MC 19-Niet blij met elkaar
| Publicatie | Nr. 19 - 05 mei 2004 |
|---|---|
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
| Auteur | B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen |
Soms klikt het niet tussen een arts en een patiënt. We waren niet blij met elkaar, verwoordde de aangeklaagde bedrijfsarts dit in onderstaande casus. Voor het ontbreken van blijdschap aan de kant van de klaagster had hij dan ook aanleiding gegeven.
Terwijl de bedrijfsarts aanvankelijk akkoord ging met psychologische trainingen van een wegens burn-out (de arts sprak zelf overigens van surmenage) uitgevallen verpleegkundige, sloeg hij na acht sessies om als een blad aan de boom. Hij adviseerde toen in een brief aan de verzekeringsgeneeskundige om de verdere behandeling niet te vergoeden, omdat dit bij haar een uitzichtloze vorm van reïntegratie zou zijn. Hij putte uit een hem vertrouwelijk toegezonden tussenrapportage van de psycholoog, van wie hij trouwens geen al te hoge dunk had. Ook gaf hij de verzekeringsarts informatie over ergeniswekkend gedrag van de verpleegkundige, hetgeen hem van werkgeverszijde was aangedragen. Hij besprak dat alles níet met de werkneemster.
Ter zitting bestempelde de bedrijfsarts dit zelf als niet sterk. Dat oordeel sprak het Regionaal Tuchtcollege niet tegen, integendeel. De bedrijfsarts kreeg de maatregel van waarschuwing omdat hij achter de rug van patiënte om en met een matige onderbouwing zijn stevige koerswijziging inzette. Hij had professioneel en door zijn eigen voordelen heen, patiënte moeten begeleiden en zich niet moeten terugtrekken op zijn formele eilandje.
Een arts hoeft niet per se blij te zijn met een patiënt. Het vergt kunst van het genezen om daar dan toch professioneel mee om te gaan.
B.V.M. Crul, arts
mr. w.p. Rijksen
Uitspraak Regionaal Tuchtcollege te Groningen d.d. 8 december 2003
Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 14 april 2003 binnengekomen klacht van: mw. A, wonende te B, klaagster; tegen C, als bedrijfsarts verbonden aan D te E, verweerder;
1. Verloop van de procedure
Het College heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen d.d. 8 april 2003, ontvangen door het secretariaat van het College op 14 april 2003;
- een brief van de secretaris van het College aan klaagster d.d. 15 april 2003;
- een aanvulling van de klacht d.d. 22 april 2003;
- een verweerschrift d.d. 2 mei 2003;
- een repliek d.d. 7 juni 2003;
- een dupliek d.d. 2 juli 2003;
- een brief van de secretaris van het College aan klaagster d.d. 10 juli 2003;
- een brief van klaagster aan de secretaris van het College d.d. 18 juli 2003;
- een brief zijdens klaagster d.d. 17 juli 2003;
- een brief zijdens verweerder d.d. 25 september 2003;
- een brief zijdens verweerder d.d. 6 oktober 2003;
- een brief van de secretaris van het College aan verweerder d.d. 15 oktober 2003;
- een brief zijdens klaagster d.d. 14 oktober 2003;
- een brief zijdens klaagster d.d. 19 oktober 2003;
- een brief van de secretaris van het College aan klaagster d.d. 20 oktober 2003.
Ingevolge het bepaalde in artikel 66 van de Wet BIG is door de voorzitter van het College een vooronderzoek gelast. In het kader van dit vooronderzoek is partijen de gelegenheid geboden te worden gehoord. Daarvan is door partijen geen gebruikgemaakt.
De klacht is behandeld ter zitting van het College op 27 oktober 2003. Partijen zijn in persoon verschenen, klaagster vergezeld van haar echtgenoot.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2. De feiten
Klaagster, als verpleegkundige reeds meer dan twintig jaar in dienst bij de Stichting F, heeft zich begin oktober 2000 ziek gemeld en kwam een jaar later vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100% in de WAO wegens een burn-out.
Van december 2001 tot en met januari 2003 heeft zij op advies van de aan G verbonden verzekeringsgeneeskundige H een burn-outtraining gevolgd bij de psychologengroep I te E.
Verweerder is in zijn hoedanigheid van bedrijfsarts bij de D te E met deze I-training akkoord gegaan en F heeft op zijn advies I de opdracht tot behandeling van klaagster gegeven, met de mededeling dat de kosten van de training, die 21 sessies zou omvatten, zouden worden vergoed.
Op 23 april 2002, na een tussenrapportage vanwege de psychologengroep, en op een moment waarop klaagster 8 trainingsbijeenkomsten achter de rug had en er nog 13 sessies waren te gaan, heeft verweerder een brief met de volgende inhoud geschreven aan de verzekeringsgeneeskundige H:
Geachte collega,
Op 18 april 2002 hebben wij in het SMT-overleg de reïntegratie van mevrouw A uitvoerig besproken met haar leidinggevende, arbeidsdeskundige, PZ functionaris en ondergetekende.
Op basis van de rapporten van I heb ik moeten constateren dat het onderzoeksrapport van 1 november 2001 nog
optimistisch spreekt van terugkeer in haar eigen werk. Het rapport van 18 maart 2002 spreekt, na behandeling, van een matige prognose wat betreft terugkeer in haar eigen werk.
Op basis van deze informatie heb ik F geadviseerd niet in te stemmen met een eventuele betaling van een vervolgbehandeling van I, mocht I hierom verzoeken. Behandeling door I brengt reïntegratie bij F geen stap verder.
Daarnaast is gebleken dat, hoewel vriendelijk verzocht is aan betrokkene uitsluitend via de leidinggevende te communiceren, belanghebbende functionarissen van F bestookt met brieven, wat mogelijk vanuit haar ziektebeeld wel verklaarbaar is, maar die de relatie met haar werkgever verstoren.
Mevrouw A gedraagt zich daarnaast op een dusdanig inhoudelijke wijze in deze brieven dat van een normale relatie werkgever/werknemer nauwelijks meer sprake is.
Ik verzoek je derhalve, vanwege genoemde redenen, de reïntegratie bij F als uitzichtloos te beschouwen, zoals door het SMT-overleg unaniem is vastgesteld.
Kopie van deze brief is verzonden aan F.
Klaagster bleef van deze brief onkundig totdat zij deze naderhand aantrof bij de stukken betrekking hebbend op een aanvraag tot het verlenen door het CWI van een ontslagvergunning wegens het twee jaar voortduren van arbeidsongeschiktheid. De gevraagde vergunning is geweigerd wegens het ontbreken van goede reïntegratiepogingen.
3. De klacht
Klaagster is er tijdens de schriftelijke procedure naar aanleiding van door haar nog aangekondigde andere aspecten van haar klacht op gewezen dat deze, teneinde bij de beoordeling een rol te kunnen spelen, dienden te worden kenbaar gemaakt. Ook is zij naar aanleiding van haar dupliek uitgenodigd nadere opening van zaken te geven. Dit heeft ertoe geleid dat klaagster gaandeweg vele aspecten naar voren heeft gebracht. In de lijn van het verhandelde aan het begin van de mondelinge behandeling, als hierna weergegeven in het begin van paragraaf 5 van deze beslissing, wordt ervan afgezien klaagsters grieven in extenso te herhalen.
De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Klaagster is gegriefd doordat achter haar rug om informatie over haar naar derden is doorgezonden, en meent dat verweerder de op hem rustende geheimhoudingsplicht heeft geschonden met het schrijven van de brief d.d. 23 april 2002. Hij heeft tijdens de gehele burn-outtraining geen contact met haar gezocht. Zij begrijpt niet dat hij al na 8 trainingsbijeenkomsten een conclusie heeft getrokken en zijn advies heeft gegeven, en plaatst vraagtekens bij de verdere inhoud van de brief. Zij acht het onjuist dat negatieve informatie over haar aan de verzekeringsgeneeskundige is doorgegeven zonder dat dit met haar is besproken. Zij meent dat de vertrouwensrelatie met verweerder hierdoor is beschadigd. Tijdens een later gesprek op 6 februari 2003 reageerde hij op een wijze die van weinig begrip en betrokkenheid getuigde, en weigerde hij op aspecten die klaagster griefden in te gaan.
Klaagster heeft ter zitting nog eens een overzicht gegeven van allerlei aspecten ten aanzien waarvan verweerder naar haar inzien als bedrijfsarts is tekortgeschoten. Zij is gegriefd over zijn optreden en heeft zich aan haar lot overgelaten gevoeld. Toen naar haar mening de kans op terugkeer naar de werkgever heel redelijk was, tijdens de tussenrapportage, haakte verweerder af. Zij heeft vertrouwen in zichzelf en in terugkeer naar haar werk behouden.
4. Het verweer
Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Als ervaren bedrijfsarts heeft verweerder in maart 2002, toen klaagster nog onveranderd geheel arbeidsongeschikt bleek te zijn (na een eerder reïntegratietraject waarbij klaagster driemaal 4 uur per week werkte in een aangepaste functie, maar waarna zij zich weer geheel arbeidsongeschikt had gemeld en I was ingeschakeld) geoordeeld dat na een dusdanig lange periode van arbeidsongeschiktheid - gevoegd bij haar (in de woorden van de psychologen) distantie ten aanzien van het werk - reïntegratie bij F onmogelijk was geworden. Aldus heeft hij het Sociaal Medisch Team (hierna te noemen: SMT) ingelicht en vervolgens de visie van het SMT aan de verzekeringsgeneeskundige van G kenbaar gemaakt.
Na ruim onderzoek en zoeken in documentatie kon hij tot geen andere diagnose komen dan surmenage. Ook nu nog meent verweerder dat de diagnose burn-out onvoldoende gefundeerd is.
Omdat de exacte aard van de verschijnselen te onduidelijk was, verwees hij klaagster naar de casemanager, in de hoop dat die tot meer dan alleen een burn-out zou komen.
Klaagsters reïntegratie vroeg van alle betrokkenen nogal wat tijd en moeite. Omdat klaagster op elke slak zout legde, is ergens genoteerd dat men heel zorgvuldig moest zijn. Door de omstandigheden zoals die zich voordeden, is de brief d.d. 23 april 2002 noch met klaagster besproken noch aan haar meegegeven of toegezonden; dat is niet sterk. Eerder dat jaar had klaagster al aangegeven dat ze in therapie ging en niet graag op zijn spreekuur verscheen.
Hij had toen meegedeeld dat hij wel zou volgen wat er gebeurde via I. Klaagster en hij waren niet blij met elkaar, ze was bij hem nooit openhartig. Daarom hoopte hij dat de casemanager meer uit haar zou krijgen.
Vaak wordt de diagnose burn-out gekoppeld aan ga maar een poos thuiszitten. De diagnose moet echter wel
worden gesteld door een deskundige (bedrijfsarts of psychiater). In casu kwamen drie bedrijfsartsen niet op deze diagnose. Surmenage is zeer wel mogelijk ook bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Verweerder heeft zich op een gegeven moment teruggetrokken in zijn rol van procesbewaker. Hij heeft aan het SMT gemeld het met de diagnose niet eens te zijn, maar er eerst wel in mee te willen gaan. Hij vond het toen ook nog niet zo belangrijk wat de diagnose was.
5. Beoordeling van de klacht
1. Het College heeft kennisgenomen van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen.
2. Zoals ter zitting met partijen is besproken en met hun instemming is geschied, zal de klacht worden beoordeeld en besproken zoals deze is teruggebracht tot zijn essentie:
het zenden van een brief door verweerder aan de verzekeringsgeneeskundige H, met een inhoud als daarin vermeld, zonder dat de inhoud daarvan en het daarin uitgesproken oordeel met klaagster zijn besproken en zonder dat zij over bestaan en inhoud van de brief is ingelicht, en dat alles onder de omstandigheden zoals deze zich toen voordeden;
klaagster meent dat verweerder daarbij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en is voorts gegriefd over de manier waarop verweerder is omgegaan met het bij haar bestaande ziektebeeld.
3. Het College begint met vast te stellen dat verweerder aanvankelijk meeging in een benadering waarbij klaagster een burn-outtraining ging volgen, zoals geadviseerd door de WAO/AAW-arts, waarbij verweerder ook aan werkgever F positief heeft geadviseerd ter zake van opdracht tot behandeling, en vergoeding.
Toen echter op een gegeven moment, na een tussenrapportage op het tijdstip dat bijna de helft van de training achter de rug was, verweerder van de training geen verder heil verwachtte met betrekking tot reïntegratie bij de werkgever (of hij dat juist zag, laat het College nu maar in het midden) en hij tot een nogal stevige koerswijziging kwam en meende conform te moeten adviseren, had hij als bedrijfsarts klaagster daarbij dienen te betrekken.
Dat dit niet gemakkelijk zou zijn geweest en mogelijk tot discussie had geleid waar verweerder niet naar uitzag
- of erg tegenop zag - is niet relevant.
4. Duidelijk is geworden dat verweerder het met klaagster oneens was - en nog steeds is - over de aandoening die leidde tot ziekte-uitval en arbeidsongeschiktheid. Klaagster spreekt van een burn-out, verweerder geeft aan meermalen op een surmenage in plaats van op een burn-out te zijn gestuit; ook uit de bevindingen van andere betrokken professionals kan hij geen burn-out destilleren.
Verweerder zegt te hebben gehoopt dat de case-manager naar wie hij klaagster had verwezen, in overleg met haar tot meer dan een burn-out zou kunnen komen, maar zag die hoop niet bewaarheid.
Ook de verzekeringsgeneeskundige van G ging uit van een burn-out; hij adviseerde klaagster de trainingsbijeenkomsten van de psychologengroep I te volgen, wat zij vanaf begin december 2001 gedaan.
Verweerder heeft wel duidelijk gemaakt dat hij met dit ziektegeval in zijn maag zat en te beseffen dat het
tijdens de burn-outtraining van klaagster door en bij de psychologengroep I, veranderen van koers en het zonder overleg met klaagster via het SMT benaderen van de verzekeringsgeneeskundige op een wijze en met een standpunt als verwoord in de brief van 23 april 2002, niet sterk is.
Dit acht het College een juist inzicht.
5. Als bedrijfsarts had verweerder klaagster van zijn gewijzigd inzicht op de hoogte dienen te stellen, hij had het ook behoren toe te lichten, en hij had klaagster gelegenheid dienen te geven haar visie naar voren te brengen. Dan was voor haar duidelijk geweest waar de arts stond als het ging om reïntegratie en vergoeding van een eventueel vervolgtraject bij I; nu ontbrak die kennis en moest zij later bij toeval vernemen wat er achter haar rug om gebeurd was en gebeurde.
6. Ook in ander opzicht kan de brief d.d. 23 april 2002 de toets der kritiek niet doorstaan. Het stond verweerder niet vrij om te citeren uit tussenrapportage van I die hem vertrouwelijk was toegezonden, en het gaf ook geen pas om aan de verzekeringsgeneeskundige door te geven wat functionarissen van de werkgever hem kennelijk hadden verteld over het bestookt worden met brieven, en dergelijke. De vraag rijst daarbij hoe professioneel klaagster besproken is in het SMT, maar daarin zal het College niet hoeven te treden.
7. Verweerder is tekortgeschoten in de begeleiding van klaagster.
Hij heeft zijn slechte contact met haar niet bespreekbaar gemaakt, is tijdens een aanvankelijk door hem gesteunde aanpak radicaal van koers veranderd zonder dit met haar te bespreken, zonder haar in te lichten, terugvallend op zijn formele positie en formele kaders (al schreef ook het toepasselijk reglement een andere aanpak voor). Hij heeft zich daarbij laten meeslepen waar het ergernis betrof over vermeend door klaagster bestoken van personen met brieven en nam aldus over wat hij kennelijk in het SMT hoorde van werkgeverszijde.
Uit niets blijkt dat verweerder zijn opvattingen en twijfels over de diagnose heeft besproken met andere betrokken deskundigen, bijvoorbeeld de verzekeringsgeneeskundige; hij heeft zich ook in dit opzicht autonoom opgesteld en had kennelijk weinig dunk van de aanpak bij het I (bekende psychologenpraat). Dat klaagster zich bij deze aanpak en houding min of meer aan haar lot overgelaten heeft gevoeld en het gevoel kreeg dat zij aan de kant werd gezet, is zonder meer begrijpelijk.
8. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat verweerder enerzijds wel beseft hoe het in casu had gemoeten, maar anderzijds geen kans heeft gezien om vanuit zijn positie en verantwoordelijkheid adequaat en naar behoren - dus als een professional - om te gaan met de problemen waarmee hij zich zag geconfronteerd. Hij is als bedrijfsarts tekortgeschoten en heeft zijn toevlucht gezocht tot en zich teruggetrokken in een formele afdoening. Zelfs nu klaagster (ter zitting) aangeeft de opgaande lijn te pakken te hebben en tegen werkhervatting aan te zitten, en ondanks dat hij zelf volmondig aangeeft dat de deur voor klaagster bij F weer wagenwijd openstaat, houdt verweerder vast aan zijn destijds gehanteerde en doorgezette opvattingen en diagnose.
9. Klaagsters grieven zoals eerder samengevat, zijn op zijn plaats.
Het College zal daarom de klacht gegrond verklaren. Dit moet leiden tot oplegging van een maatregel. Verweerder krijgt een waarschuwing.
6. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege te Groningen;
Verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op.
Aldus gegeven door mr. T. Duursma, voorzitter; drs. F.B. Kaufmann, lid-geneeskundige; drs. R. van der Eijk,
lid-geneeskundige; mw. drs. E.M. ter Braak, lid-geneeskundige; mw. mr. F. de Jong, lid-jurist; bijgestaan door mr. J.Sj.
Dijkstra, secretaris, en uitgesproken op 8 december 2003 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



