U bent nu hier:

MC 12-Een gewaarschuwd arts telt voor twee

Publicatie Nr. 12 - 17 maart 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege

Het Centraal Tuchtcollege dat een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden oplegt met een proeftijd van twee jaar versus een Regionaal Tuchtcollege dat voor hetzelfde feit het ‘ongegrond’ uitspreekt. Dat maakt nieuwsgierig.
In het middelpunt staat een dienstdoende huisarts die op een doordeweekse dag waarneemt voor zijn weekenddienst houdende collega’s, en dat allemaal in het kader van een landelijke huisartsenactie. Uitgerekend op zo’n dag - o, imago - gaat het mis: de huisarts wil van een twee maanden oude baby met ademhalingsproblemen (tot blauw aanlopen, volgens de ongeruste vader) eerst de temperatuur weten, alvorens actie te ondernemen. Hoewel hij op de zitting toegeeft dat het al dan niet hebben van verhoging zijn beleid om ‘een kind te zien’ niet zou hebben veranderd, was hij toen de vader terugbelde met het resultaat van de meting, niet meer bereikbaar: vertrokken naar een bijscholing. Zijn voicemail verwees naar een vervanger. Deze zag uiteindelijk het kind, waarna het gelukkig allemaal met een sisser afliep. Behalve voor de aangeklaagde huisarts. Het Centraal Tuchtcollege vond dat hij door de baby niet onmiddellijk te zien, in strijd had gehandeld met de zorg die hij had moeten verlenen. Zijn straf liep zo hoog op omdat hem vrij recent al twee keer een tuchtrechtelijke waarschuwing was opgelegd, waarvan één keer in een nagenoeg gelijksoortige zaak; bovendien wilde hij ook nu weer van de prins geen kwaad weten.
Leerles in deze zaak? Het bij een eerste telefoontje standaard noteren van het telefoonnummer van de hulpvrager zodat deze zelf kan worden teruggebeld, kan
heel wat communicatieproblemen voorkomen. Veel (huis)artsen weten dat het ook voor de eigen gemoedsrust (de patiënt belt niet terug, gaat het echt wel beter
of juist helemaal niet?) beter is.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 6 januari 2004
Beslissing in de zaak met nummer 2003/123 van A, wonende te B, appellant, tegen C, huisarts, wonende te B, verweerder, en in de zaak met nummer 2003/124 van: D, Inspecteur voor de Gezondheidszorg voor E, zetelend te F, appellant, tegen C, huisarts, wonende te B, verweerder.


1. Verloop van de procedure
in de zaak 2003/123
Appellant heeft op 21 juni 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verweerder een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 december 2002 onder nr. 0171 heeft dat College de klacht ongegrond verklaard.
Appellant is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.


2. Verloop van de procedure
in de zaak 2003/124
Appellant is bij beroepschrift, ingekomen op 22 januari 2003, tegen genoemde beslissing van het Regionaal Tuchtcollege nr. 0171 in hoger beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
In beide zaken.
De zaken zijn in hoger beroep tegelijkertijd doch niet gevoegd behandeld  ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 30 oktober 2003, waar zijn verschenen appellant A, bijgestaan door mr. C.W.M. Verberne, advocaat te Eindhoven, verweerder, bijgestaan door mr. A.F. Geerts, advocaat te Utrecht en appellant D, bijgestaan door mr. A.J.G. Peters.


3. Beoordeling van het beroep in beide zaken
3.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft het navolgende overwogen en heeft de navolgende beslissing gegeven in de zaak met nummer 2003/123:
Na de indiening van het klaagschrift en de verzending van een afschrift daarvan aan verweerder heeft de voorzitter het vooronderzoek opgedragen aan de secretaris. De secretaris heeft partijen in de gelegenheid gesteld in het vooronderzoek te worden gehoord, doch geen van hen heeft daarvan gebruik gemaakt.
Het College heeft kennis genomen van het klaagschrift, van de in het kader van het vooronderzoek ingekomen stukken, te weten het verweerschrift, de repliek, de dupliek en van de bij deze stukken overgelegde bescheiden.
De klacht is behandeld op de zitting van woensdag 2 oktober 2002, waarbij zijn gehoord klager, bijgestaan door mr. C.W.M. Verberne, advocaat te Eindhoven en verweerder, bijgestaan door mr. A.F. Geerts, advocaat te Utrecht.


Naar aanleiding van de klacht heeft het College de navolgende feiten en omstandigheden onderzocht en op grond van de inhoud van de gedingstukken en van de ter zitting afgelegde verklaringen het navolgende vastgesteld:


Klager is de vader van G, die is geboren op 6 maart 2001. Op 2 mei 2001 werd door de huisartsen een landelijke staking gehouden, waaraan ook de vier huisartsen gevestigd in B deelnamen. Zij voerden die dag een weekenddienst uit, waarbij verweerder overdag en wel tot 17.00 uur de dienstdoend arts was en in het kader van die regeling waarnam voor de eigen huisarts van klagers gezin.
In de middag van 2 mei heeft klager telefonisch contact gezocht met de praktijk van zijn huisarts ten behoeve van zijn zoontje. Hij is toen door het antwoordapparaat van die praktijk verwezen naar een telefoonnummer van verweerder en heeft tenslotte rechtstreeks contact gekregen met verweerder. Klager heeft daarbij gezegd dat zijn zoontje erg benauwd was geworden en buiten bewustzijn was geraakt, omdat het jongetje niet meer kon ademen. Terwijl klager de toestand van zijn zoontje beschreef, heeft verweerder enige malen aan hem gevraagd of hij de lichaamstemperatuur van zijn zoontje had opgemeten. Klager heeft hier aanvankelijk niet rechtstreeks op geantwoord, maar heeft gezegd dat hij eerst zijn verhaal af wilde maken. Op enig moment tijdens dit telefoongesprek heeft hij gezegd dat hij eerder die dag de temperatuur had opgenomen en dat zijn zoontje toen geen koorts had. Ook heeft klager tijdens het telefoongesprek medegedeeld dat door manipuleren van zijn echtgenote zijn zoontje er af en toe in slaagde wat lucht binnen te krijgen. Verweerder heeft aan klager, die gevraagd had om een visite, enige malen gevraagd de temperatuur van het kindje op te nemen en hem, verweerder, daarna weer terug te bellen, hetgeen klager tenslotte heeft toegezegd. Deze heeft de lichaamstemperatuur van zijn zoontje opgenomen en heeft daarna gepoogd telefonisch contact te krijgen met verweerder.
Dit is hem niet meer gelukt en klager kwam niet verder dan verweerders voicemail. Klager is er tenslotte in geslaagd in gesprek te komen met een andere huisarts die zijn zoontje heeft bezocht, daarbij heeft vastgesteld dat er geen sprake was geweest van een koortsstuip, de diagnose heeft gesteld op een viraal infect met slijmhoest en benauwdheid en broomhexine en balsoclase heeft voorgeschreven.
De klacht behelst, zakelijk weergegeven, het verwijt dat verweerder is tekortgeschoten in zijn reactie op de tot hem gerichte hulpvraag ten behoeve van een kind in nood, doordat hij, nadat hij met klager had afgesproken dat deze hem zou informeren over de lichaamstemperatuur van zijn zoontje, zich niet bereikbaar heeft gehouden voor klager, noch een andere huisarts heeft ingeschakeld om zorg aan het patiëntje te verlenen.


Ter verdediging heeft verweerder het navolgende aangevoerd:
In de middag van 2 mei 2001 is verweerder, terwijl hij zich in zijn praktijk bezighield met administratieve werkzaamheden, telefonisch benaderd door klager. Dit eerste en enige telefoongesprek tussen partijen moet, zoals verweerder heeft gereconstrueerd, hebben plaatsgevonden omstreeks 16.45 uur, maar verweerder heeft zich destijds dit tijdstip niet gerealiseerd. Klager was aanvankelijk ongerust, maar tijdens het telefoongesprek heeft zijn echtgenote op de achtergrond, voor verweerder hoorbaar, geroepen dat de ademhaling weer op gang was gekomen, waarna klager rustiger werd. Verweerder dacht aan een virale luchtweginfectie en wilde de lichaamstemperatuur kennen teneinde verantwoord een beslissing te kunnen nemen over de reactie op klagers hulpvraag: indien het patiëntje koorts zou hebben, wilde verweerder het zelf beoordelen, hetzij bij klager thuis, hetzij in de praktijk en bij het ontbreken van temperatuursverhoging wilde verweerder adviseren de situatie nog even aan te zien. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat te 17.00 uur, toen er sedert het telefoongesprek van klager reeds vijftien minuten waren verstreken, zijn assistente hem erop wees dat hij te 17.45 uur in Breda verwacht werd voor een nascholingscursus. Verweerder beschikte toen niet over het adres of het telefoonnummer van klager en kon dus geen contact met hem opnemen. Hij is er toen van uit gegaan dat gezien het tijdsverloop sedert het telefoongesprek de toestand van het patiëntje was verbeterd en huisartsenhulp niet meer nodig was.


Omtrent deze klacht moet het navolgende gelden:
Volgens klager, die daarbij heeft verwezen naar een door hem overgelegde gespreksspecificatie van KPN Telecom, is het enige telefoongesprek van hem met verweerder gevoerd op die dag te 17.01 uur. Verweerder heeft dit ontkend en heeft aangevoerd dat dit niet mogelijk is, omdat klager enige tijd daarna via zijn, verweerders, praktijknummer is doorverbonden met de huisarts die het patiëntje tenslotte heeft bezocht. De gespreksspecificatie, aldus verweerder, vermeldt geen latere gesprekken met zijn praktijknummer, zodat het gesprek te 17.01 uur niet het gesprek geweest kan zijn dat partijen met elkaar gevoerd hebben, doch het gesprek is geweest dat is doorgeschakeld naar de huisarts die na 17.00 uur voor hem waarnam. Klager heeft ter zitting verklaard dat hij een telefoonaansluiting heeft met vier verschillende nummers en het moet niet uitgesloten worden geacht en, gezien de specificatie, zelfs waarschijnlijk dat hij toen ook van een ander telefoonnummer gebruik heeft gemaakt voor zijn contact met verweerder. De specificatie verschaft derhalve geen duidelijkheid omtrent het tijdstip waarop dit contact heeft plaatsgevonden. Partijen verschillen omtrent het tijdstip van dit contact duidelijk van mening en het College ziet geen reden aan de lezing van een van hen omtrent dat tijdstip meer geloof te hechten dan aan die van de ander. De mogelijkheid bestaat derhalve dat, toen verweerder te 17.00 uur of kort daarna de telefonische bereikbaarheid van zijn praktijk beëindigde, hij ervan uit mocht gaan dat in de situatie van het patiëntje inmiddels een zodanige verbetering was ingetreden dat zijn hulp niet meer nodig was en dat klager geen beroep meer op hem zou doen.
Verweerder zou zeker voorzichtiger gehandeld hebben indien hij de opvolgend huisarts had ingelicht of door zijn assistente had laten inlichten over het patiëntje en over de mogelijkheid dat klager hem daarover nog zou benaderen. Hetgeen omtrent het tijdstip en het verloop van het contact tussen klager en verweerder is komen vast te staan, rechtvaardigt echter niet de conclusie dat verweerder is tekortgeschoten, zodat de klacht als ongegrond moet worden afgewezen.


3.2 Het Centraal College gaat bij de beoordeling van het onderhavige beroep uit van de volgende vaststaande feiten:
In de middag van 2 mei 2001 heeft appellant A ten behoeve van zijn zoontje G, geboren op 6 maart 2001, via de praktijk van zijn huisarts telefonisch contact gekregen met verweerder die op dat moment dienst had.
Appellant A heeft aan verweerder medegedeeld dat zijn zoontje niet meer kon ademhalen, erg benauwd was en blauw aanliep in zijn gezichtje. In dit telefoongesprek heeft appellant A (meerdere malen) aan verweerder gevraagd zijn zoontje te komen zien. Verweerder heeft in dat gesprek enige malen aan appellant A gevraagd de lichaamstemperatuur van het patiëntje op te nemen en hem daarna terug te bellen.
Na dit telefoongesprek is er op die dag geen contact meer geweest tussen appellant A en verweerder en heeft verweerder het zoontje van appellant A niet gezien.


3.3 De klacht van appellant A houdt, zakelijk weergegeven, het verwijt in: dat verweerder is tekortgeschoten in zijn zorg ten behoeve van de zoon van appellant
A door niet onmiddellijk het patiëntje te


ze adequate medische zorg te regelen; dat verweerder na het gebeuren niet op correcte wijze met appellant A wilde praten.


3.4 Aangaande het eerste deel van de klacht wordt het volgende overwogen.


3.5 Desgevraagd heeft verweerder ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het patiëntje, wat ook de lichaamstemperatuur van het kind zou zijn, zeker zou zijn gaan zien.


3.6 Dit brengt mee dat er in casu vanuit kan worden gegaan dat zowel appellant A als verweerder het noodzakelijk vonden dat verweerder het zoontje van appellant A zag.


3.7 Aan de orde is thans derhalve de beantwoording van de vraag of verweerder er een tuchtrechtelijk verwijt van gemaakt kan worden dat hij het patiëntje niet onmiddellijk is gaan zien dan wel zodanige maatregelen heeft genomen dat hij het patiëntje zo snel mogelijk kon zien.
Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat de hulpvraag een kind van nog geen twee maanden oud betrof, dat, volgens mededeling van de vader, niet meer kon ademhalen, erg benauwd was en blauw aanliep; de ouders van het kind erg ongerust en bezorgd waren, hetgeen verweerder heeft kunnen en moeten afleiden uit het feit dat hem in het telefoongesprek met appellant A enkele malen, in ieder geval éénmaal, werd verzocht het kind te komen zien.


3.8 Het Centraal College is van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden het patiëntje direct had moeten gaan zien dan wel appellant A met het patiëntje onmiddellijk naar zijn praktijk had moeten laten komen teneinde het kind aldaar te kunnen zien. Verweerder had het zien van het kind dus niet mogen uitstellen. Door dit wel te doen heeft verweerder in strijd gehandeld met de zorg die hij als huisarts ten opzichte van het patiëntje had dienen te verlenen en wel zodanig dat hem dat tuchtrechtelijk dient te worden verweten.


3.9 Met betrekking tot het tweede deel van de klacht wordt als volgt beslist.
Verweerder heeft het door appellant A aangaande dit deel van de klacht gestelde gemotiveerd betwist. Nu er geen aanleiding bestaat aan de lezing van appellant A meer waarde toe te kennen dan aan die van verweerder dient dit onderdeel van de klacht als kennelijk ongegrond te worden verworpen.


3.10 Bij de beantwoording van de vraag welke maatregel in casu als een passende reactie op het tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag van verweerder kan gelden, zijn de volgende omstandigheden van belang: door het uitstellen van het zien van dit zeer jonge patiëntje, met deze - voor zo’n jong kind - ernstige klachten heeft
verweerder een zeer groot risico genomen. Dat een en ander zonder gevolgen is gebleven doet aan het verwijtbare handelen van verweerder niet af; tegen verweerder zijn vrij recent (in 1999) tuchtklachten ingediend die hebben geleid tot het opleggen van - tot tweemaal toe - de maatregel van waarschuwing. In een van deze procedures ging het om nagenoeg gelijksoortig verwijtbaar gedrag van verweerder als in de thans aan de orde zijnde casus; tijdens de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep heeft verweerder op geen enkele wijze blijk gegeven van enig inzicht in het verwijtbare van zijn handelen.
De genoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het College dat aan verweerder de volgende maatregel wordt opgelegd.
3.11 Het Centraal College is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van twee maanden passend en geboden is.


Om redenen aan het algemeen belang ontleend wordt op de voet van artikel 71 van de wet BIG de publicatie van deze beslissing bevolen.


4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


-  vernietigt de beslissing waarvan beroep;


en opnieuw rechtdoende:


-  verklaart het eerste deel van de klacht gegrond en het tweede deel ongegrond;


-  legt aan verweerder op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van twee maanden;


beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de voorwaarde dat verweerder gedurende een proeftijd van twee jaren niet tucht-rechtelijk veroordeeld wordt terzake van enig handelen of nalaten als arts dat in strijd is met de zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg;


bepaalt dat deze beslissing in geanonimiseerde vorm overeenkomstig artikel 74, lid 2 juncto artikel 71 van de wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en zal worden toegezonden met het verzoek tot publicatie aan de redactie van Medisch Contact.
Aldus gegeven in Raadkamer door: mr. I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. E.J. van Sandick, leden-juristen; E.C.M. Plag, M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten; mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2004, door mr. K.E. Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd