliënt ter wille te zijn.
Overigens acht het Centraal College veeleer aannemelijk, gelet op de weldoordachte en gewetensvolle wijze waarop de bedrijfsarts zich van haar taak heeft gekweten, dat het besef van doen te hebben met een belangrijke cliënt van de B, hooguit een secundaire rol heeft gespeeld. In ieder geval heeft de bedrijfsarts tijdens de behandeling in beroep in woord noch gebaar aanleiding gegeven voor de gedachte dat zij bij een uit bedrijfseconomisch oogpunt minder belangrijke cliënt anders zou hebben gehandeld.
5.5. Het voorgaande betekent dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven, omdat de klacht ongegrond is. Op gronden aan het algemeen belang ontleend bepaalt het Centraal College op de voet van artikel 71 Wet BIG dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
en opnieuw rechtdoende
verklaart de klacht ongegrond;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door mr. R.A. Torrenga, voorzitter, mr. M.J.F. Zeven-Postma, mr.
H.S. Pruiksma, leden-juristen; dr. C. Hermann, M.T.L.W. Boersma, leden-beroepsgenoten; mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 5 september 2002, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Wilt u reageren op deze tuchtzaak? Klik dan hieronder op 'plaats uw commentaar'.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



