U bent nu hier:

MC 14-Voorgoed arts af

Publicatie Nr. 14 - 31 maart 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen, KNMG

Zo vaak komt het niet voor dat een arts wordt geconfronteerd met een doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register. Het schenden van de tuchtnormen moet dan ook wel ernstig zijn. Dat was in onderstaande zaak zonder twijfel het geval. De arts in kwestie, die zijn vak volgens eigen zeggen ‘met homeopathische
kanten’ uitoefende en die - eveneens volgens eigen zeggen - patiënten uit de hele wereld zag, deinsde er niet voor terug daarbij nogal volhardend te zijn in zijn grensoverschrijdend handelen. Twee Inspecteurs voor de Gezondheidszorg bonden de kat de bel aan, met als uiteindelijk gevolg dat zowel het Regionaal als het Centraal Tuchtcollege een streep haalde door de BIG-registratie van de arts. Ondanks eerdere ‘kennismakingen’ met tuchtcolleges, inspectie, strafrechter en de Economische Controle Dienst, had hij zijn gewraakte gedrag niet aangepast. In tegendeel, hij was zich - behalve van zijn veel te creatieve declaratiegedrag - van geen kwaad bewust en herhaling lag volgens de inspectie en de tuchtcolleges in de rede. Wat deed hij dan zoal? Hij stuurde stelselmatig rekeningen van consulten die nooit hadden plaatsgevonden, dacht vrouwelijke patiënten een genoegen te doen door hen ongevraagd om hun fraaie lichaam te prijzen, kuste eveneens ongevraagd een 16-jarige door hem op schoot genomen depressieve patiënte en gaf zonder adequate informatie injecties met een bizarre samenstelling. En dit zal ongetwijfeld het topje van de ijsberg zijn geweest.
Om met de nieuwe KNMG-voorzitter Peter Holland op het recente KNMG-jaarcongres te spreken: het is een goede zaak om krachtig op te treden tegen collega’s die de titel ‘arts’ niet (meer) waardig zijn. Artsen snijden zichzelf en hun patiënten in het vlees als zij dat niet doen.



B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen



Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 22 januari 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2003/180 van: A, huisarts, wonende te B, verweerder in eerste aanleg, appellant in hoger beroep, raadsman: mr. P.J. Hoogendam, advocaat te ‘s-Gravenhage, tegen C en D in hun hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg, werkgebied E, gevestigd te F, klaagsters in eerste aanleg, verweersters in hoger beroep.


1. Verloop van de procedure
C en G, Inspecteurs voor de Gezondheidszorg, hebben op 1 juni 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen huisarts A - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 4 maart 2003, onder nummer 2001 H 60 heeft dat College de arts de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register opgelegd.
Voorts heeft het College bepaald dat deze beslissing op voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan de redacties van Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.
De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De Inspecteurs voor de Gezondheidszorg, C en D - hierna te noemen: de inspecteurs - hebben een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 25 november 2003, waar zijn verschenen de arts, bijgestaan door mr. P.J. Hoogendam en beide inspecteurs.
De inspecteurs hebben de zaak bepleit conform een aan het Centraal Tuchtcollege overgelegde pleitnota.


2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zoals door het Regionaal Tuchtcollege zakelijk weergegeven, het volgende in:


- De klacht
De klacht bevat onder verwijzing naar een vijftal meldingen van patiënten aan de Inspectie uit 1998, 1999 en 2000, welke in de bijlagen nader zijn omschreven, een aantal verwijten aan het adres van de arts. De klacht bestaat uit drie onderdelen:


a. Ontoelaatbaar seksueel getint gedrag
 Ondanks dat de arts in 1986 door het Tuchtcollege op het ontoelaatbare van dergelijk optreden is gewezen, heeft hij bij meer vrouwelijke patiënten opmerkingen gemaakt, inhoudende dat zij een mooi lichaam hadden. Daarnaast heeft hij een op dat moment 16-jarige patiënte (H) op schoot genomen en haar gekust, terwijl dit meisje bij hem onder behandeling was vanwege klachten van depressieve aard. De arts heeft tijdens het onderhoud met de inspectie deze handelingen toegegeven, maar is gebleven bij zijn stelling dat niet sprake was van ontoelaatbaar gedrag.
b. Het uitschrijven van frauduleuze  rekeningen
 Ondanks bij herhaling op het ontoelaatbare daarvan te zijn gewezen, heeft de arts opnieuw bewust en stelselmatig rekeningen uitgeschreven voor consulten (in het weekend, des avonds, des nachts maar ook overdag) die nimmer hadden plaatsgevonden. Dit had tot doel de rekeningen voor vergoedingen door de verzekeraar in aanmerking te laten komen. Hij is daarmee doorgegaan ondanks een eerdere afspraak dat hij dit handelen zou staken en onderzoek door de Economische Controle Dienst waarbij aangifte was gedaan en waarbij hij ook op het laakbare van zijn handelen is gewezen.
c. Grove onkunde
 De arts heeft eerder bedoelde jeugdige patiënte in strijd met de NHG-standaard Depressie niet met voorlichting en begeleiding behandeld, maar heeft de grenzen van de arts-patiëntrelatie overschreden en daarmee het risico genomen dat de bestaande klachten zouden verergeren.
Hij heeft patiënten met respectievelijk gewrichtsklachten en steenpuisten behandeld met injecties van eigen bloed, gemengd met een voor de betrokkene onbekende vloeistof en zonder adequate voorlichting. Dit is in strijd met een algemeen geaccepteerde therapievorm.
Klaagsters concluderen dat de arts in verschillende opzichten heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende in artikel 47 Wet BIG omschreven verplichtingen. Zij achten maar één maatregel op zijn plaats: doorhaling van de inschrijving van de arts in het register.


- Het verweer van de arts
Nadat de arts had afgezien van het voeren van schriftelijk verweer, heeft hij zijn handelwijze ter terechtzitting toegelicht. Samengevat heeft hij verklaard:
‘Ik ben nog praktiserend huisarts met homeopathische kanten. Ik heb geen verweerschrift ingediend, omdat ik het klaagschrift aan mijn advocaat had doorgespeeld. Dat heeft tot verwarring geleid. Ten aanzien van foute declaraties ben ik al veroordeeld. Mijn tarief wordt bepaald door de tijd die aan een patiënt wordt besteed. Ik krijg patiënten uit de hele wereld. De verzekeraars snappen niet dat ik veel langere tijd met patiënten bezig ben geweest dan waarvoor ik een vergoeding krijg. Vandaar mijn wijze van declareren.
Ik had een open relatie met H. Het was mijn bedoeling om haar ik-vorm te versterken. Ik heb met haar gedanst. Ik heb haar moeder daarover niet gesproken.’
De raadsman heeft zakelijk weergegeven verklaard:
‘Het declaratiegedrag is door de strafrechter beoordeeld. Er ligt een aanzienlijke claim van f 487.000,- en er is een geldboete opgelegd van e 10.000,-. De arts heeft inmiddels radicaal verandering gebracht in zijn declaratiegedrag.
De opmerkingen naar de vrouwelijke patiënten waren als compliment bedoeld. De arts heeft inderdaad minder afstand betracht dan gewenst was. Het is te betreuren dat de beroepsgroep van artsen over de behandelmethoden van de arts anders denkt dan hij. De resultaten waren goed. De patiënten hadden van tevoren ook wel kunnen zeggen dat de behandeling hun niet aanstond. De omgang met en de opmerkingen naar H waren niet seksueel getint. Hoewel de arts meer voorlichting aan zijn patiënten had kunnen geven en meer distantie had kunnen bewaren, en omdat het over zaken van 1998 en 1999 gaat, is de door klaagsters gesuggereerde maatregel te zwaar.’


2.2. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
1. De advocaat van de arts heeft ter terechtzitting een verkort vonnis van de economische meervoudige strafkamer van 4 februari 2002 overgelegd, waarbij de arts voor misdrijven in strijd met de Wet tarieven gezondheidszorg en valsheid in geschrifte, beide meermalen gepleegd is veroordeeld tot een geldboete van _ 10.000,- en hem een voorwaardelijke stillegging van de huisartsenpraktijk is opgelegd. Het ging daarbij om vals declareergedrag op grote schaal in de periode van 2 maart 1998 tot en met 31 augustus 1999. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Voorzover door en namens de arts met de overlegging van het vonnis en de verwijzing naar de opgelegde straffen is betoogd
- duidelijk is het niet - dat thans voor dergelijk gedrag tuchtrechtelijk niet meer kan worden gereageerd, gaat dit betoog niet op. Het strafrecht en de strafrechtelijke sancties beogen een ander doel te beschermen dan het tuchtrecht. Bovendien hebben de strafbare feiten, waarvoor de arts is veroordeeld, zo niet alle dan wel voor het overgrote deel betrekking op andere declaraties dan die thans aan de orde zijn. De arts spreekt op zichzelf niet tegen dat frauduleus declaratiegedrag tuchtrechtelijk relevant is in die zin dat daarmee het belang en de goede naam van de individuele gezondheidszorg in de waagschaal worden gesteld. Door te declareren voor niet-verrichte of anders te kwalificeren werkzaamheden wordt bij het bekend worden daarvan bij derden de verlening van gezondheidszorg in een kwaad daglicht gesteld. Uit de geschiedenis die tot de Wet BIG heeft geleid, blijkt dat dit gedrag ook met zoveel woorden als voorbeeld van overtreding van de tweede tuchtnorm van artikel 47 van die wet is genoemd.
De arts heeft zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan seksueel getint gedrag. Opmerkingen naar patiënten toe, inhoudende dat zij een mooi lichaam hebben, zijn ontoelaatbaar. Een motivering daarvoor is eigenlijk overbodig. Omdat de arts ter zitting niet heeft getoond te begrijpen dat dit soort opmerkingen niet door de beugel kan, dient de volgende korte motivering te worden gegeven: Door dergelijke opmerkingen te maken worden patiënten, die zich tot de arts als hulpverlener wenden, in verwarring gebracht over de positie van de arts in de behandelrelatie en over de aard van de verhouding tussen de patiënt en de arts. De arts, die de patiënte ‘alleen maar’ een compliment wil maken, miskent die relatie. Hij
miskent daarmee ook zijn eigen positie als arts. In een eerdere klachtzaak tegen de arts was al overwogen dat het een arts niet past om een patiënte ongevraagd opmerkingen over haar lichaam te maken.
3. De door de arts gevolgde behandemethoden van de patiënten zijn in Nederland niet aanvaard. De arts heeft het College er niet van kunnen overtuigen dat het behandelen van lichamelijke klachten met injecties van eigen bloed en een andere stof zinvol was. Het moge zo zijn, zoals door en namens de arts is opgemerkt, dat de steenpuist waar één van de patiënten last van had na de behandeling is verdwenen, maar dat wil niet zeggen dat dit resultaat het gevolg van de behandeling is geweest. Daarbij komt nog dat de arts, naar is gebleken, zijn patiënten ook niet heeft geïnformeerd over het behandelplan, de samenstelling en de te verwachten uitwerking van die andere stof.
Het College tilt nog zwaarder aan de behandeling door de arts van het jonge meisje met de depressieve klachten. Door haar op schoot te nemen en een persoonlijk contact met haar op te bouwen, waar voor de depressieve klachten juist begeleidend en informerend contact ‘op afstand’ geïndiceerd was, is de arts ernstig tekortgeschoten.
4. Het College tilt zo zwaar aan hetgeen is voorgevallen dat verdere beroepsuitoefening door de arts moet worden voorkomen, zodat de zwaarste sanctie moet worden opgelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de arts in het verleden (in 1986, in 1989 en driemaal in 1996) meermalen ter verantwoording is geroepen voor vergelijkbare gedragingen. Toen zijn hem in ernst oplopende maatregelen opgelegd. Die hebben niet kunnen voorkomen dat de arts in herhaling verviel. Voorts wordt van belang geacht dat hij ter zitting op geen enkele manier heeft blijk gegeven de ernst en het klachtwaardige van zijn persistent gedrag in te zien. De beweerdelijk radicale verandering in het declaratiegedrag, overigens niet aangetoond, kan het vertrouwen in de arts niet meer herstellen. Dit klemt temeer, nu de arts ter zitting geen blijk heeft gegeven de onjuistheid van zijn declareergedrag in te zien.
5. Klaagsters hebben nog gevraagd bij de beoordeling te betrekken de behandeling door de arts van zijn patiënt I. Diens vader heeft een klacht ingediend, waarop inhoudelijk zal worden beslist en waarin heden eveneens uitspraak (2002 H 4) wordt gedaan. Daarom blijft, ter voorkoming van schending van het ‘ne-bis-in-idem’- beginsel die zaak hier buiten beschouwing.
6. Om redenen aan het algemeen belang ontleend, wordt op de voet van artikel 71 van de Wet BIG publicatie van deze beslissing bevolen.


4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Van de zijde van de arts is ter zitting in hoger beroep het verweer gevoerd ertoe strekkende dat het Regionaal Tuchtcollege in strijd zou hebben gehandeld met artikel 6 lid 1 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aangezien er een onredelijk lange termijn is verstreken tussen de aanvang van de tuchtrechtelijke procedure en de einduitspraak van het Regionaal Tuchtcollege, zodat de inspecteurs alsnog niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun klacht.
Ten aanzien van dit verweer overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende.
De termijn van artikel 6 lid 1 EVRM vangt aan op het tijdstip waarop de betrokkene er voor het eerst ernstig rekening mee dient te houden dat tegen hem een tuchtrechtelijke procedure zal worden gestart.
In de onderhavige zaak hoefde de arts, anders dan van zijn zijde wordt gesteld, hier pas na ontvangst van de brief van de inspecteur van 13 maart 2001
ernstig rekening mee te houden. De inspectie heeft op 1 juni 2001, dus ruim twee maanden na dit schrijven, de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege ingediend. De einduitspraak van het Regionaal Tuchtcollege is gedateerd op 4 maart 2003. Er is dus sprake van een tijdsverloop van in zijn totaliteit bijna twee jaar, maar dit tijdsverloop is deels te wijten aan het feit dat de arts, ondanks herhaalde verzoeken van het Regionaal Tuchtcollege daartoe, niet heeft gereageerd op het verzoek om een verweerschrift in te dienen.
In het licht van het bovenstaande is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM en is de zaak derhalve ontvankelijk.


4.2. Daarnaast stelt de arts dat gelet op dit lange tijdsverloop het Centraal Tuchtcollege een lichtere maatregel dient op te leggen dan de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde doorhaling van de inschrijving in het BIG-register. Het Centraal Tuchtcollege is, zoals blijkt uit hetgeen hierna zal worden overwogen, echter van oordeel dat het gestelde tijdsverloop het opleggen van een lichtere maatregel, gelet op de ernst van de tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen van de arts, niet rechtvaardigt.


4.3. Tijdens de behandeling van de klacht ter zitting heeft het Centraal Tuchtcollege niet kunnen vaststellen dat - ondanks de in het verleden opgelegde maatregelen en ondanks de veroordelingen door de strafrechter - de arts inmiddels tot het inzicht is gekomen dat zijn factureergedrag onjuist is. Tevens is uit niets gebleken dat de arts zich in de toekomst zal conformeren aan de tarieven die zijn vastgesteld door het College Tarieven Gezondheidszorg. Dat het gevaar voor recidive bestaat, wordt ook bevestigd door de verklaringen van de arts ter terechtzitting waarin hij aangeeft het belang van patiënten boven alles te stellen. Dit belang rechtvaardigt in zijn ogen namelijk ook de door hem gebruikte (foutieve) declaratiemethode. Het Centraal Tuchtcollege is, mede op grond van deze verklaringen en op grond van een recente, inmiddels onherroepelijk geworden, uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage van 4 maart 2003 (2002 H 4: I/A), die betrekking heeft op onjuist factureergedrag van de arts over de maanden april tot en met augustus 2001 - zijnde een periode waarin de arts reeds kennis droeg van eerdergenoemde brief van 13 maart 2001, respectievelijk van de indiening van de onderhavige klacht op 1 juni 2001 - en waarin de arts wederom een maatregel wordt opgelegd wegens foutief declareergedrag, van oordeel dat het niet waarschijnlijk is dat de arts zijn declareergedrag ook in de toekomst zal wijzigen.


4.4. Voor het overige heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.


4.5. Het Centraal Tuchtcollege acht, gelet op de ernst van de aan de arts verweten gedragingen en het recidivegevaar alsmede het voortdurend gebrek aan inzicht, evenals het Regionaal Tuchtcollege, alleen de zwaarste maatregel van doorhaling in het BIG-register passend.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


verwerpt het beroep;


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan de redacties van Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. K.E. Mollema, voorzitter; mr. P.J. Wurzer, mr. E.J. van Sandick, leden-juristen; dr. H.J. van der Reijden, M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2004 door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd