U bent nu hier:

MC 8-Bezorgdheid afschuiven

Publicatie Nr. 08 - 20 februari 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Pagina's 295

 Soms vraag je je af wat sommige hulpverleners achter hun loketje doen. De telefoon aannemen, maar verder? De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van de crisisdienst die in onderstaand vonnis door zowel het Regionaal als het
Centraal Tuchtcollege op de vingers werd getikt, bezorgde de huisarts die haar hulp inriep ongetwijfeld grijze haren. In plaats van de regie van de huisarts over te nemen bij een evidente crisissituatie, die uiteindelijk zelfs leidde tot suïcide van de patiënte, bleef zij haar verantwoordelijkheden afschuiven. Eerst wilde zij de patiënte naar het ziekenhuis laten vervoeren om de polswond van tentamen suicidii te laten hechten, iets wat de huisarts zelf wel kon. Vervolgens adviseerde zij de paniekerige ex-vriend van patiënte om de politie maar zelf in te schakelen, zonder te verifiëren of dat ook daadwerkelijk gebeurde. Daarna had zij commentaar op de huisarts die patiënte tenslotte maar zelf naar het ziekenhuis wilde vervoeren. Patiënte had zelfs nog even in zijn wachtkamer gebivakkeerd. De hele toestand speelde zich namelijk af onder spreekuurtijd.
Hulpverleners die een andere hulpverlener in de kou laten staan, hebben volgens ons niet goed begrepen hoe ketenzorg werkt: sámen voor de patiënt.
Op basis van de ons ter beschikking staande informatie hadden wij wellicht minder reden gezien om de maatregel af te zwakken tot een waarschuwing. Overigens heeft de huisarts, onder meer door zijn bezorgdheid om te zetten in daden, laten zien wat ‘goed hulpverlenerschap’ zoal inhoudt.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen


 


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 27 november 2003



Beslissing in de zaak onder nummer 2002/018 van A, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, wonende te B, appellante, verweerster in eerste aanleg, raadsman mr. J.A. Heeren, advocaat te Haarlem, tegen C, huisarts wonende en praktiserende te D, verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg.


1. Verloop van de procedure
Verweerder in beroep - hierna te noemen de huisarts - heeft op 27 september 2000 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen appellante - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 9 oktober 2001, onder nummer 00/217Vp heeft dat College de verpleegkundige berispt. Tevens is bepaald dat die beslissing zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan Nursing, Verpleegkunde Nieuws, het Tijdschrift voor verpleegkundigen en Psy.
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De door het Centraal Tuchtcollege uitgenodigde deskundige E heeft naar aanleiding van de haar door het College voorgelegde vragen schriftelijk rapport uitgebracht.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare  terechtzitting van het Centraal College van 23 september 2003, waar zijn verschenen de verpleegkundige, bijgestaan door mr. J.A. Heeren, en de huisarts. Voorts zijn gehoord F, als getuige en deskundige, en E, als deskundige.


2. De klacht in eerste aanleg
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat de verpleegkundige geen adequate hulp heeft geboden en is tekortgeschoten in haar functioneren als verpleegkundige op een crisisdienst.
Zij heeft geweigerd in een zeer spoedeisend geval en op verzoek van de huisarts te komen.
Wanneer de verpleegkundige niet in staat was zelf de juiste hulp te bieden, heeft zij verzuimd andere deskundigen in te schakelen.


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal College uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 11 augustus 2000 werd de huisarts omstreeks 12.10 uur gebeld door de ex-vriend van één van zijn patiënten, hierna te noemen de ex-vriend, in verband met een suïcidepoging van één van zijn patiënten, hierna te noemen de patiënte.
De huisarts constateerde tijdens zijn daarop volgende bezoek aan de patiënte een acute psychiatrische situatie. Patiënte had zichzelf, ongeveer 12 uur daarvoor, in haar pols gesneden. Daarbij waren geen vitale structuren geraakt.
Zij vertoonde onrustig gedrag en had een sombere blik in haar ogen en had volgens de huisarts geen ziekte-inzicht. De huisarts is vervolgens teruggegaan naar zijn praktijk om de crisisdienst te bellen.
De huisarts heeft bij na terugkomst in zijn praktijk terstond telefonisch contact opgenomen met de plaatselijke crisisdienst. Daar werd hij te woord gestaan door de verpleegkundige. Nadat de huisarts zichzelf had geïntroduceerd, verzocht hij om een consult van de crisisdienst van het Riagg-D (thans G). Daarbij informeerde de huisarts de crisisdienst over de door hem geconstateerde crisissituatie na de suïcidepoging van patiënte alsmede over de relevante voorgeschiedenis.
De huisarts is daarop in eerste instantie door de verpleegkundige doorverwezen naar het H voor behandeling van de polswond. Nadat de huisarts had aangegeven dat de patiënte niet naar het H of een ander ziekenhuis wilde en hij zichzelf bovendien in staat achtte de wond te behandelen, gaf de verpleegkundige aan eerst met het team te willen overleggen. Enkele minuten later belde de verpleegkundige de huisarts terug met de mededeling dat zij, na overleg binnen de crisisdienst, had besloten het verzoek om een consult aan te nemen. Met de huisarts werd afgesproken dat de verpleegkundige contact zou opnemen met de ex-vriend.
De verpleegkundige heeft na het tweede telefoongesprek contact opgenomen met de ex-vriend. Uit dit telefoongesprek concludeerde de verpleegkundige dat de situatie zo ernstig was dat er beter contact kon worden opgenomen met (het alarmnummer van) de politie. Vijf minuten later was de ex-vriend echter telefonisch niet meer bereikbaar, zodat de verpleegkundige niet kon navragen of de politie actie zou ondernemen. Aangezien de verpleegkundige werd doorverbonden met de voicemail van de ex-vriend, nam zij evenwel aan dat hij in gesprek was met de politie. Ook de huisarts kon niet telefonisch worden bereikt. Niet vast is komen te staan dat het telefoontje van de ex-vriend de politie ook daadwerkelijk heeft bereikt.
Kort na zijn tweede telefoongesprek met de verpleegkundige belde de huisarts naar de ex-vriend om te informeren naar het gesprek met de verpleegkundige. Het feit dat de ex-vriend niet telefonisch bereikbaar was, was voor de huisarts aanleiding een bezoek te brengen aan het huis van patiënte. Daar aangekomen, trof de huisarts de ex-vriend aan die direct in paniek het huis verliet op het moment dat de huisarts aankwam.
Even voor 13.00 uur wist de huisarts de patiënte ervan te overtuigen met hem mee te gaan naar de praktijk om daar de polswond, die weer was gaan bloeden, te laten verzorgen. Op de praktijk werd de huisarts opgebeld door de verpleegkundige die nogmaals aandrong op een somatische behandeling en tevens aanraadde de politie in te schakelen. Volgens de verpleegkundige heeft de huisarts haar in dit derde telefoongesprek niet gevraagd om op de praktijk langs te komen. De huisarts stelt dat hij dit wél heeft gedaan.
De huisarts heeft na het derde telefoongesprek met de verpleegkundige de politie gebeld. Deze wilde niet komen omdat, de politie van mening was dat dit een zaak was voor de crisisdienst. De politie was waarschijnlijk wel bereid geweest om bijstand te verlenen aan de crisisdienst, maar zag in deze situatie geen zelfstandige taak.
Het was voor de huisarts geen optie de ambulance te bellen, omdat de ambulancedienst het beleid heeft geen patiënten tegen hun wil te vervoeren, tenzij een psychiater daar opdracht toe geeft.
Na ongeveer dertig tot veertig minuten in de wachtkamer van de huisarts te hebben gezeten, wilde patiënte naar huis. Aangezien het spreekuur van de huisarts ondertussen was doorgegaan en nog niet was afgelopen, maakte de huisarts de afspraak met de patiënte dat zij naar huis zou gaan onder de voorwaarde dat hij haar direct na afloop van het spreekuur, dat ongeveer tot 15.00 uur zou duren, met zijn auto zou komen ophalen om samen naar het ziekenhuis te gaan. Verder werd met patiënte afgesproken dat als zij de deur niet zou opendoen, contact zou worden gezocht met de ex-vriend, die immers ook een sleutel van de etage had.
Omstreeks 14.00 uur nam de verpleegkundige telefonisch contact op met de huisarts om te informeren naar de toestand van patiënte. In dit vierde telefoongesprek informeerde de huisarts de verpleegkundige over de afspraak met de patiënte. Hoewel de verpleegkundige haar bezorgdheid uitte over de gekozen oplossing, bood zij niet aan om bij de patiënte langs te komen.
Direct na het spreekuur is de huisarts naar het huis van patiënte gegaan. Toen daar niet werd opengedaan, heeft hij contact opgenomen met de ex-vriend. Deze vertelde dat zijn vriendin vermoedelijk in zijn huis was. Samen zijn zij naar het huis van de ex-vriend gegaan. Daar aangekomen bleek dat patiënte zich door ophanging van het leven had beroofd. Reanimatie had geen zin meer. De huisarts heeft de autoriteiten gebeld. De politie heeft een onderzoek ingesteld.


4. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


De gebeurtenissen van vrijdag 11 augustus hebben plaatsgevonden binnen een tijdsbestek van ongeveer 2,5 uur.


Bij de aanmelding heeft verweerster niet kenbaar gemaakt wie zij was en wat haar functie was. Zij is zich er steeds van bewust geweest met een huisarts te maken te hebben. Verweerster heeft in eerste instantie bij de huisarts uitvoerig navraag gedaan over de somatiek terwijl dat, gezien het gegeven dat zij met een huisarts te maken had, niet haar verantwoordelijkheid was. Wel heeft zij de hulpvraag, dat er sprake was van een crisissituatie en dat de huisarts verzocht om een consult van de crisisdienst, goed genotuleerd op het aanmeldingsformulier. De crisisdienst heeft vervolgens het consult geaccepteerd. Op dat moment heeft verweerster niet aangeboden dat er direct, althans binnen het daarvoor geldende tijdsbestek van 30 à 45 minuten, een bezoek zou worden afgelegd.
Verweerster heeft in het tweede telefoongesprek aan klager medegedeeld dat het consult was geaccepteerd en er werd afgesproken dat verweerster de ex-vriend zou bellen. Namens de crisisdienst is verklaard dat het uitgangspunt is om te komen in een crisissituatie en de situatie ter plekke te beoordelen. De dienst kan binnen D in 30 à 45 minuten aanwezig zijn. Er was dus wel degelijk tijd geweest om na acceptatie van het consult en dus bij het tweede telefoon12.40 uur naar het huis van de patiënte te gaan.


Verweerster is niet in staat gebleken om de hulpvraag goed in te schatten en heeft zich onvoldoende een totaalbeeld kunnen vormen met de daarbij aanwezige risicofactoren. Zij heeft de ex-vriend zelf de politie laten bellen terwijl er sprake was van een man die volledig in paniek was. Verweerster heeft niet aangeboden om zelf de politie te bellen, terwijl zij dat wel, en zeker op dat moment, had moeten doen. Had zij op dat moment zelf contact opgenomen met de politie, dan wist zij ook of de politie wilde komen en eventueel op haar verzoek de crisisdienst zou willen bijstaan.
Ook heeft verweerster geen actie ondernomen om zelf de situatie te gaan beoordelen dan wel iemand anders van de crisisdienst te vragen dit te doen. Ook op dat moment was nog steeds tijd geweest om naar het huis van patiënte te gaan.


Gedurende de periode daarna heeft verweerster zich weliswaar betrokken gevoeld, maar zij is op geen enkel moment gekomen met een voorstel dat de huisarts niet zelf reeds had bedacht of zelf had kunnen bedenken. Juist gezien de panieksituatie bij alle hulpvragers (de patiënte, haar ex-vriend en de huisarts) had verweerster een eigen
verantwoordelijkheid om actief en daadkrachtig naar een oplossing te werken. Zij heeft miskend met een deskundig huisarts te maken gehad te hebben die in staat moet worden geacht een diagnose te kunnen stellen en de situatie in te kunnen schatten.
Verweerster heeft verklaard bezorgd te zijn geweest ten aanzien van de uiteindelijke oplossing van de huisarts om patiënte zelf naar het ziekenhuis te brengen. Verweerster had, gezien haar bezorgdheid, ook toen actief moeten en kunnen handelen.
Verweerster heeft gedurende het hele proces meerdere keren haar verantwoordelijkheid om op te treden laten liggen bij en  uit handen gegeven aan onder anderen klager en de ex-vriend. Weliswaar maakt verweerster deel uit van een team binnen de crisisdienst, maar dit laat onverlet dat verweerster een eigen verantwoordelijkheid heeft binnen het team.


Het regionaal tuchtcollege oordeelt dat verweerster in haar taak als verpleegkundige is tekortgeschoten.


De conclusie van het voorafgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 onder a en b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.


De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.


Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op de na te melden wijze worden bekendgemaakt.


5. Beoordeling van het hoger beroep
5.1. Het Centraal Tuchtcollege zal de zaak in volle omvang beoordelen, zodat ook de in eerste aanleg gegrond bevonden onderdelen van de klacht opnieuw zullen worden beoordeeld.


5.2. De vraag die in beroep moet worden beantwoord, is of de handelwijze van de verpleegkundige haar - al of niet ten
dele - tuchtrechtelijk kan worden verweten. In dat kader moet eerst worden bezien wat in die tijd de aard en de
functie van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige was en wat het beleid en de situatie was op de crisisdienst.


5.3. Bij de beoordeling van de klacht moet worden betrokken dat uit het deskundigenrapport van E naar voren is gekomen dat er geen sociaal-psychiatrisch-verpleegkundige richtlijnen zijn als het gaat om wondbehandeling, voorgeschiedenis, suïcidaliteit, veilige omgeving en het inschatten van de behandelbaarheid. In sommige instellingen zijn gewoonten protocollair vastgelegd, maar dit is per instelling verschillend geregeld. Ook waren er geen richtlijnen over het inschakelen van de politie.


5.4. Omtrent het eerste klachtenonderdeel - het niet bieden van adequate hulp en het tekortschieten als verpleegkundige op een crisisdienst - overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende.
Het is een taak van de crisisdienst om te zorgen voor een gedegen analyse van de problematiek van een patiënt. Het uitvragen van de somatische en psychische toestand van patiënte en relevante voorgeschiedenis is van belang voor het maken van deze analyse. Het wellicht te uitvoerig ingaan op de somatische problemen van patiënte, levert in het bovenstaande geval geen grond voor een zelfstandig tuchtrechtelijk verwijt op. De verpleegkundige heeft de hulpvraag, dat er sprake was van een crisissituatie en dat de huisarts verzocht om een consult van de crisisdienst, goed genotuleerd.


5.5. In het tweede telefoongesprek wordt door de verpleegkundige besloten het consult aan te nemen. Vanaf de acceptatie van het consult had de verpleegkundige moeten trachten de regie in handen te krijgen. Onder het in handen krijgen van de regie wordt in casu verstaan: het maken van een gedegen analyse, het creëren van omstandigheden waarin een bezoek veilig zou kunnen plaatsvinden en het helder aangeven van de beslismomenten. In casu heeft de verpleegkundige een afwachtend beleid gevoerd. Zo heeft zij niet aangeboden de politie te bellen, hoewel de ex-vriend van patiënte volledig in paniek was.
Zelfs wanneer de verpleegkundige van mening was dat een telefoontje van de ex-vriend meer effect zou sorteren, dan nog had zij zich in verbinding moeten stellen met de politie om de situatie te melden, te vragen om bijstand en zo mogelijke obstakels voor de ex-vriend uit de weg te ruimen.
Uit de verklaring van de getuige en deskundige F kan worden afgeleid dat wanneer de verpleegkundige zelf contact met de politie had opgenomen en om ondersteuning van de crisisdienst had gevraagd, de politie het verzoek om ondersteuning waarschijnlijk had ingewilligd. Er was echter geen sprake van verstoring van de openbare orde en veiligheid, zodat er voor de politie geen zelfstandige taak lag om op te treden.


5.6. In dit kader kan in het midden worden gelaten of de huisarts in het derde telefoongesprek heeft gevraagd om een consult op de praktijk. De factoren die mogelijk gevaar voor de leden van de crisisdienst hadden kunnen opleveren, waren niet meer aanwezig. Immers, de patiënte zat zonder haar ex-vriend in de wachtkamer van de huisarts. Het College is van mening dat als toen een veilige situatie was gecreëerd waardoor er voor de verpleegkundige geen redenen meer waren om af te zien van een consult. Dit klemt te meer nu de verpleegkundige heeft verklaard bezorgd te zijn geweest over de uiteindelijke oplossing van de huisarts om de patiënte in zijn eigen auto naar het ziekenhuis te brengen. Juist gezien deze bezorgdheid had de verpleegkundige actief moeten handelen.


5.7. Het Centraal Tuchtcollege is, alles overziende, evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de verpleegkundige in haar taak als verpleegkundige is tekortgeschoten. Wat betreft de op te leggen maatregel komt het Centraal Tuchtcollege tot een andere beslissing, omdat het de opgelegde berisping een te zware maatregel acht. Volstaan kan worden met een waarschuwing.


Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 48, lid 1, sub a van de Wet BIG, is een waarschuwing een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van de handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer 19522, nummer 3, pagina 76).


6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


>   vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voorzover het gaat om de opgelegde maatregel;
>   legt de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing op;


bepaalt dat deze op voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact, Nursing,
Verpleegkunde Nieuws, het Tijdschrift voor verpleegkundigen en Psy.


Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door mr. R.A. Torrenga, voorzitter; mr. P.J. Wurzer, mr. E.J. van Sandick, leden-juristen; D.A. Polhuis, S.R. Doop, leden-beroepsgenoten; mr. D.M. Looten, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2003, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd