U bent nu hier:

MC 21-Ongepaste dreigementen

Publicatie Nr. 21 - 19 mei 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen

Een huisarts heeft haar eerste nachtdienst op een dokterspost. Zij is niet ingewerkt. Het computersysteem werkt niet. Haar eveneens dienstdoende collega is en route. Kort voor middernacht wordt zij gebeld door een man met herhaalde pijn op de borst die na gebruik van paracetamol niet overging. ‘Kunnen geen hartklachten zijn’, antwoordt de arts op afstand. De ambulance - die later door de patiënt wordt gebeld - rijdt vreemd genoeg niet uit. Argument? Het vehikel had als eens eerder
‘voor niets’ bij patiënt op de stoep gestaan. Een antwoord waarmee ook de arts zich verder in slaap laat sussen.
Om zeven uur de volgende ochtend wordt er nogmaals opgebeld, nu door de moeder van de patiënt. Als pseudo-creatieve oplossing geeft de later aangeklaagde huisarts het privé-telefoonnummer van de eigen huisarts van haar zoon aan de moeder door. Aangekomen bij haar zoon, vindt de moeder hem echter dood in zijn rolstoel. Tot overmaat van ramp probeert een gemachtigde van de huisarts de familie van de dode te intimideren (‘valse aangifte’) met de bedoeling dat zij de tuchtzaak tegen de huisarts intrekken.
Zowel het Regionaal als het Centraal Tuchtcollege laat zich echter niet intimideren en legt de huisarts de maatregel van berisping op. Mocht deze huisarts de gewraakte eerste zelfstandige nachtdienst hebben gehad in aansluiting op haar huisartsenopleiding, dan vragen wij ons af wat ze in die drie jaar heeft geleerd. Of heeft ze nooit dienst mogen of willen doen?


B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 3 februari 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2003/055 van A, huisarts, wonende te B, appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde C, tegen D, wonende te E, verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg.


1. Verloop van de procedure
D - hierna te noemen klaagster - heeft op 18 juni 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 november 2002 heeft dat College de arts de maatregel van berisping opgelegd.
De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 december 2003, waar zijn verschenen de arts, bijgestaan door haar gemachtigde, en klaagster. Partijen hebben hun zaak bepleit. Door de gemachtigde van de arts is het standpunt van de arts bepleit aan de hand van een nadien door hem overgelegde pleitnotitie. Tevens is van de zijde van de arts een op schrift gestelde verklaring van een collega-huisarts, de heer F, overgelegd omtrent diens ervaringen als huisarts met hulpvragen van de patiënt.


2. Beslissing in eerste aanleg
De in eerste aanleg ingediende klacht bestaat, verkort en zakelijk weergegeven, uit twee onderdelen:
1. dat verweerster patiënt na het eerste telefoontje in de nacht van 9 op 10 mei 2001 medische zorg heeft onthouden, en
2. dat verweerster toen haar na het telefoontje van de moeder van patiënt duidelijk was dat de situatie ernstig was, nog steeds geen actie heeft ondernomen.


Het daartegen gevoerde verweer houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in. 


Verweerster betreurt het overlijden van patiënt en het gebeuren in de bewuste nacht zeer, maar is van oordeel dat haar tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt.
Gegeven de volgende omstandigheden is zij van mening dat zij als goed hulpverlener heeft gehandeld. Het was haar eerste nacht als wachtdokter. Zij was niet ingewerkt en het computersysteem werkte niet, waardoor zij geen beschikking had over gegevens van patiënt. Haar collega-wachtdokter was zowel bij het eerste telefoontje rond middernacht als rond 7.00 uur weg, waardoor zij zelf op de dokterspost moest blijven om de telefoon te kunnen beantwoorden. De ambulancedienst, die op de hoogte was van de medische problemen van patiënt, koos ervoor die nacht niet uit te rijden en heeft ook haar niet gevraagd om te gaan.


Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


ad klachtonderdeel I
Het college stelt voorop dat bij de beoordeling van het handelen/nalaten van verweerster uitsluitend moet worden uitgegaan van de gegevens met betrekking tot patiënt waarover verweerster de beschikking had in de betreffende nacht. Dit zijn in de eerste plaats met name de mededelingen die patiënt zelf aan haar heeft gedaan, zoals door verweerster (onweersproken) aangegeven in haar bij het verweerschrift gevoegde verslag en die hiervoor onder de feiten zijn opgenomen. Verweerster stelt zelf in haar verweerschrift dat ‘geen enkele redelijk bekwaam arts ( ... ) met de antwoorden van patiënt G  - Ik ben blind en zit in een rolstoel - een goede inschatting kan maken van de hulpvraag en een goede diagnose kan maken’. Vervolgens meent zij dat zij bij dit gebrek aan informatie van en over patiënt zelf (de computer kon niet worden gebruikt om de medische status van patiënt in te zien) mocht afgaan op de mededelingen van de verpleegkundige van de ambulancedienst, die patiënt kende en hem al eerder met andere klachten en achteraf gezien nodeloos hadden opgehaald. Met klaagster is het college van oordeel dat verweerster hiermee miskent dat het haar verantwoordelijkheid is zich ervan te vergewissen of en in hoeverre patiënt medische zorg behoefde en dat zij, hoewel niet onbegrijpelijk dat zij zich heeft laten geruststellen door de mededelingen van de ambulancedienst, zich niet kan verschuilen achter hun beoordeling van de ernst van de situatie. Verweerster had juist met het oog op de door patiënt aan haar gedane mededelingen - pijn op de borst in rust ontstaan, die na het gebruik van paracetamol niet overging, al tweemaal eerder gehad in de afgelopen maand - in ieder geval haar collega-wachtdokter, die en route was, moeten bellen en ervoor moeten zorgen dat die arts bij patiënt zou langsgaan. Door dit na te laten heeft verweerster gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van patiënt had behoren te betrachten.


ad klachtonderdeel II
Na het telefoontje van de moeder omstreeks 7.00 uur heeft verweerster evenmin gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht. De ernst van de situatie was haar toen duidelijk. Verweerster had toen naar het oordeel van het college of haar collega-wachtdokter naar patiënt toe moeten laten gaan, dan wel had zij zelf naar patiënt moeten gaan of ten minste zelf de huisarts van patiënt moeten bellen. Dat zij dit heeft nagelaten en in plaats daarvan een geheim nummer van de huisarts aan de moeder van patiënt heeft gegeven en het aan patiënt en aan diens moeder heeft overgelaten om contact met de huisarts te krijgen is eveneens in strijd met de zorg die van haar als wachtdokter mocht worden verwacht.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de klacht in zijn beide onderdelen gegrond is. Daarnaast overweegt het college het volgende. De inhoud van de brieven van 3 en 22 september 2001, gedeeltelijk aangehaald onder de feiten, is intimiderend en geeft blijk van minachting voor degene die gerechtvaardigd een klacht indient en die zelf geen enkele aanleiding heeft gegeven tot dergelijke dreigementen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat klaagster of haar familie aangifte heeft gedaan bij politie. Hoewel de brieven zijn geschreven en ondertekend door de gemachtigde en haaks staan op de inhoud van de condoleancebrief van 10 mei 2001 die verweerster zelf aan klaagster heeft geschreven, is het college van oordeel dat ze moeten worden toegerekend aan verweerster, aangezien zij zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd van de inhoud daarvan en, door ter terechtzitting niet te verschijnen, de mogelijkheid heeft afgesneden om een en ander toe te lichten. Het college vindt de dreigementen ongepast. Nu de klacht gegrond is en verweerster zich hiervan kennelijk, gelet op de inhoud van de brieven en het feit dat zij niet op de zitting is verschenen, onvoldoende van bewust is, acht het college de volgende maatregel op zijn plaats.


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden als vermeld door het Regionaal Tuchtcollege. Partijen hebben die weergave van de feiten niet betwist.


De klacht betreft het handelen van de arts in haar hoedanigheid van wachtdokter in de nacht van 9 op 10 mei 2001 ten aanzien van de broer van klaagster, G  (hierna patiënt).
In genoemde nacht bevond patiënt zich, thuis, in een terminale fase van nierfalen. Patiënt was voorts (onder andere) lijdende aan suikerziekte, blindheid en lichamelijke invaliditeit.
In voormelde nacht heeft patiënt de arts via de doktersdienst gebeld om 23.55 uur met klachten van pijn op de borst. Hij deelde haar desgevraagd mee dat hij de pijn sinds die middag 16.00 uur had toen hij wakker werd van zijn middagslaap. Hij had paracetamol genomen, hetgeen nauwelijks verlichting had gegeven. Hij heeft ook aangegeven dat hij de pijn al eerder had gehad die week en de maand daarvoor ook. Op de vraag of hij nog andere klachten had, heeft hij gezegd dat hij in een rolstoel zat, blind was en geen medicatie gebruikte. Voorts heeft hij meegedeeld dat hij de volgende ochtend om 11.00 uur een afspraak had bij zijn huisarts.
De arts heeft patiënt daarop meegedeeld dat zij de pijnklachten niet kon terugvoeren op hartproblemen en hem geadviseerd nogmaals paracetamol te gebruiken. Zij heeft met hem afgesproken dat hij moest terugbellen als de klachten niet overgingen of als er andere klachten bij kwamen.
Ongeveer een kwartier na dit telefoongesprek is de arts gebeld door een verpleegkundige van de ambulancedienst. Hij heeft haar verteld dat patiënt de ambulancedienst had gebeld met hetzelfde verhaal, dat zij patiënt vaker hadden gezien, diezelfde week nog, met andere klachten en dat ze hem niet kenden met cardiale klachten. De ambulance was niet uitgereden.
Omstreeks 7.15 uur is de arts gebeld door de moeder van patiënt en klaagster. Zij heeft haar gevraagd patiënt te bellen omdat patiënt haar had gebeld en zij de situatie ernstig inschatte. Daarop heeft de arts meteen de voice-mail van patiënt ingesproken aangezien hij de telefoon niet opnam. Zij heeft onder andere ingesproken dat haar dienst er bijna op zat en dat patiënt contact moest opnemen met zijn eigen huisarts. Vrijwel meteen daarna heeft de moeder van patiënt andermaal naar de arts gebeld en haar gevraagd of zij naar patiënt kon gaan. De arts heeft haar het geheime telefoonnummer en het mobiele telefoonnummer van de eigen huisarts van patiënt gegeven en haar geadviseerd die te bellen aangezien haar dienst er bijna opzat.
Vervolgens is de moeder naar patiënt gegaan, die dood in zijn rolstoel voor de deur zat. Met hulp van de politie is zij het huis binnengekomen. De politie heeft hiervan proces-verbaal opgemaakt. De Officier van Justitie heeft een onderzoek ingesteld, waarbij onder andere de moeder een verklaring ten overstaan van de politie heeft afgelegd. Tot een strafrechtelijk onderzoek is het niet gekomen.
Bij brief van 3 september 2001 heeft genoemde gemachtigde van de arts aan klaagster onder andere het volgende meegedeeld:
‘Het komt ons voor dat u een lasterlijke klacht indiende tegen deze arts, een makkelijke prooi voor u omdat zij haar excuses had aangeboden en het overigens haar eerste nachtdienst was. Deze klacht heeft u naar mijn gegevens ook bij de politie ingediend. Het indienen van lasterlijke klachten met het oogmerk daaraan ruchtbaarheid te geven en de huisarts te benadelen is strafbaar (artikel 188 strafrecht). Daarop staat een jaar gevangenisstraf. Omdat u al een naar het ons voorkomt valse aangifte heeft gedaan, bent u strafbaar. We zullen daarvan aangifte doen.
Als u echter deze klacht bij het regionaal tuchtcollege intrekt en daarvan schriftelijk een afschrift stuurt aan de betreffende huisarts zullen wij geen aangifte doen van de valse aangifte door u gepleegd. U dient binnen twee weken na heden de klacht bij het regionaal tuchtcollege te hebben ingetrokken. Daarna staat ons rechtens vrij te doen wat ons te doen staat.’
Bij brief van 22 september 2001 heeft de gemachtigde het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de brief van 3 september 2001 vrijwel letterlijk herhaald. In die brief is haar nog een week de tijd gegeven haar klacht in te trekken, waarna de gemachtigde justitie zal verzoeken klaagster te vervolgen wegens het doen van valse aangifte.


4. Beoordeling van het hoger beroep
Klaagster heeft de klacht zoals in eerste aanleg verwoord in hoger beroep gehandhaafd.
Hetgeen door en namens de arts in hoger beroep tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is aangevoerd, komt neer op een herhaling van hetgeen door haar gemachtigde in eerste aanleg naar voren is gebracht. Weliswaar is de arts, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep verschenen, maar haar uiteenzetting ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft geen nieuw licht op de zaak geworpen en heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Dat betekent dat het Centraal Tuchtcollege, in weerwil van het betoog van de gemachtigde dat de opgelegde maatregel van berisping gezien de omstandigheden te zwaar is, het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege ook in zoverre onderschrijft, nu de arts er ook in hoger beroep geen blijk van heeft gegeven dat zij inziet tekort te zijn geschoten in medische zorg voor de patiënt. Daarbij neemt het Centraal Tuchtcollege voorts nog in aanmerking dat de arts pas toen haar ter terechtzitting uitdrukkelijk het onbetamelijke van de door haar gemachtigde geschreven brieven van 3 en 22 september 2001 (zoals aangehaald in de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege) werd voorgehouden, zich - schoorvoetend - distantieerde van de inhoud ervan. Haar opmerking dat zij het voordien niet nodig heeft gevonden zich een oordeel te vormen over de inhoud van de brieven daar zij van mening was de verdediging van haar belangen aan haar gemachtigde te kunnen overlaten, getuigt van onvoldoende besef dat het in deze procedure om haar persoonlijk optreden als arts gaat.
Een en ander brengt mee dat het beroep dient te worden verworpen.


Op gronden aan het algemeen belang ontleend bepaalt het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 71 Wet BIG dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


verwerpt het beroep;


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door mr. H. Uhlenbeck-Lagerweij, voorzitter; mr. A.H.A. Scholten, mr. A.D.R.M. Boumans, leden-juristen; F.M.M. van Exter, M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten; mr. D.M. Looten, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2004, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd