U bent nu hier:

MC 11-Behandelend arts en erfgenaam

Publicatie Nr. 11 - 10 maart 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege

Wellicht was onderstaande zaak nooit bij het Regionaal Tuchtcollege en later bij het Centraal Tuchtcollege aanhangig gemaakt als de patiënte die op 95-jarige leeftijd overleed aan vrijwillige voedsel- en vochtonthouding, niet puissant rijk was geweest. Geld maakt vaak creatieve gedachten bij mensen los en kan leiden tot een hoop ruzie tussen de haves en de have-nots.
Degenen die in deze casus achter het net van (6 miljoen) visten, waren de familieleden van de overleden patiënte. Zij waren uit het testament geschrapt ten faveure van een jongere huisvriend van patiënte, tevens haar (voormalig?) orthopedisch chirurg. Ook vóór haar vrijwillig gekozen dood had de orthopedisch chirurg al aanzienlijke schenkingen van haar mogen ontvangen: voor auto’s, antiek, de aflossing van hypothecaire schuld, de studiekosten van zijn kinderen, de aankoop van een rugcentrum, et cetera. De kern van de tuchtzaak was of hij als haar behandelend arts - haar lijfarts - kon worden beschouwd of gewoon als huisvriend die toevallig ook dokter is. De meningen van het Regionaal en het Centraal Tuchtcollege liepen uiteen. ‘Vriend’, vond het Regionaal, ‘behandelend arts’, oordeelde het Centraal en berispte de arts.
De arts schreef herhaalrecepten uit, vroeg onderzoeken aan en had de medische regie tijdens haar sterfbed. De omgeving - onder wie de verpleging en de huisarts - zag hem ook als behandelend arts: een belangrijk criterium voor het Centraal Tuchtcollege. De huisarts kreeg overigens in een gelijktijdig behandelde andere zaak een waarschuwing (zie www.medischcontact.nl): hij had de medische regie niet uit handen mogen geven en beter verslag moeten leggen van zijn gesprekken met patiënte. Je moet wel het karakter hebben van Nelson Mandela in het kwadraat om je zuiverheid en je volstrekte neutraliteit als arts te bewaren als je weet dat bij het overlijden van een vriendin/patiënte 6 miljoen gulden op je wacht. Beter om je maar helemaal niet op dat uiterst gladde ijs te begeven. Patiënten genoeg.


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 6 januari 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2002/255 van:
1. A, wonende te B, C,
2. D,
3. E, beiden wonende te F, C,
4. G,
5. H, beiden wonende te I,
6. J, wonende te K,
7. L,
8. M, beiden wonende te N, O, appellanten, raadsman mr. R.P. Kröner, advocaat te Rotterdam,
tegen
P, orthopedisch chirurg, wonende te Q, verweerder, raadsvrouw mr. Ch.L. van de Puttelaar, advocaat te Rotterdam.


1. Verloop van de procedure
Appellanten - hierna te noemen klagers - hebben op 4 april 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen verweerder - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 5 november 2002, onder nummer 2001 O 35a heeft dat College klagers in hun klacht niet-ontvankelijk verklaard voorzover deze betrekking heeft op handelingen van de arts voorafgaand aan 4 april 1991 en voor zover de klacht betrekking heeft op de verzorging en begeleiding van R in de periode direct voorafgaand aan haar overlijden en heeft de klacht voor het overige afgewezen.
Klagers zijn van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.


Het Centraal Tuchtcollege heeft op 25 september 2003 van klagers nog een brief d.d. 23 september 2003 ontvangen met als bijlagen een uittreksel uit het patiëntendossier van R van het S-Ziekenhuis, een lijst van recepten ten name van R, ingeleverd bij apotheek T te Q van 21 december 1999 tot en met 15 september 2000 en een persoonlijke samenvatting van feiten en indrukken omtrent de gang van zaken rond hetversterven van R van de hand van klager sub 1.
De zaak is in hoger beroep, tegelijk met de zaak in beroep met nr. 2002/256 (klagers/U, huisarts), behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 oktober 2003, waar zijn verschenen A, E, G, H en J, bijgestaan door mr. Kröner, allen klagers, alsmede de arts, bijgestaan door mr. Van de Puttelaar. De overige klagers waren niet ter zitting aanwezig.
Als getuigen aan de zijde van de arts zijn gehoord: V, 67 jaar, pastoor te W en X, 65 jaar, wonende te Y. Pastoor V heeft als getuige de eed afgelegd en X de belofte.


2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. Klagers zijn familieleden van R. R is op 19 september 2000 op 95-jarige leeftijd overleden. In eerste aanleg hebben klagers de arts verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg, doordat hij een onbetamelijke relatie met R is aangegaan en op onbetamelijke wijze van haar afhankelijkheid, eenzaamheid, naïviteit en beperkt inzicht gebruik heeft gemaakt. De arts heeft ten onrechte een euthanasiebehandeling of behandeling van
stervensbegeleiding in gang gezet. Hij heeft zich bovendien niet gehouden aan de regels die bij euthanasie gelden, aldus klagers.


2.2. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voorzover de klacht betrekking heeft op handelingen die hebben plaatsgevonden langer dan tien jaren voorafgaand aan het indienen van het klaagschrift, is de klacht verjaard. Voorts zijn klagers volgens de arts niet-ontvankelijk in de klacht omdat hij niet de behandelend arts van R was. De arts acht de klacht overigens ongegrond.


2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


‘4.1. Gelet op de familierelatie tussen klagers en de patiënte R, kunnen klagers in hun klacht worden ontvangen.
4.2. Ingevolge artikel 65 lid 5 van de Wet BIG vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift door verjaring in tien jaren, te rekenen vanaf de dag na die, waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Dit brengt mee dat, voorzover de klacht betrekking heeft op handelingen van de arts verricht vóór 4 april 1991, klagers daarin niet kunnen worden ontvangen.
4.3. Het staat vast dat tussen de arts en R in de loop van de jaren een vriendschappelijke relatie is ontstaan, die steeds hechter werd. De arts heeft gesteld dat R na 4 april 1991 nog twee consulten bij hem heeft gehad, te weten op 7 juli 1992 en op 4 mei 1994. Klagers hebben deze stelling van de arts niet betwist en het College beschikt niet over aanwijzingen dat de arts nadien nog op orthopedisch-chirurgisch gebied bij R betrokken is geweest. Dat de arts R bij die twee gelegenheden op het spreekuur heeft gezien, terwijl hij tevens een vriendschappelijke relatie met haar onderhield, acht het College niet onbetamelijk, te meer niet nu de behandelrelatie als orthopedisch-chirurg daarna is geëindigd. Na 1994 heeft de arts incidenteel ten behoeve van R van zijn bevoegdheid gebruikgemaakt, te weten door het uitschrijven van herhalingsrecepten voor slaapmiddelen. De arts heeft gesteld dat hij dit uit zuiver pragmatische overwegingen en met medeweten van de huisarts heeft gedaan en dat het beleid met betrekking tot de behandeling van R bij de huisarts berustte. Het College acht het minder gelukkig dat de arts de betreffende recepten heeft uitgeschreven, doch deze handelwijze is niet van dien aard dat daardoor het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg is geschaad. Overigens heeft de klacht ook geen betrekking op het uitschrijven van de herhalingsrecepten of op de consulten in 1992 en 1994.
4.4.  Gezien het vorengaande moet ervan worden uitgegaan dat zich tussen de arts en R in de loop van de jaren een hechte vriendschappelijke relatie heeft ontwikkeld, waarbij de arts incidenteel in zijn hoedanigheid van arts is opgetreden. Van een voortdurende arts-patiëntrelatie is geen sprake geweest.
4.5.  De klacht richt zich in het bijzonder op het handelen van de arts in de laatste maand van het leven van R, toen stervensbegeleiding aan de orde was. Het is aannemelijk dat de arts toen een organiserende taak op zich heeft genomen. De arts stelt dat het medisch beleid daarbij uitsluitend door de huisarts werd bepaald. De advocaat van klagers heeft op enkele omstandigheden gewezen, die volgens klagers op het tegendeel wijzen. Zo zou de arts het verplegend personeel opdracht hebben gegeven omtrent de wijze van behandeling van R. Anders dan klagers stellen, heeft de arts dit niet erkend. Dat hij, als naaste van R, contact onderhield met de verpleging, betekent niet dat hij in dat verband als arts is opgetreden. Datzelfde geldt voorzover de arts het verplegend personeel heeft gewezen op het beleid dat met de huisarts en het hoofd van de verpleging was afgesproken.
Klagers hebben voorts betoogd dat de arts zich tegenover klagers op zijn medisch beroepsgeheim heeft beroepen. Voorzover klagers daarbij doelen op een opmerking van de arts in het kader van de behandeling van de onderhavige klacht dat hij in verband met de privacy van R geen nadere medische gegevens aan klagers meent te moeten verschaffen, is deze stelling feitelijk onjuist. Een ander voorbeeld hebben klagers niet gegeven.
Ten slotte beroepen klagers zich erop dat R bij verschillende gelegenheden de arts heeft aangeduid als haar ‘lijfarts’. Reeds uit het feit dat R regelmatig haar huisarts consulteerde, volgt echter dat deze benaming niet serieus moet worden genomen, althans niet moet worden opgevat in de door klagers bedoelde zin.
4.6. Het vorengaande leidt tot de conclusie dat de arts bij de hem verweten handelingen gedurende de periode kort voor het overlijden van R niet in zijn hoedanigheid van arts is opgetreden. Ook in zoverre kunnen klagers mitsdien niet worden ontvangen in hun klacht.’


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De arts werkte vanaf 1976 als orthopedisch chirurg in het S-Ziekenhuis te Q. Het eerste polikliniekbezoek van R bij de arts vond plaats op 4 november 1980. In de jaren tachtig heeft de arts bij R een aantal operatieve ingrepen verricht. In het door de arts overgelegde uittreksel uit de polikliniek status orthopedie staat vermeld dat de twee laatste consulten daar hebben plaatsgevonden op 7 juli 1992 en 4 mei 1994.
In het midden van de jaren tachtig is tussen de arts en R een hechte vriendschappelijke relatie ontstaan, die heeft geduurd tot haar overlijden. Deze relatie hield onder andere in, dat zij elkaar bezochten, veelvuldig telefonisch contact hadden, al dan niet in familieverband uitgingen, dat de arts haar vergezelde op reizen, haar verjaardagsfeestjes organiseerde en dat hij haar tot het laatst begeleidde en thuis verzorgde, waarbij hij haar de laatste maanden een aantal keren per week en op het laatst nagenoeg dagelijks bezocht.
In de loop der jaren heeft R aan de arts diverse aanzienlijke schenkingen gedaan, onder andere voor de aankoop van kleding, kunst, antiek, horloges en auto’s. Ook heeft zij bijdragen gegeven voor studiekosten van de kinderen van de arts, voor een hernieuwde aanleg van zijn tuin en voor aflossingen van een hypothecaire schuld. Tevens heeft zij de arts een schenking gedaan ten behoeve van de aankoop van een rugcentrum.
In 1992 is R verhuisd naar een aanleunwoning in Q. Haar huisarts was sinds 1996 U. R heeft in of omstreeks 1998 in het S-Ziekenhuis te Q een vetschortoperatie ondergaan. De arts staat, zoals blijkt uit het uittreksel uit het patiëntendossier, vermeld als aanvrager van een aantal, voorafgaande aan die operatie, verrichte preoperatieve onderzoeken, zoals een ECG-onderzoek, bloedonderzoek, thoraxonderzoek en skeletscintigrafie. Ook de uitslag van de preoperatieve beoordeling door de internist geriatrie is gericht aan de arts.
R heeft op 17 januari 2000 haar testament gewijzigd en de arts onder de last van een aantal legaten tot enig en algeheel erfgenaam van haar nalatenschap benoemd.
R is op 30 augustus 2000 gevallen. De arts heeft aan klager sub 1 toen deze belde om een afspraak met R te maken meegedeeld dat R was gevallen en dat zij geen zin meer had in het leven. Deze mededeling heeft de arts herhaald toen klager sub 1 met zijn echtgenote R op 2 september 2000 kwam bezoeken.
De arts heeft voor R via het Bureau Z, een recent door AA gestart zorgbureau, volledige thuisverpleging geregeld.
In het verpleegverslag heeft de arts de volgende instructies voor het verplegend personeel geschreven:


6 september 2000


Hierbij schriftelijk wat reeds mondeling is afgesproken.  Het te volgen beleid
1. R heeft de uitdrukkelijke wens uitgesproken te streven naar vrijwillige levensbeëindiging door zich te onthouden van eten en drinken.
2. Daarbij zal haar geen eten of drinken worden aangeboden.
3. Wanneer R om drinken vraagt, zal haar dit worden aangeboden met de vraag of dit haar uitdrukkelijke wens is en of zij de gevolgen van het drinken wenst.
4. Haar zal door huisarts U verlichting worden voorgeschreven, wanneer R daarom vraagt of, de toestand waarin R kennelijk verkeert dat vereist.
w.g. P


AA noteert die dag aansluitend:


‘* Vanaf heden verzoek ik iedereen om nauwgezet een vochtbalans bij te houden per rap. R heeft nogmaals tot tweemaal toe tegen P en mij verklaard om door te gaan met haar vrijwillige levensbeëindiging.
Euthanasieverklaring ligt hier ter inzage voor het verplegend personeel.
* Iedereen moet zich houden aan het beleid dat hiernaast beschreven staat.’


Op 15 september om 09.30 uur schrijft de arts nog in het verpleegverslag:


‘U afwezig (nascholing)
Dokterstel BB.
Schrijft med voor. halen bij apotheker
bij overlijden in weekeinde eerst mij (P) bellen. Dan via dokterstel U bellen.’


R is op 19 september 2000 omstreeks 05.30 uur op 95-jarige leeftijd overleden. Haar vermogen ten tijde van haar overlijden moet - los van legaten - worden geschat op f 6.000.000,-.


4. Procedure in hoger beroep
4.1. Klagers hebben tegen de bestreden beslissing dertien grieven aangevoerd. Hun grieven hebben tot doel de in eerste aanleg geuite klacht in alle onderdelen en in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Kern van de klacht is dat klagers ernstige twijfels hebben omtrent de juistheid van het handelen van de arts welke twijfels mede worden gevoed door het grote financiële belang dat de arts heeft bij het overlijden van R. Klagers bestrijden in beroep in het bijzonder het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de bemoeienissen van de arts, ook gedurende de periode kort voor het overlijden van R, louter moeten worden gezien als bemoeienissen van vriendschappelijke aard.


4.2. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De arts heeft er op gewezen dat de arts-patiënt relatie na 1990 is beëindigd. In 1992 en 1994 werd een check uitgevoerd om te controleren of na eerdere operatieve ingrepen alles nog in orde was. Nadien heeft de arts R niet meer als arts behandeld. Juist is dat hij nog wel eens een recept heeft uitgeschreven, maar dat is nimmer meer dan incidenteel geweest en kan, zoals het Regionaal Tuchtcollege in dat verband heeft opgemerkt, hoogstens minder gelukkig worden genoemd.


Beoordeling
4.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat ingevolge artikel 65 lid 5 van de Wet BIG de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift
vervalt in tien jaren, te rekenen vanaf de dag na die, waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege,
dat klagers niet in hun klacht kunnen worden ontvangen voorzover hun klacht betrekking heeft op handelen van de arts vóór 4 april 1991, is dan ook juist.


4.4. Vervolgens staat ter beoordeling of de bemoeienissen van de arts met R in de periode tussen 4 april 1991 en haar overlijden op 19 september 2000 louter kunnen worden gekwalificeerd als van vriendschappelijke aard, zoals de arts betoogt, of dat de arts als arts bij de medische begeleiding van R betrokken
is geweest, zoals klagers stellen. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts niet louter handelde vanuit de hechte vriendschappelijke relatie die tussen de arts en R was gegroeid, maar dat er mede sprake was van handelen als arts. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Onjuist is dat de arts, zoals hij stelt, de laatste tien jaren alle medische handelingen met betrekking tot R aan anderen heeft overgelaten. Zo staat de arts, zoals onder de feiten is weergeven, bij een aantal preoperatieve onderzoeken vermeld als aanvragend arts.
Het Centraal Tuchtcollege kan de arts niet volgen waar hij stelt dat dit is gedaan omdat die onderzoeken plaatsvonden in het ziekenhuis waar hij werkzaam was en hij R bij genoemde onderzoeken steeds begeleidde. Het wordt ongeloofwaardig geacht dat indien de onderzoeken door een andere arts zijn aangevraagd, deze om de door de arts genoemde redenen niet als aanvrager zou zijn vermeld.
De arts heeft tevens, naar hij heeft bevestigd, op naam van R een aantal recepten uitgeschreven. Ook daarmee heeft de arts in de hoedanigheid van arts gehandeld; dat het daarbij ging om herhalingsrecepten maakt dat niet anders.
Bij de beoordeling of de arts als arts heeft gehandeld is tevens van belang in welke rol anderen hem zagen en welke taken en verantwoordelijkheden door die anderen daardoor bij hem werden gelegd alsook of hij zich van een en ander bewust was of had kunnen zijn.
Evident is dat R de arts naast vriend ook als, zoals zij het noemde, haar lijfarts beschouwde. Dat dit de arts niet is ontgaan, blijkt al uit zijn opmerking dat R hem soms gekscherend haar lijfarts noemde. Dat zij daarnaast ook af en toe haar huisarts consulteerde, doet daaraan niet af.
Huisarts U heeft in dit verband ter zitting van het Centraal Tuchtcollege verklaard dat hij de arts als collega zag. De huisarts was het geheel eens met de instructies die de arts had neergelegd in het verpleegdossier en zag geen aanleiding het verplegend personeel zelf te instrueren. Bij de begeleiding van R in haar laatste levensfase is de huisarts, naar hij heeft verklaard, in grote mate gevaren op het kompas van de arts. Hij kon zich vinden in het beleid zoals door de arts vastgesteld.
Uit een ondertekende schriftelijke verklaring d.d. 16 december 2002 van AA blijkt dat de arts in de visie van AA fungeerde als behandelend arts van R en de medische organisatie had. De arts gaf de medische instructies, verrichtte medische handelingen, nam de medische verantwoordelijkheid en gaf medicijnen. Ook haalde de arts zelf medicijnen bij de apotheek of had deze bij zich (Durogesic-pleisters). De arts zag er op toe dat anderen de wens van R om te overlijden respecteerden, aldus de verklaring van AA.


Al het voorgaande leidt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat de arts de regie had van en de verantwoordelijkheid had voor de medische begeleiding van R.


4.5. Nu de arts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft gehandeld in de hoedanigheid van arts, moet worden bezien of de arts ten aanzien van dit handelen een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat wanneer een patiënt ervoor kiest om te overlijden door abstinatie van voedsel en vocht en een arts dit proces medisch begeleidt, die arts te dien aanzien in beginsel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zolang daarbij aan een aantal vereisten is voldaan. Eén daarvan is dat de begeleiding zeer zorgvuldig en zuiver geschiedt. Wanneer een arts met de betrokken patiënt een jarenlange innige vriendschappelijke relatie heeft onderhouden en hij ermee bekend is dat hem bij overlijden van die patiënt een erfenis zal toevallen, is van een dergelijke zuiverheid geen sprake. De arts had zich derhalve moeten onthouden van ieder medisch handelen en had de gehele regie en begeleiding in handen van de huisarts dan wel van een andere arts moeten laten. Dat de arts dit niet heeft gedaan, moet hem tuchtrechtelijk ernstig worden aangerekend.
Het Centraal Tuchtcollege acht in dit geval de maatregel van berisping passend. Om redenen van algemeen belang zal de beslissing op na te melden wijze worden gepubliceerd.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep, voorzover klagers daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op de verzorging en begeleiding van R in de periode direct voorafgaand aan haar overlijden en voorzover de klacht is afgewezen, en


opnieuw rechtdoende:


verklaart dat gedeelte van de klacht gegrond en legt de arts de maatregel van berisping op;


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, voorzitter; mr. M.J.F. Zeven-Postma, mr. R.A. Torrenga, leden-juristen; M.A.P.E. Bulder-van Beers, dr. W.H.J. Derks, leden-beroepsgenoten; mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 6 januari 2004, door mr. K.E. Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd