U bent nu hier:

MC 4-Uitspraak hoge raad. Medewerkingsplicht van de patiënt

Publicatie Nr. 04 - 29 januari 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Pagina's 128
De arts is er om de gezondheidssituatie van zijn patiënt te verbeteren, maar heeft de patiënt ook een verantwoordelijkheid met betrekking tot het gezondheidsbelang van de arts? In de onderstaande uitspraak beantwoordt de Hoge Raad deze vraag bevestigend: de patiënt behoort redelijke medewerking te verlenen in situaties waarin de gezondheid van de arts in het geding is.

Het gaat in deze zaak om een arts-assistent kaakchirurgie die bij een patiënt een kies moet verwijderen. Tijdens deze ingreep snijdt de assistent zich in zijn vinger, als gevolg waarvan zijn bloed in aanraking komt met dat van de patiënt. Mede omdat de patiënt behoort tot een groep van de bevolking die een verhoogde kans heeft op besmetting met HIV (het gaat om een drugsverslaafde gedetineerde) vraagt de assistent de patiënt om bloed af te staan voor een onderzoek naar een eventuele besmetting. De patiënt weigert dit, waarop de assistent de zaak voor de rechter brengt.

Drie rechterlijke instanties (rechtbank, Hof, Hoge Raad) geven de assistent gelijk. Zij bepalen dat de patiënt onrechtmatig handelt door geen medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. De rechter heeft al eens eerder burgers veroordeeld tot medewerking aan een bloedonderzoek, maar dat was in gevallen waarin de mogelijke besmetting met HIV betrokkene te verwijten viel (in het geval van verkrachting of in de arm bijten). In de onderhavige zaak viel de patiënt niets te verwijten. Toch neemt de Hoge Raad een medewerkingsplicht van de patiënt aan, en wel op basis van de behandelingsovereenkomst. Deze houdt volgens de Hoge Raad in dat de patiënt binnen redelijke grenzen het nodige doet om de schade die de arts tijdens de behandeling heeft opgelopen, te beperken. Het gaat volgens de Hoge Raad om een zwaarwegend belang van de arts (weten of hij wel of niet is besmet en medicatie moet gaan gebruiken) in relatie tot een 'relatief geringe inbreuk op het grondrecht' van de patiënt (afstaan van bloed).

De Hoge Raad laat met deze uitspraak zien dat de grondrechten van de patiënt niet absoluut zijn en dat een concrete belangenafweging kan leiden tot een beperking van een grondrecht. Sommige juristen zien daarin een onwenselijke aantasting van die grondrechten, maar voor artsen is het belangrijk dat de Hoge Raad duidelijk maakt dat het in de arts-patiëntrelatie niet eenzijdig gaat om de rechten van de patiënt en de plichten van de hulpverlener. Er is, zij het beperkt, wel degelijk sprake van wederkerigheid.

B.V.M. Crul, arts
mr. dr. J. Legemaate

 

Uitspraak Hoge Raad der Nederlanden d.d. 12 december 2003

Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie, advocaat: mr. J. Wuisman, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. T.H. Tanja-van den Broek, thans mr. M.E.M.G. Peletier.

1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 23 augustus 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
I. [eiser] te bevelen binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mee te werken aan de bloedafname ten behoeve van een HIV-onderzoek, op straffe van een dwangsom van  5.000,- gulden per dag dat [eiser] niet aan voornoemd bevel voldoet, en II. [verweerder] te machtigen bij gebreke van volledige voldoening door [eiser] aan dit bevel medewerking te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [eiser].
[Eiser] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [verweerder].
De president heeft bij vonnis van 28 augustus 2001 de vordering van [verweerder] toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 18 april 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel
3.1   In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i)     [Verweerder] is als arts-assistent kaakchirurgie werkzaam in het Medisch Centrum te Alkmaar.
(ii)    Op 16 augustus 2001 heeft [verweerder] [eiser], die toen gedetineerd was, in verband met kiespijnklachten behandeld in die zin dat bij hem chirurgisch een kies werd verwijderd aan zijn linker bovenkaak, een medisch gezien noodzakelijke behandeling.
(iii)   [Verweerder] heeft zich in een vinger gesneden met een van de instrumenten waarmee hij [eiser] behandelde. Via de wond is het bloed van [verweerder] in aanraking gekomen met dat van [eiser]. [Eiser] behoort tot de groep van de bevolking die een verhoogde kans heeft op besmetting met het HIV-virus. [Verweerder] heeft, in verband met vrees voor besmetting [eiser] verzocht bloed af te staan voor een onderzoek naar een eventuele besmettingsgraad.
(iv)    [Eiser] heeft na de hiervoor onder 1 genoemde uitspraak van de president geduld dat bloed werd afgenomen en dat dit bloed op besmetting met het HIV-virus werd onderzocht. De uitslag van het onderzoek is aan [verweerder] en aan de raadsman van [eiser] bekendgemaakt.
(v)    [Verweerder] is begonnen met het profylactische gebruik van medicatie ter voorkoming van aids. Aan dat gebruik is de kans op ernstige en schadelijke bijwerkingen verbonden.

3.2   [Verweerder] heeft in dit kort geding gevorderd [eiser] te bevelen mee te werken aan een (eerder door [eiser] geweigerde) bloedafname ten behoeve van een HIV-onderzoek. Hij heeft daartoe onder andere aangevoerd dat [eiser] jegens hem onrechtmatig handelde door te weigeren een relatief lichte ingreep te ondergaan, waardoor een onevenredig veel zwaarder drukkende last en zorg voor [verweerder] konden worden afgewenteld.
De president heeft de vordering toegewezen en heeft [eiser] bevolen om binnen 48 uren na betekening van het vonnis mee te werken aan een bloedafname ten behoeve van een HIV-onderzoek.

3.3   Op het door [eiser] ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Volgens het hof was er een concrete reden ervoor te vrezen dat [eiser] besmet was met het HIV-virus (rov. 4.6).
In rov. 4.8 overweegt het hof als volgt.
Bij beantwoording van de vraag of [verweerder] recht heeft op medewerking van [eiser] in de vorm van een door deze te ondergaan bloedonderzoek, gaat het hof ervan uit dat [eiser]'s aan art. 10 en 11 Gr.w. ontleende grondrecht op privacy en de onaantastbaarheid van zijn lichaam zijn grenzen vindt in de bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Tussen burgers onderling kan een zodanige beperking in beginsel worden gegrond op art. 6:162 BW, zulks mede aan de hand van de in dat artikel besloten liggende normen die krachtens hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens elkaar in acht moeten worden genomen. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, tussen deze burgers een overeenkomst is gesloten die in relevant verband staat met de reden die aan het verzoek tot medewerking ten grondslag ligt, kan een dergelijke beperking reeds voortvloeien uit de inhoud van de overeenkomst. De inhoud wordt mede vastgesteld met behulp van hetgeen naar de aard van de overeenkomst uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. De verhouding waarin [eiser] en [verweerder] door het sluiten van de medische behandelingsovereenkomst ten opzichte van elkaar zijn komen te staan, brengt mee dat zij in omstandigheden die in verband staan met of voortvloeien uit het uitvoeren van deze overeenkomst, een mate van zorgvuldigheid jegens elkaar in acht dienen te nemen die niet geldt jegens een willekeurige derde, aldus het hof in rov. 4.9. In rov. 4.17 overweegt het hof dat van een patiënt kan worden verlangd dat hij ook na beëindiging van de behandelingsovereenkomst binnen redelijke grenzen het nodige doet om de schade die de arts tijdens de behandeling heeft opgelopen, te beperken.
Ten aanzien van de belangen die in dit concrete geval tegen elkaar moeten worden afgewogen, heeft het hof in rov. 4.27 en 4.28 als volgt geoordeeld. Bij de afweging van de belangen in dit geval wordt in aanmerking genomen dat sprake is van een inbreuk op het in art. 11 Gr.w. bedoelde grondrecht, maar dat het in dit geval om een relatief geringe inbreuk op dit grondrecht van [eiser] gaat. Hij behoefde slechts te dulden dat er bloed wordt afgenomen, terwijl de resultaten van het met dit bloed verrichte onderzoek uitsluitend aan de arts bekend behoefden te worden gemaakt. Slechts indien de patiënt dit zelf wil, wordt het resultaat bekendgemaakt aan hem en/of zijn advocaat. Bovendien zijn aan het onderzoek geen gevaren voor de gezondheid van [eiser] verbonden (rov. 4.27).
Tegenover de geringe inbreuk op het grondrecht van [eiser] staat het zwaarwegend belang van [verweerder] om zekerheid te verkrijgen over de vraag of hij al dan niet besmet kan zijn geraakt met het HIV-virus en in verband daarmee of het noodzakelijk is profylactisch medicijnen met zware bijwerkingen te gebruiken. Afweging van deze belangen leidt ertoe dat van [eiser] verlangd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan het bloedonderzoek. Door zijn medewerking te weigeren is hij zijn uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting jegens [verweerder] niet nagekomen, althans heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [verweerder] (rov. 4.28).

3.4.1   Het middel klaagt onder aanvoering van een aantal feiten en omstandigheden dat het hof niet, althans niet zonder nadere toelichting, aan het belang van [verweerder] een zodanig zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen dat het hof vervolgens heeft kunnen oordelen dat [eiser] uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid en/of de in het maatschappelijk verkeer jegens een ander te betrachten zorg gehouden was, aan het door [verweerder] verlangde bloedonderzoek mee te werken, of dat [eiser] door zijn medewerking te weigeren zijn uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting jegens [verweerder] toerekenbaar niet is nagekomen, althans toerekenbaar onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld.

3.4.2   Het middel faalt. Hetgeen het hof in rov. 4.8 tot uitgangspunt heeft genomen, in aansluiting op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in de tweede alinea van rov. 3.2 van zijn arrest van 18 juni 1993, nr. 15015, NJ 1994, 347, is in cassatie terecht niet bestreden.
Voorts heeft het hof, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat in verband met de redelijkheid en billijkheid van een patiënt kan worden verlangd om ook na beëindiging van een medische behandelingsovereenkomst binnen redelijke grenzen het nodige te doen om de schade die de arts tijdens de behandeling heeft opgelopen, te beperken. In het licht van dit een en ander geeft het door het middel bestreden, nauw met waarderingen van feitelijke aard verweven, oordeel van het hof dat [eiser] gehouden was medewerking te verlenen aan het door [verweerder] verlangde bloedonderzoek, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Van dat oordeel behoefde het hof zich door de in het middel genoemde feiten en omstandigheden niet te laten weerhouden, en evenmin behoefde dat oordeel nadere motivering.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
-  verwerpt het beroep;
-  veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op 301,34 euro aan verschotten en 1.365,00  euro voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 12 december 2003.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd