U bent nu hier:

MC 15-Pancreatitis, pijn en placebo

Publicatie Nr. 15 - 08 april 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen

Uit onderzoek van de hersenen wordt steeds duidelijker dat er voor het placebo-effect een anatomisch en fysiologisch substraat bestaat. Placebo als onbewust adjuvans wordt door elke arts dagelijks toegepast. Meestal ter versterking van het beoogde therapeutisch effect - denk aan de witte jas - maar helaas ook regelmatig en onnadenkend in tegenstrijdige zin. Bijvoorbeeld door verkeerde aandacht voor de patiënt. De placebo kan een zeer goedkope toevoeging zijn aan ons therapeutisch arsenaal. Bewust gebruik van dit therapeutisch wapen is een andere zaak. Placeboverstrekking is namelijk niet echt effectief als de patiënt tevoren wordt geïnformeerd over het feit dat en wanneer zo’n behandeling wordt toegepast. Een onverkorte en volledige toepassing van de eis dat een door de patiënt voorafgaande aan de behandeling gegeven toestemming gebaseerd moet zijn op toereikende informatie, is bij placebobehandelingen niet goed uitvoerbaar. Daarbij wordt het niet minder complex indien patiënten - zoals klaagster in onderstaande tuchtzaak - zich doorgaans niet serieus genomen voelen als u als arts met een placebo komt aanzetten. Kortom, een echt dilemma. In hoeverre wellicht in concrete situaties wel enige inlichtingen kunnen worden verstrekt, zal van de meer specifieke situatie afhangen.
De aangeklaagde internist verving de pethidine-injecties vanwege - naar later bleek - de pijn bij de pancreatitis en pseudocystes abrupt door fysiologisch-zoutinjecties. Hij dacht dat de psychosociale component in hoofdzaak bepalend was voor haar pijn en wilde placebo uitproberen. Het Centraal Tuchtcollege was het er niet mee eens en legde hem de maatregel van waarschuwing op omdat patiënte recht had op adequate pijnstilling én omdat de internist een inconsistent en irrationeel pijnbestrijdingsbeleid had gevoerd. Alle medicatie in sterkte staand tussen fysiologisch zout en pethidine had hij overgeslagen.
In algemene zin ook een waarschuwing voor een vlucht naar de wél voor vergoeding in aanmerking komende sterkere en duurdere medicatie die onder het beleid van de huidige minister van VWS wel eens zou kunnen toenemen. Drie gram paracetamol dd blijft een vaak afdoende en uiteindelijk zeker voor de minister goedkope pijnstilling.



B.V.M. Crul, arts
Mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 22 januari 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2002/171 van: A, wonende te B, klaagster in eerste aanleg, appellante in hoger beroep, gemachtigde: mw. mr. E.P. van Dijk, als juriste verbonden aan C te Zwolle, tegen D, internist, wonende te E, verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep, gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, als jurist verbonden aan F te Amsterdam.


1. Verloop van de procedure
A - hierna te noemen klaagster - heeft
op 2 november 2001 bij het Regio-
naal Tuchtcollege te Groningen tegen internist D - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 juni 2002, onder nummer G2001/72 heeft dat College de klacht in haar beide onderdelen ongegrond verklaard en afgewezen. Voorts heeft het College bepaald dat deze beslissing ter publicatie wordt aangeboden.
Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 30 september 2003, waar zijn verschenen klaagster,
bijgestaan door mr. E.P. van Dijk en de arts, bijgestaan door mr. J.C.C. Leemans. Mr. Van Dijk heeft de zaak bepleit aan de hand van een aan het Centraal Tuchtcollege overgelegde pleitnota.


2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer
houden, zoals door het Regionaal Tuchtcollege zakelijk weergegeven, het volgende in.


‘De klacht
a. Verweerder heeft een verkeerd pijnbestrijdingsbeleid gevoerd en hij heeft klaagster niet serieus genomen in haar klachten. Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster onder de gegeven omstandigheden (langdurig) placebo-injecties heeft gegeven, en dan nog grotendeels in combinatie met pethidine-injecties, zonder hierover tevoren met klaagster te spreken.
b. Klaagster verwijt verweerder voorts dat hij niet eerder heeft ingegrepen waardoor een situatie ontstaan is waarin het risico zich voordeed van
ernstige complicaties, in dit geval een lijnensepsis. Met name toen bleek dat de pseudocysten in omvang bleven toenemen, hadden de mogelijke gevolgen hiervan met klaagster besproken moeten worden zodat zij wist waar zij aan toe was.


Het verweer
Kort samengevat bestrijdt verweerder de juistheid van de verwijten van klaagster en voert hij aan dat hij niet tekortgeschoten is in de behandeling van klaagster.’
2.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel:
‘a. Het is het College duidelijk geworden dat klaagster in 1996 een zeer moeilijke periode heeft doorgemaakt. Zij is langdurig ernstig ziek geweest en zij heeft in verband daarmee lange tijd in het ziekenhuis moeten verblijven als gevolg waarvan zij bovendien lange tijd haar pasgeboren baby niet kon verzorgen. Daarbij komt dat klaagster zich in deze periode in moeilijke privé-omstandigheden bevond, hetgeen ook verweerder bekend was.
b. Het college overweegt dat door verweerder is aangevoerd dat in de loop van de maand augustus 1996 bleek dat de amylasewaarden in de urine van klaagster daalden en dat dat er op duidde dat de pancreatitis aan het afnemen was. Desondanks hield klaagster (wisselende) pijn en vroeg in verband hiermee om een toenemende dosering pethidine. Er dreigde toen, aldus verweerder, een overdosering. Gelet op deze ontwikkelingen hield verweerder rekening met de mogelijkheid dat psychische stress pijn veroorzaakte bij klaagster. Verweerder verwijst daarbij naar de hiervoor sub 5 a beschreven omstandigheden. Volgens verweerder was het daarom - om een tweetal redenen - geïndiceerd om placebo-injecties te proberen: verweerder wilde de pethidinedosering verlagen in verband met het verslavingsrisico, terwijl hij voorts wilde nagaan of psychische stress de oorzaak, althans een component vormde bij de pijn. Indien dit laatste het geval was, was het de bedoeling van verweerder om de pijnbestrijding daarop te richten. Het College is van oordeel dat verweerder hiermee aannemelijke en redelijke gronden heeft gesteld om over te gaan tot toediening van de placebo-injecties. Dat verweerder dit (vooraf) niet kenbaar heeft gemaakt aan klaagster maakt de toediening van de placebo-injecties geenszins onaanvaardbaar, immers het vooraf aan klaagster kenbaar maken van het voornemen om placebo-injecties toe te dienen zou deze toediening zinloos maken. Bij dit oordeel tekent het College nadrukkelijk aan dat verweerder heeft gesteld dat hij op 14 augustus 1996 tegen klaagster heeft gezegd dat hij een ander middel tegen de pijn zou proberen (zonder de naam daarvan te noemen) om te bezien of dat tot vermindering van de pijn zou leiden.
Klaagster heeft niet betwist dat een dergelijke mededeling is gedaan door verweerder. Dat deze mededeling is gedaan door verweerder acht het College aannemelijk nu dit ook blijkt uit het (in het geding gebrachte) verpleegkundig verslag betreffende klaagster. Het college gaat er bij het voorgaande van uit dat verweerder in een later stadium aan klaagster heeft kenbaar gemaakt dat hij placebo-injecties heeft toegediend. Het College tekent daarbij ten slotte aan dat naar zijn oordeel in de gegeven omstandigheden geen ander relevant pijnbestrijdingsmiddel voorhanden was dat verweerder kon voorschrijven aan klaagster. De placebo-injecties zijn klaagster toegediend van 14 augustus tot 14 september 1996. Onweersproken is door verweerder gesteld dat hij op 30 augustus 1996 op vakantie is gegaan en dat de behandeling van klaagster toen is overgenomen door een collega-arts die vanaf dat moment ook de verantwoordelijkheid voor klaagster droeg. Toen verweerder op 14 september 1996 weer terugkwam van vakantie heeft hij de verantwoordelijkheid voor klaagster weer teruggekregen en heeft hij de toediening van de placebo-injecties beëindigd. Dit impliceert dat onder de verantwoordelijkheid van verweerder gedurende 16 dagen placebo-injecties zijn toegediend aan klaagster. Een periode van een dergelijke duur kan naar het oordeel van het College niet als te lang worden aangemerkt, terwijl uit het verpleegkundig rapport blijkt dat verweerder (op 19 augustus 1996) heeft aangegeven dat klaagster op de placebo (fysiologisch zout) goed reageerde.
De periode nadien neemt het College niet in aanmerking omdat verweerder immers toen geen verantwoordelijkheid droeg voor klaagster. Dat verweerder op 26 augustus 1996 besloot om - naast de placebo-injecties - de toediening van pethidine te hervatten oordeelt het
College niet als onzorgvuldig. Onweersproken heeft verweerder namelijk gesteld dat gebleken was dat het amylasegehalte van klaagster was gestegen. Dit duidde er op dat de pancreatitisproblemen zich verergerden, hetgeen de toediening van pethidine noodzakelijk maakte. Het eerste klachtonderdeel treft dus geen doel.’


Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel.
‘Het tweede klachtonderdeel slaagt evenmin. Daartoe overweegt het College als volgt.
Voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft de geneeskundige G op 16 september 2001 schriftelijk gerapporteerd over de behandeling door verweerder van klaagster. In zijn rapport, dat door verweerder is overgelegd, is onder meer het navolgende vermeld: “Dat zich
pseudocyste(n) aan het ontwikkelen waren, is door de behandelaars onderkend en door middel van opeenvolgende CT-scans gedocumenteerd. Een terughoudende opstelling is aangenomen en op goede gronden zoals boven aangegeven. Op 3 september 1996 werd middels CT-scanning gevonden, dat er in absolute zin toename was in omvang. Op zo’n moment mag men aannemen, dat van een spontaan verdwijnen zoals dat bij een groot aantal pseudocysten gebeurt, geen sprake meer zal zijn. Met andere woorden, dan moet men gaan overwegen de pseudocysten, dan wel endoscopisch dan wel chirurgisch
- afhankelijk van de localisatie, uitbreiding en expertise - te gaan draineren. Maar, zoals aangegeven, haast is daar niet bij tenzij er van infectie sprake is en daar was, in ieder geval tot kort voor de overplaatsing van patiënte naar H, nog geen sprake van. Bovenstaande overziende kan mijns inziens dus niet worden gezegd dat een eerdere heelkundige behandeling absoluut nodig was geweest. Dat men binnen sommige ziekenhuizen daar wel wat eerder toe overgegaan zou zijn, betekent niet dat de gekozen opstelling onaanvaardbaar zou zijn.”
In het rapport wordt geconcludeerd dat niet kan worden gezegd dat er niet voldoende zorgvuldigheid in acht zou zijn genomen bij de behandeling van klaagster. De bevindingen in het rapport, die het College overneemt, nu het College geen enkele reden heeft om de juistheid daarvan te betwijfelen, leiden ertoe dat er geen plaats is voor het verwijt dat verweerder te lang gewacht zou hebben met ingrijpen.
Het College is dus, alles overziende, van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het standpunt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest, zodat hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Nu ook het anders of meer door klaagster gestelde niet tot een ander oordeel leidt, zal de klacht in haar beide onderdelen als ongegrond moeten worden afgewezen.’


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In maart 1996 is klaagster, zij was toen zwanger, een weekend opgenomen geweest in het ziekenhuis I te E vanwege klachten van buikpijn en braken. Op 15 mei 1996 is klaagster bevallen van een dochter. Op 13 juli 1996 is in genoemd ziekenhuis de galblaas van klaagster verwijderd vanwege een ontsteking. Op 19 juli 1996 volgde ontslag uit het ziekenhuis maar op 23 juli 1996 werd klaagster daar opnieuw opgenomen vanwege aanhoudende ernstige klachten. Er blijkt sprake te zijn van een pancreatitis en pseudocysten. Klaagster krijgt in verband met haar pijnklachten de pijnstiller pethidine (25-200 mg per dag) toegediend.
Op 19 augustus 1996 is een beleid ingezet om in plaats van pethidine (als pijnstiller) fysiologisch zout als placebo-injectie toe te dienen. Dit beleid heeft voortgeduurd tot en met 14 september 1996. Vanaf 26 augustus is - naast fysiologisch zout - ook weer pethidine gegeven.
Een op 2 augustus 1996 gemaakte CT-scan laat een drietal grote pseudocysten zien (doorsnedes: 7,5 cm, 5 cm en 5 cm). Op 3 augustus 1996 is een centraal-veneuze katheter in de vena subclavia ingebracht en vanaf 9 augustus 1996 wordt klaagster totale parenterale voeding gegeven. Een op 21 augustus 1996 van de bovenbuik van klaagster gemaakte echo vertoont een groot cysteus proces (19 x 7,5 cm), terwijl een op 3 september gemaakte CT-scan duidelijk maakt dat de omvang van de cysten (in de rechterbuikhelft) aanzienlijk toegenomen is. De grootste cyste is op dat moment 8,5 x 14 cm.
De opnameperiode in I kenmerkt zich voor klaagster door veel pijnklachten, passageklachten, misselijkheid, braken en diarree. Voorts zijn er voedings- en vochtproblemen. Op 4 oktober 1996 ontstaat bij klaagster een lijnsepsis en op 5 oktober 1996 blijken de bloedkweken positief voor S. aureus. Op eigen verzoek is klaagster op 6 oktober 1996 overgeplaatst naar het ziekenhuis te H.
In de periode van 30 augustus 1996 tot 14 september 1996 was de arts met vakantie en is de behandeling van klaagster overgenomen door een collega. Na zijn terugkeer heeft de arts de toediening van placebo-injecties onmiddellijk gestaakt.


4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1  Klaagster heeft in hoger beroep - kort samengevat - de volgende grieven geuit.
Ten eerste verwijt klaagster de arts dat hij onder de gegeven omstandigheden placebo’s aan klaagster heeft toegediend, dat hij dit in de vorm van injecties heeft gedaan, dat dit langdurig is gebeurd en dat dit gedurende enige tijd is gegeven in combinatie met de pijnstiller. Voorts verwijt klaagster de arts dat hij een verkeerd pijnbestrijdingsbeleid heeft gevoerd en klaagster niet serieus heeft genomen in haar klachten.
Ten tweede verwijt klaagster de arts dat hij niet eerder heeft ingegrepen waardoor een situatie is ontstaan waarin het risico van het zich voordoen van ernstige complicaties, in dit geval een lijnsepsis, steeds grotere kans kreeg zich te realiseren. Met name toen bleek dat de pseudocysten in omvang toenamen, hadden met klaagster de mogelijke consequenties hiervan besproken moeten worden, zodat zij wist waar zij aan toe was en wat haar mogelijkerwijs te wachten stond.
De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie tot verwerping van het beroep.


4.2 Met betrekking tot de eerste grief merkt het Centraal Tuchtcollege het volgende op:
4.2.1 Voor wat betreft het verwijt dat de arts onder de gegeven omstandigheden placebo-injecties heeft gegeven, stelt de arts hiertoe besloten te hebben in verband met enerzijds het aanwezige verslavingsrisico voor pethidine en anderzijds de sociale problematiek bij klaagster. Gelet op de lage dosering en de relatief korte tijdspanne dat klaagster pethidine voorgeschreven kreeg totdat op 19 augustus 1996 werd overgegaan op placeboverstrekking, lijkt het niet voor de hand liggend dat het gevaar van verslaving reeds toen een acuut probleem dreigde te worden. Dat de keuze van de arts om over te gaan tot placeboverstrekking in samenhang bezien moet worden met een eventuele verslavingsproblematiek acht het Centraal Tuchtcollege dan ook niet aannemelijk. De in dit verband opgeworpen vraag of klaagster nu wel of niet om pethidine heeft gevraagd, kan in het midden blijven daar met name uit de verpleegkundige rapportage blijkt dat klaagster ten gevolge van de pancreatitis en de pseudocysten veel pijnklachten had en derhalve aanspraak kon maken op pijnstilling. Aangezien de arts geen duidelijk verband zag tussen enerzijds de pijnklachten van klaagster en anderzijds het ziektebeloop was begrijpelijk dat de arts zocht naar andere oorzaken van de pijnklachten en daarbij gedacht heeft aan de psychosociale component. Hierbij past dat hij heeft gezorgd voor psychosociale begeleiding door een maatschappelijk werkster. Daarin kan echter geen rechtvaardiging worden gevonden voor vervanging van pijnstilling door placebotoediening.
Ten aanzien van de vraag of er vooraf door de arts voorlichting over de behandelmethode gegeven had moeten worden en of er dus sprake is geweest van ‘informed consent’, merkt het Centraal Tuchtcollege het volgende op.
Het begrip ‘informed consent’ verwijst naar de eis dat voor elke medische verrichting toestemming moet worden gegeven door de patiënt, en dat die toestemming wordt gegeven op basis van voldoende informatie. Conform artikel 448 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (WGBO) (voorheen was dat artikel 1653b BW) dient de hulpverlener de patiënt adequaat te informeren. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989, 21 561, nummer 3) bij dit wetsartikel staat over het gebruik van placebo’s:
‘Bij sommige behandelvormen is het niet weten een belangrijk onderdeel van de behandeling, bijvoorbeeld bij het toedienen van placebo’s of bij vormen van psychotherapie die erop gericht zijn door het niet verstrekken van informatie de patiënt te dwingen zelf antwoorden op bepaalde vragen te formuleren. Het eerste lid van het onderhavige artikel brengt met zich mee dat bij behandelvormen als hier bedoeld de patiënt moet weten dat een dergelijke behandeling wordt gegeven. Gaat de patiënt daarmee akkoord, dan hoeft de hulpverlener vervolgens uiteraard niet meer te zeggen wanneer precies de placebo is verstrekt of wat de bevindingen van de hulpverlener tijdens de psychotherapie zijn. Wanneer in de gegeven voorbeelden de behandeling is afgerond heeft een patiënt wel recht op informatie.’
Van belang is dus dat de patiënt moet weten dat een dergelijke behandeling wordt gegeven en dat de patiënt slechts in het ongewisse wordt gelaten over het moment waarop de placebo wordt verstrekt. Na afloop wordt de patiënt geïnformeerd. Uit het verpleegkundig dossier blijkt dat de arts op 14 augustus 1996 aan klaagster door de verpleging heeft laten uitleggen dat hij een ander medicijn zou gaan proberen. De merknaam werd, toen klaagster ernaar vroeg, in het midden gelaten en ook toen klaagster suggereerde dat het wel (fysiologisch) zout zou zijn, werd haar niet verteld dat het om een placebo ging. Voorts blijkt uit de stukken niet dat de arts in een later stadium klaagster over het placebogebruik heeft geïnformeerd.
Niettegenstaande de goede bedoelingen van de arts acht het Centraal Tuchtcollege dit onvoldoende informeren van klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit geldt te meer daar dit achterhouden van informatie bij klaagster, blijkens (m.n.) het verpleegkundig dossier, heeft geleid tot een gevoel van niet serieus genomen te worden waaruit wantrouwen jegens de arts en een deel van de verpleging volgde. Zo staat in het verpleegkundig rapport bij 15 augustus 1996 geschreven dat: ‘klaagster een extra gesprek wilde hebben met de internist aangezien ze zich niet erg serieus genomen voelde inzake de pijnmedicatie’. Het Centraal Tuchtcollege acht aannemelijk dat de twijfels van klaagster met betrekking tot de injecties, de arts bereikt moeten hebben. Al met al heeft dit de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt ongunstig beïnvloed. Het namens de arts ter zitting van het Centraal Tuchtcollege gevoerde verweer dat de WGBO pas in 1995, derhalve een jaar eerder in werking was getreden, doet aan het bovenstaande niets af. De arts had zich na de inwerkingtreding op de hoogte moeten stellen van de strekking en de inhoud van deze wet. Daar komt bij dat de in de wet neergelegde informatieplicht ook reeds vóór de inwerkingtreding van de wet behoorde tot het binnen de beroepsgroep aanbevolen beleid.
4.2.2 Het feit dat de placebo per injectie werd toegediend levert - naast de keuze voor een placebo - een zelfstandig verwijt op nu dit een onnodige extra belasting betekende voor klaagster.
4.2.3 Vaststaat dat klaagster op 14 augustus 1996 eenmalig en vanaf 19 augustus 1996 dagelijks fysiologische zout (placebo) kreeg toegediend. De placebo-injecties zijn klaagster dagelijks toegediend van 19 augustus 1996 tot 14 september 1996, vanaf 26 augustus 1996 naast pethidineverstrekking. Van 30 augustus 1996 tot 14 september 1996 was de arts op vakantie en viel klaagster onder de verantwoordelijkheid van een collega. Derhalve was de arts direct verantwoordelijk voor een periode van ongeveer 11 dagen gedurende welke de placebo werd verstrekt. Bovendien is de overdracht door de arts niet goed verlopen aangezien de placeboverstrekking gedurende de vakantie van de arts door diens collega is gecontinueerd. De arts heeft pas na van vakantie te zijn teruggekeerd de placeboverstrekking beëindigd.
4.2.4 Evenals het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege de beslissing van de arts om op 26 augustus 1996 de toediening van pethidine naast de placebo-injecties te hervatten op zichzelf niet onzorgvuldig.
Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is, met name gelet op de stijging van de amylasewaarden en de temperatuurstijging bij klaagster op genoemde datum, verdedigbaar dat de arts wederom startte met de toediening van pethidine aangezien de gemeten waarden konden duiden op verergering van de pancreatitisproblematiek.
4.2.5 Al met al is het Centraal Tuchtcollege, gezien de temperatuurlijsten waarop de toegediende medicatie staat vermeld, van oordeel dat de arts een inconsistent en irrationeel pijnbestrijdingsbeleid heeft gevoerd. Zo werd de pijnstiller pethidine in een te lage dosering gegeven. Klaagster kreeg 25-200 mg per dag terwijl 350 mg verdeeld over 6
giften een gemiddelde dagdosering is. Daarnaast zijn andere (eenvoudige) pijnstillers zoals paracetamol vrijwel achterwege gelaten. Rekening houdende met het feit dat de weergave van de medicijnverstrekking in de verpleegkundige rapportage enerzijds en de temperatuurlijsten met daarop de geneesmiddelenverstrekking anderzijds niet geheel corresponderen, acht het Centraal Tuchtcollege ook het abrupt stoppen met de verstrekking van pethidine op 19 augustus 1996, zonder dat er sprake is van een deugdelijke gefaseerde afbouw van deze pijnstiller, tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.2.6 Gelet op het bovenstaande slaagt de eerste grief op meerdere onderdelen.


4.3 Met betrekking tot de tweede grief merkt het Centraal Tuchtcollege het volgende op:
4.3.1 Met het Regionaal Tuchtcollege (en daarmee tevens met G blijkens diens rapport) is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het afwachtende beleid dat de arts heeft gevolgd verdedigbaar is. Naar uit het ter zitting in hoger beroep door de arts verklaarde blijkt, is van doorslaggevend belang geweest de conditie van klaagster en de ‘rijping’ van de cysten. De termijn van 6 weken van ‘rijping’ alvorens een invasieve chirurgische behandeling of een punctie kan worden overwogen is in deze reëel en niet ongebruikelijk. Het Centraal Tuchtcollege acht het volgen van een afwachtend beleid, gelet op het bovenstaande, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.3.2 Het ware beter geweest indien de arts klaagster had geïnformeerd omtrent de toename van de omvang van de pseudocysten. Desalniettemin acht het Centraal Tuchtcollege begrijpelijk dat de arts ervoor heeft gekozen om klaagster niet ook nog eens te belasten met deze informatie. Deze ernstig zieke patiënte worstelde niet alleen met haar ziekte maar had ook verstrekkende privé-problemen. Dat de arts klaagster wat de pseudocysten betreft niet duidelijk heeft ingelicht acht het Centraal Tuchtcollege dan ook onvoldoende om een tuchtrechtelijk verwijt te dragen.
4.3.3 Dat, zoals klaagster stelt, er door het volgen van een afwachtend beleid een situatie is ontstaan waarin het risico van het zich voordoen van ernstige complicaties een steeds grotere kans kreeg zich te realiseren, is op zichzelf bezien juist. Daarbij moet echter worden bedacht dat de arts een keuze heeft moeten maken tussen twee kwade mogelijkheden. De arts moest kiezen tussen enerzijds het voeren van een afwachtend beleid met het inherente risico op complicaties en anderzijds ingrijpen door middel van een operatie maar dan van een patiënt in een slechte algehele conditie. De kans op reactivering van de pancreatitis was bij te snel ingrijpen groot. Bij het maken van deze beleidskeuze speelt ook de ‘rijping’ van de cysten een rol. Dat de arts heeft gekozen voor een afwachtend beleid en daarmee de kwade kans dat zich complicaties zouden voordoen acht het Centraal Tuchtcollege in dit licht bezien niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat zich uiteindelijk een lijnsepsis heeft voorgedaan doet hieraan niets af.
4.3.4 Ten slotte is het Centraal Tuchtcollege, anders dan klaagster, van oordeel dat het rapport van G wel voldoet aan de in het tuchtrecht algemeen aanvaarde normen. Dit leidt derhalve tot de conclusie dat, naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, bij de beoordeling van de klacht op het onderhavige rapport een beroep kan worden gedaan.
4.3.5 Gelet op het bovenstaande faalt de tweede grief in al haar onderdelen.


4.4  Het voorgaande betekent dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege moet worden vernietigd en dat de oorspronkelijke klacht wat betreft het eerste klachtonderdeel gegrond moet worden geacht. Op gronden aan het algemeen belang ontleend bepaalt het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 71 Wet BIG dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
verklaart de klacht op het eerste klachtonderdeel alsnog gegrond;
legt aan de arts deswege de maatregel van waarschuwing op;
wijst de klacht voor het overige af;


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, voorzitter; mr. P.M. Brilman, mr. G.Chr. Kok, leden-juristen; J.S. Pöll, dr. T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten; mr. H.J.
Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2004, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris. 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd