U bent nu hier:

MC 5-Rijdt u zakelijk of privé?

Publicatie Nr. 05 - 28 januari 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege

Het gaat in deze rubriek vrijwel altijd om rechterlijke uitspraken waarin aspecten van het professioneel handelen van de arts (of van een andere hulpverlener) aan de orde worden gesteld. Maar een arts kan ook in aanraking komen met wettelijke regels en procedures die op alle burgers van toepassing zijn. Daarover gaat de onderstaande uitspraak.

De zaak betreft een bedrijfsarts bij wie na een hartstilstand een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) wordt ingebracht. Voor ICD-dragers gelden beperkende wettelijke regels ten aanzien van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen. Was er tot voor enkele jaren sprake van een absoluut verbod, sinds 2000 kunnen ICD-dragers de bevoegdheid verkrijgen een personenauto of een klein busje te besturen. Daarbij geldt dan wel de zogenoemde ‘code 100’, die inhoudt dat alleen mag worden gereden voor privé-gebruik en niet beroepsmatig.

In dat laatste woord zit hem nu net de kneep. In een aan de recente regelgeving ten grondslag liggend rapport van de Gezondheidsraad wordt met ‘beroepsmatig’ gedoeld op bestuurders die vele uren per dag op de weg doorbrengen en/of de verantwoordelijkheid hebben voor medepassagiers. In het geval van een bedrijfsarts die af en toe met de auto cliënten bezoekt, kan toch bezwaarlijk van ‘beroepsmatig rijden’ worden gesproken? Van wezenlijk grotere risico’s dan in het geval van ‘privé-gebruik’ (dat bovendien onbeperkt mogelijk is) lijkt dan immers geen sprake te zijn.

De betreffende bedrijfsarts weet met deze redenering de rechter echter niet te overtuigen. Gelet op de geldende regelgeving is dat misschien te begrijpen, maar tegelijkertijd rest er een gevoel van onrechtvaardigheid. Het heeft er alle schijn van dat de huidige wetgeving is gebaseerd op een indeling van situaties die te grofmazig is. De bedrijfsarts in kwestie, en anderen in vergelijkbare situaties, zitten er mooi mee. Hun zeer geringe mobiliteit leidt tot een aanzienlijke vermindering van de kansen op de arbeidsmarkt.

B.V.M. Crul, arts
mr. dr. J. Legemaate


Uitspraak Rechtbank Utrecht sector bestuursrecht d.d. 19 november 2003
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen: X, eiser, en de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.


1. Inleiding
1.1. Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 20 december 2002, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 september 2002 ongegrond is verklaard. Bij besluit van 9 september 2002 is aan eiser een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen B/BE afgegeven voor een termijn van drie jaar tot en met 30 september 2005, met de beperking code 100 (alleen tijdens privé-gebruik).


1.2. Het verzoek is op 5 november 2003 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rijken, advocaat te Utrecht. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.


- Ten aanzien van het beroep:


2.3. Eiser is van beroep bedrijfsarts en bezoekt in zijn functie van tijd tot tijd cliënten. Hij heeft op 18 oktober 2001 een hartstilstand gehad. Vervolgens is bij hem op 9 januari 2002 om therapeutische reden een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) geïmplanteerd. Dit is een apparaat dat een optredende levensbedreigende hartritmestoornis kan herkennen en beëindigen.
Op het keuringsformulier ICD-dragers van 8 augustus 2002 heeft prof. dr. R.N.W. Hauer, cardioloog in het UMC in Utrecht, aangegeven dat bij eiser geen recidief is opgetreden en dat eiser een goede conditie heeft.
Eiser heeft op 13 augustus 2002 een aanvraag ingediend voor een verklaring van geschiktheid voor de categorieën B/BE.
Verweerder heeft bij besluit van 9 september 2002 aan eiser de gevraagde verklaring afgegeven voor een termijn van drie jaar tot en met 30 september 2005, met de beperking code 100. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar aangetekend.
Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, zoals omschreven onder 1.1.


2.4 Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven door het CBR aan eenieder die voldoet aan de bij de ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
Artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen bepaalt dat, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, het CBR voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid afgeeft.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, tekent het CBR die termijn aan op de verklaring van geschiktheid.


Op grond van artikel 19a van het Reglement rijbewijzen wordt aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de door hem overgelegde verklaring van geschiktheid de tot het besturen van motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé-doeleinden, een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen voor privé-doeleinden. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.


Op grond van artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling) worden de eisen met betrekking tot lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.


In paragraaf 6.7.4 van voornoemde bijlage is ten aanzien van implanteerbare cardioverter-defibrillator het volgende aangegeven:
‘Voor personen bij wie een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) is ingebracht, is altijd een specialistisch rapport vereist.
Deze personen zijn ongeschikt gedurende een observatieperiode van zes maanden na implantatie. Blijkt aan het einde van deze periode dat het apparaat geen elektroshocks heeft afgegeven dan wel dat zich tijdens stimulatie door de ICD geen ernstige hemodynamische problemen hebben voorgedaan, dan kunnen bedoelde personen voor een beperkte termijn geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. De maximale geschiktheidstermijn bedraagt daarbij vijf jaar voor personen bij wie de ICD om een profylactische reden is ingebracht en drie jaar voor personen bij wie de ICD met een primair therapeutisch doel is ingebracht. Wanneer een ICD in of na bedoelde observatieperiode één of meer stroomstoten heeft afgegeven, geldt ongeschiktheid. Blijkt uit specialistisch onderzoek dat deze elektroshocks terecht zijn afgegeven, dan is de betrokkene ongeschikt gedurende zes maanden na de laatste shock. Daarna kan goedkeuring geschieden voor maximaal drie jaar. In geval van misplaatste shocks zijn ICD-dragers ongeschikt, totdat de kans op dergelijke shocks voldoende is gereduceerd door het opnieuw afstellen van de ICD. Het laatste moet blijken uit een observatieperiode van zes maanden na lCD-herafstelling, waarin geen elektroshocks mogen zijn opgetreden. Daarna kan goedkeuring geschieden voor maximaal drie jaar.
Personen met een ICD zijn in alle gevallen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2. Zij kunnen voor groep 1 alleen geschikt worden verklaard mits dit wordt beperkt tot privé-gebruik.’


2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat bij eiser om therapeutische reden een ICD is ingebracht en dat paragraaf 6.7.4 van de bijlage van de Regeling op hem van toepassing is. Ingevolge deze paragraaf geldt voor eiser een maximale geschiktheidstermijn van drie jaar. Het geding spitst zich toe op de aan eiser opgelegde beperking tot privé-gebruik (code 100).


2.6 Overwogen wordt dat in paragraaf 6.7.4 van de bijlage van de Regeling dwingend is bepaald dat personen met een ICD alleen voor groep 1 geschikt kunnen worden verklaard, mits dit wordt beperkt tot privé-gebruik. Eiser heeft in dit verband gesteld dat de beperking tot privé-gebruik in strijd is met de EG-richtlijn 91/439 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 29 juli 1991 (de Richtlijn).
Bijlage III van de Richtlijn bevat minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig. Onder 1.3 is bepaald dat in nationale wetgeving bepalingen kunnen worden opgenomen om de voor de bestuurders van groep 2 bestemde bepalingen van deze bijlage toe te passen op de bestuurders van voertuigen van categorie B (behorend tot groep 1) die hun rijbewijs voor de uitoefening van hun beroep gebruiken (taxi’s, ziekenauto’s, enzovoort).
Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter eisers opvatting dat ingevolge de Richtlijn slechts beperkingen kunnen worden gesteld aan het gebruik van het rijbewijs van groep 1 indien daarvan beroepsmatig gebruik wordt gemaakt in die zin dat vele uren per dag achter het stuur wordt gezeten en grote verantwoordelijkheden worden gedragen in verband met personenvervoer, niet worden gevolgd. De Richtlijn spreekt namelijk van bestuurders van voertuigen van categorie B die hun rijbewijs beroepsmatig gebruiken en noemt als voorbeeld taxi’s en ziekenauto’s. Dat de twee genoemde voorbeelden personenvervoer betreffen, betekent niet dat slechts ten aanzien van die groep beperkingen kunnen worden gesteld in nationale wetgeving. Deze door eiser aangevoerde beperking tot personenvervoer waarbij vele uren per dag achter het stuur wordt gezeten, kan niet in de Richtlijn worden gelezen. Opgemerkt wordt dat verweerder in dit verband heeft aangegeven dat al een beperking bestaat voor personenvervoer, te weten code 05.03 (‘geen passagiers’).
In de Richtlijn kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin worden gelezen dat afhankelijk van de lichamelijke conditie van de betrokkene door een medisch deskundige dient te worden besloten of betrokkene geschikt is en dat aldus sprake zou zijn van een discretionaire bevoegdheid. In dit verband wordt overwogen dat de Richtlijn onder 3 bepaalt dat de aanvragers uit groep 1 een medisch onderzoek moeten ondergaan, indien bij het vervullen van de vereiste formaliteiten blijkt dat zij één of meer van de in deze bijlage vermelde lichamelijke of geestelijke gebreken hebben.
De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat hij paragraaf 6.7.4 van bijlage III van de Regeling wel degelijk onderscheid is gemaakt naar lichamelijke conditie. In een observatieperiode van zes maanden na de implantatie wordt namelijk bij ICD-dragers onderzocht of het apparaat elektroshocks heeft afgegeven dan wel dat zich tijdens stimulatie door de ICD geen ernstige hemodynamische problemen hebben voorgedaan en of een ICD in of na bedoelde observatieperiode één of meer stroomstoten heeft afgegeven. De voorzieningenrechter kan eisers conclusie dat gezien het positief medisch advies van prof. dr. Hauer hem op grond van de Richtlijn een rijbewijs zonder beperkingen zou dienen te worden toegekend, dan ook niet volgen.
Op grond van het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Regeling niet in strijd is met de Richtlijn.


2.7 Voor de door eiser gestelde strijdigheid van de regeling met het advies van de Gezondheidsraad van 26 januari 2000 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Overwogen wordt dat in dit advies is aangegeven dat bepaalde categorieën van ICD-dragers medisch rijgeschikt kunnen worden verklaard en wel uitsluitend voor rijbewijzen van groep 1. Ten aanzien van houders van een rijbewijs van groep 1 (categorie A, B en BE) die dit rijbewijs beroepsmatig gebruiken (bijvoorbeeld taxichauffeurs, chauffeurs van busjes voor personenvervoer, koeriers) is de Gezondheidsraad van opvatting dat gezien de omstandigheid dat deze mensen vele uren per dag achter het stuur zitten en grotere verantwoordelijkheden dragen (zoals bij vervoer van passagiers), het voor de hand ligt aan hen strengere eisen te stellen, vergelijkbaar met die voor rijbewijzen van groep 2 (categorie C, D, CE, DE).


Gelet op dit advies kan niet worden gezegd dat de Gezondheidsraad het beroepsmatig gebruik van het rijbewijs van groep 1 uitsluitend gerelateerd heeft aan het gebruik van het rijbewijs door taxichauffeurs, chauffeurs van busjes voor personenvervoer en koeriers. Deze beroepen zijn namelijk als voorbeeld in het advies vermeld. Het advies heeft betrekking op het beroepsmatig gebruik van het rijbewijs van groep 1 zonder dat daarbij onderscheid naar de aard van het beroepsmatig gebruik wordt gemaakt.
Eisers stelling dat blijkens voornoemd advies zakelijk rijden niet is op te vatten als beroepsmatig, kan op grond van het vorenstaande niet worden gevolgd. De door eiser overgelegde brief van prof. dr. Hauer van 12 februari 2003, waarin laatstgenoemde zijn interpretatie geeft van bedoeld advies, is daartoe onvoldoende.
2.8 Ten aanzien van eisers stelling dat de beperking tot privé-gebruik in strijd is met de ratio van de Regeling, wordt het volgende overwogen. Deze regeling beoogt - zoals eiser heeft aangegeven - de verkeersveiligheid te waarborgen door eisen te stellen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
Eiser vindt de beperking ten aanzien van het privé-gebruik onbegrijpelijk nu uit onderzoeken is gebleken dat de kans op een ongeval bij deelname aan het gemotoriseerd verkeer door ICD-dragers niet groot is en zelfs kleiner is dan bij bestuurders zonder ICD. Bovendien wordt volgens eiser miskend dat in de praktijk privé-gebruik onbeperkt en dus veelvuldig kan geschieden.
De voorzieningenrechter overweegt dat voorafgaand aan de vaststelling van de Regeling advies is ingewonnen van de Gezondheidsraad. Laatstgenoemde is in zijn advies van 26 januari 2000 uitgebreid ingegaan op de onderzoeksresultaten inzake risico’s van deelname aan gemotoriseerd verkeer door ICD-dragers en heeft deze resultaten betrokken in zijn advisering. Gelet op dit advies kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat het onbegrijpelijk is dat in de Regeling een beperking is opgenomen ten aanzien van het privé-gebruik.
De omstandigheid dat het privé-gebruik onbeperkt is en derhalve intensief kan zijn, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de conclusie leiden dat het onderscheid tussen privé- en zakelijk gebruik vanuit verkeersveiligheid niet relevant is. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat zakelijk verkeer zich van het privé-verkeer onderscheidt door het ontbreken van vrijblijvendheid bij de keuze al dan niet deel te nemen aan het verkeer alsmede door het ontbreken van een aan de werkzaamheden gerelateerd patroon van verkeersdeelname. Dat in de Regeling dit onderscheid niet is gedefinieerd, maakt dit niet anders.


2.9 Eiser heeft betoogd dat een strikte toepassing van de Regeling in zijn geval onredelijk is. Niet miskend kan worden dat hij dat deel van zijn werkzaamheden, waarbij hij cliënten bezoekt en waarvoor volgens hem gebruik van de auto noodzakelijk is, niet kan uitoefenen ten gevolge van de hem opgelegde beperking tot privé-gebruik. Echter, de Regeling maakt ten aanzien van zakelijk verkeer geen onderscheid naar het soort functie voor wat betreft de mate en de aard van het zakelijk verkeer. De Regeling biedt derhalve geen ruimte voor een belangenafweging ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de gevolgen voor zijn functievervulling en verdere loopbaan, hoe zeer de voorzieningenrechter begrip heeft voor eisers positie. De voorzieningenrechter wijst in dit verband nog op de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 mei 2003, waarin is geoordeeld dat de Regeling en de bijbehorende bijlage een imperatief wettelijk voorschrift bevat, dat verweerder ten aanzien van de beperking tot privé-gebruik geen ruimte laat afwijkend - en voor betrokkene in gunstiger zin - van dit voorschrift te beslissen.


2.10 De door eiser aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien ook overigens de voorzieningenrechter niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking.
Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.


- Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:


2.11 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.


2.12 Gelet op het vorenoverwogene wordt geen aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen.


2.13 Derhalve wordt beslist als volgt.


3. Beslissing
De voorzieningenrechter:


- Ten aanzien van het beroep:
   -  3.1 verklaart het beroep ongegrond.


- Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:
   -  3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Aldus gewezen door mr. P. B.J.M. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2003.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd