MC 37-Tóch subduraal hematoom
| Publicatie | Nr. 37 - 08 september 2004 |
|---|---|
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
| Auteur | B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen |
Een huisarts in opleiding die van een Regionaal Tuchtcollege een waarschuwing krijgt, maar door het Centraal Tuchtcollege vervolgens wordt vrijgesproken ... De haio in kwestie zou volgens het oordeel in eerste aanleg ondeskundig en onzorgvuldig hebben gehandeld, waardoor bij een patiënt de diagnose subduraal hematoom te laat werd gesteld. Zij had de patiënt na anamnese en onderzoek naar huis laten gaan en diens sufheid en traagheid geweten aan zijn kort daarvoor gestarte diazepam-medicatie. De haio had de patiënt overgenomen van haar opleider, die haar waarschijnlijkheidsdiagnose en voorgenomen beleid later steunde. Ook de neuroloog die de diazepam voorschreef, die de patiënt enkele uren tevoren nog had gezien vanwege hoofdpijn en die geen afwijkingen op neurologisch gebied constateerde, had de aangeklaagde haio na telefonische consultatie niet op een ander spoor gezet. De volgende dag stuurde de eigen huisarts de patiënt in. Naar de internist nota bene, vanwege algehele zwakte en sufheid. De huisarts vermeldde nog dat het niet neurologisch kon zijn.
Het Centraal Tuchtcollege vernietigt vervolgens de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Niks ondeskundig, niks onzorgvuldig, zeker niet voor een huisarts in opleiding, die bovendien geen aanwijzingen had gekregen dat de toestand van de patiënt sinds het bezoek aan de neuroloog ernstig was verslechterd. Dat de communicatie tussen partijen te wensen overliet, was duidelijk, maar was volgens het College zeker niet alleen de haio te verwijten. Zij had na het voorval zelfs nog contact gezocht met de familie, maar die wees contact af. In plaats daarvan klaagde de zoon van patiënt de haio aan. Zij wist zich echter in het door haar gevoerde beleid gesteund door haar opleider.
Alles overziend mag dan ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege - zuinig gezegd - minder verrassend worden genoemd dan de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege. Laatstgenoemd college schrijft in zijn beslissing nog dat het bij zijn strafmaat rekening heeft gehouden met het feit dat de haio een jong arts is, die aan het begin van haar verdere ontwikkeling staat. Ook al is tuchtrechtelijk de juiste procedure van individuele verantwoordelijkheid bewandeld, het is jammer dat alle pijlen zich richtten op de haio en de opleider buiten beeld bleef. Zou de volgende haio ook zo enthousiast een patiënt van de opleider overnemen?
B.V.M. Crul, arts
Mr. W.P. Rijksen
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 3 juni 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2003/174 van A, arts, wonende te B, appellante, gemachtigde: mr. M.P. Schilt, advocaat te Utrecht, tegen C, wonende te D, verweerder in hoger beroep.
1. Verloop van de procedure
Verweerder in beroep - hierna te noemen klager - heeft bij het Regionaal Tucht-college te Zwolle tegen appellante - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend, ingekomen op 28 maart 2002. Bij beslissing van 1 maart 2003, onder nummer 44/02, heeft dat College aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd.
De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 maart 2004, waar zijn verschenen klager en de arts bijgestaan door mr. M.E. Oosting, advocaat te Utrecht. Als getuige, opgeroepen door het Centraal Tuchtcollege, is gehoord E, neuroloog, verbonden aan het F-Ziekenhuis te G. Partijen hebben de zaak bepleit, mr. Oosting aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities.
2. Beslissing in eerste aanleg
Ten aanzien van de feiten, de in eerste aanleg ingediende klacht, het daartegen gevoerde verweer en de gegrondheid van de klacht heeft het Regionaal Tucht-college het volgende overwogen.
1. Ten aanzien van de feiten:
Klager is de zoon van patiënt. Vanaf 15 oktober 2001 klaagde patiënt over hoofdpijn. In verband daarmee bezocht hij enkele malen zijn huisarts H, die hem onder meer fysiotherapie en pijnstillende middelen voorschreef en hem doorverwees naar een oogarts.
Op zondag 18 november 2001 merkte zijn familie op dat patiënt erg versuft was geraakt, warrig sprak en moeilijk uit zijn bed kon komen. In de middag van 19 november 2001 werd patiënt bezocht door de huisarts in opleiding I (werkzaam bij H voornoemd), die hem per ambulance naar het F-Ziekenhuis in G deed vervoeren.
Onderzoek in dat ziekenhuis door de neuroloog E leidde niet tot de bevinding dat sprake was van een neurologisch probleem. Patiënt verliet lopend het ziekenhuis. De zwager van patiënt, J, bracht patiënt weer naar huis. Aldaar verslechterde de toestand van patiënt. Aan het eind van de middag namen zijn zuster en later een ander familielid daarom contact op met de huisartsendienst, die is gevestigd in het F-ziekenhuis. Patiënt kon voor consult langskomen bij de huisarts K. Toen de in een rolstoel gezeten patiënt - lopen was niet meer mogelijk - arriveerde, was K met een andere patiënt bezig. Daarom nam verweerster, werkzaam als huisarts in opleiding bij K, hem de anamnese af. De meegekomen klager en J deelden verweerster mee dat patiënt diezelfde middag in het ziekenhuis neurologisch was onderzocht door E. Verweerster vroeg of patiënt medicijnen gebruikte en, zo ja, welke. Dezelfde vraag stelde zij aan klager en J, die spraken over een medicijn met een naam die eindigde op pam/an of iets dergelijks. Patiënt gaf aan al geruime tijd hoofdpijnklachten te hebben en reageerde traag. In het ziekenhuis zou geen scan gemaakt zijn. Aan verweerster werd medegedeeld dat een schoonzus van patiënt eerder de medicatie had verminderd, omdat hij daarvan suf werd. Verweerster vroeg aan patiënt en daarna aan klager en J of patiënt somber of depressief was, hetgeen patiënt ontkende en welke vraag klager irriteerde.
Patiënt gaf aan van zijn hoofdpijnklachten af te willen. Klager en J benadrukten dat de verzorging van de patiënt een probleem voor hen vormde. Bij onderzoek trof verweerster geen uitvalsverschijnselen of evenwichtsstoornissen aan. Bij controle van de kniepees-reflex zakte patiënt naar rechts. Dat deed klager en J schrikken. Bij verder onderzoek door verweerster constateerde verweerster dat de reflexen van de patiënt normaal waren, evenals de sensibiliteit, de bloeddruk, de polsslag en de pupilreflex. Verweerster concludeerde dat het onderzoek geen bijzondere afwijkingen te zien gaf. De sufheid van patiënt werd toegeschreven aan het medicijngebruik. Verweerster achtte, het reeds plaatsgevonden hebbende neurologisch onderzoek in aanmerking nemende, na overleg met K geen reden aanwezig voor een ziekenhuisopname. De aanwezige familie-leden werd geadviseerd na te gaan welke medicijnen patiënt precies gebruikte en de volgende dag de eigen huisarts te bellen om te bezien hoe de verzorging van patiënt ter hand kon worden genomen.
Klager was het hiermee niet eens en vroeg om een opname van patiënt. K, die inmiddels in het gesprek betrokken was, antwoordde dat daarvoor geen strikte indicatie bestond. Patiënt werd door klager en J naar huis gebracht.
In een volgend telefoongesprek tussen klager en verweerster vertelde klager dat patiënt die dag diazepam in de dosering 3 x 2,5 mg had gebruikt. Voor verweerster was dat aanleiding met E contact op te nemen. Die bevestigde dat er geen reden was om te denken aan een neurologisch probleem. De diazepam zou de sufheid kunnen verklaren. Verweerster nam daarna contact op met klager en gaf de evindingen van E door.
Op 20 november 2001 bezocht I patiënt opnieuw. Hij liet patiënt direct per ambulance naar het F-Ziekenhuis vervoeren. Een scan leverde op dat zich een subduraal heamatoom in de hersenen bevond. Een spoedoperatie vond aansluitend plaats in het L-ziekenhuis te M.
Op 22 november 2001 werd patiënt weer naar het F-Ziekenhuis vervoerd. Na een hersteloperatie werd hij op 5 december 2001 ontslagen.2. Ten aanzien van de klacht:
Klagers verwijt aan verweerster is tweeledig.
Ten eerste heeft verweerster, aldus klager, ondeskundig en onzorgvuldig gehandeld, waardoor een aanmerkelijke kans heeft bestaan op schade aan de gezondheid van patiënt.Ten tweede heeft het verweerster ontbroken aan respect voor patiënt en de familieleden die hem vergezelden bij het consult op 19 november 2001. In het bijzonder verwijt klager dat de geuite bezorgdheid over de snelle achteruitgang van patiënt niet serieus is genomen, dat verweerster ten onrechte een helder bewustzijn bij patiënt heeft geconstateerd en dat vragen over depressiviteit zeer suggestief waren. Vooral is aanstoot genomen aan de opmerking van verweerster jegens de patiënt, toen deze tijdens het consult bijna achterover viel: Ziet u nou wel, u heeft er helemaal geen zin meer in. Klager betwijfelt of verweerster wel de juiste informatie aan de neuroloog heeft gegeven, omdat het doorgeven van de juiste informatie en met name de snelle achteruitgang van patiënt ongetwijfeld tot verder neurologisch onderzoek in een eerder stadium zou hebben geleid. De snelle achteruitgang en de incontinentie van patiënt waren een indicatie, zoals E op 20 november 2001 tegen klager heeft gezegd, dat zich een neurologisch probleem had voorgedaan.
Het gebrek aan respect heeft zich ook geuit in het niet willen luisteren naar klager en J. Dat heeft bijgedragen aan het niet stellen van de juiste diagnose. Klager heeft het onverantwoord gevonden dat verweerster een patiënt, die er zichtbaar slecht aan toe was, over wilde laten aan de zorg van personen, die geen achtergrond hebben in verzorging en verpleging.
3. Ten aanzien van het verweer:
Verweerster heeft op de gronden genoemd in het verweerschrift, de dupliek en ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van de klacht.
4. Ten aanzien van de gegrondheid van de klacht:
4.1 Bij de beoordeling van de klacht is het College uitgegaan van de in rubriek 1 van deze beslissing weergegeven feiten. Voor zover hierna niet anders blijkt is, waar de lezing van klager en die van verweerster op onderdelen verschillen en klager zijn lezing niet aannemelijk heeft kunnen maken, aan verweerster gelet op haar processuele positie het voordeel van de twijfel gegeven.
Daarvoor is te meer reden nu de lezing van verweerster in grote lijnen steun vindt in de medische dossiers van patiënt.
4.2 Het College wijst erop dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van verweersters professionele handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of verweerster bij dat handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard.
4.3 Aangezien klager, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, zijn klacht vooral heeft ingediend uit ergernis over het onderzoek van patiënt door verweerster en in het bijzonder de door de haar beweerdelijk gebruikte zinsnede, aangehaald onder 2, tweede alinea, zal het College eerst op de daarop betrekking hebbende klacht ingaan. Verweerster heeft ontkend die zinsnede te hebben gebruikt. De getuige J heeft desgevraagd verklaard zich die zinsnede niet te kunnen herinneren. Wel heeft J verklaard dat bij de bevraging van de patiënt geïnformeerd is of hij niet levensmoe was. In het midden kan blijven welke woorden precies zijn gebruikt, omdat het College, zelfs al zou verweerster de door klager aangehaalde woorden wel gebruikt hebben, daarin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag ziet. Verweerster heeft ter zitting uitgelegd, dat zij patiënt neurologisch heeft onderzocht, even-tuele medicamenteuze oorzaken van zijn ziektebeeld is nagegaan en voorts zijn mogelijke depressieve toestand heeft beoordeeld. In het kader van die laatste beoordeling kunnen woorden die, naar het College wil aannemen, de strekking hebben informatie te verkrijgen over de geestelijke toestand van patiënt als respectloos zijn begrepen door klager, maar dat kan niet tot gegrondverklaring van de klacht leiden.
4.4 De klacht over het ondeskundig en onzorgvuldig handelen is wel gegrond. Het College overweegt ter onderbouwing van dit oordeel als volgt.
Het door verweerster verrichte onderzoek heeft geleid tot de werkhypothese, dat de verschijnselen van sufheid en traagheid bij patiënt werden veroorzaakt door diens medicijngebruik. Die hypothese is met de nodige voorzichtigheid gesteld. Daartoe was alle reden.
Niet alleen wist verweerster ten tijde van het consult niet precies welke medicijnen patiënt voorgeschreven had gekregen, omdat noch patiënt, noch klager of J daarover betrouwbare informatie kon verstrekken (iets met pam/an), maar evenmin was bekend in welke dosering medicatie was gebruikt.
Toen zij van de zijde van de familie vernam dat diazepam in de dosering van 3 x 2,5 mg was gebruikt, heeft verweerster daarin terecht aanleiding gezien om E te consulteren. Volgens verweerster is in dat gesprek naar voren gekomen dat patiënt die dag niet 3 x 2,5 mg, maar 3 x 5 mg toegediend had gekregen, mogelijk ingespoten. Hoe dat ook zij, zoals verweerster desgevraagd ter zitting heeft bevestigd is de kans dat toediening van een dergelijke hoeveelheid diazepam in het tijdsbestek van een dag leidt tot de beschreven verschijnselen van sufheid en traagheid klein te noemen, zeker nu, zoals haar uit de informatie van klager en J duidelijk had moeten zijn, sinds het onderzoek door de neuroloog snel verval van functies was opgetreden. Dat de toestand van patiënt in de loop van de middag snel verslechterde is af te leiden uit de verklaringen van de getuigen, in het bijzonder die van de getuige J. Hij was erbij toen patiënt na het onderzoek door E lopend het ziekenhuis verliet en toen patiënt enige uren later niet anders dan in een rolstoel voor consult naar de huisartsendienst kon gaan. Het College acht aan de hand van de verklaring van J en van hetgeen klager daarover ter zitting naar voren heeft gebracht vaststaan, dat zij hun bezorgdheid over de snelle achteruitgang van patiënt duidelijk aan verweerster kenbaar hebben gemaakt. Verweerster heeft zich dat, blijkens hetgeen zij in haar conclusie van dupliek onder 10 zegt, ook wel gerealiseerd.
Hetgeen hierboven over het gebruik van diazepam en over de verslechtering van de toestand van patiënt is overwogen, had verweerster ertoe moeten brengen vraagtekens te zetten bij haar werk-hypothese.
Verweerster had vervolgens ofwel moeten aandringen op een neurologische opname (waarvoor E naar zij heeft verklaard een opening heeft geboden door te zeggen: Als je het per se wilt, dan kun je hem insturen), dan wel opnieuw haar onzekerheid aan haar opleider K moeten voorleggen. In geen geval had zij patiënt huiswaarts mogen laten gaan zonder de uitdrukkelijke mededeling aan klager dat bij elke vorm van verslechtering van de toestand van patiënt zij onmiddellijk de dienstdoende arts in consult moesten roepen.
Door een en ander na te laten is verweerster in gebreke gebleven, waardoor zij de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden.In die zin heeft klager verweerster terecht een verwijt gemaakt en is de klacht gegrond.
Voor het overige is de klacht ongegrond.
5. Ten aanzien van de op te leggen maatregel:
Bij deze tuchtrechtelijke verwijtbaarheid verliest het College niet uit het oog dat verweerster een jonge arts is die aan het begin van haar verdere ontwikkeling staat, dat de diagnose van een subduraal hematoom vaak lastig te stellen is, dat verweerster mogelijk op het verkeerde been is gezet door haar opleider en E dat zij zich begaan heeft getoond met het lot van patiënt en zijn familie en al hetgeen heeft gedaan dat van haar verwacht had mogen worden om met de familie in contact te treden teneinde over te brengen hoezeer de gang van zaken door haar is betreurd. Dat klager dat heeft afgehouden kan uiteraard niet ten nadele van verweerster komen.
Het voorgaande in aanmerking genomen ziet het College aanleiding tot het opleggen van de lichtste tuchtrechtelijke maatregel, namelijk de waarschuwing.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals het Regionaal Tuchtcollege deze heeft vastgesteld onder toevoeging van het volgende.
De arts E meldt naar aanleiding van het consult op 19 november 2001 in zijn brief aan de huisarts H van 20 november 2001 onder meer:
Anamnese: Patiënt is bekend met chronische rugklachten. De laatste weken weer nek- en schouderpijn. Na het zwemmen een week geleden geleidelijk toegenomen nek/hoofdpijn. Nadrukkelijk geeft patiënt aan dat de hoofdpijn niet acuut is ontstaan. Er is geen knap in het hoofd geweest. Geen misselijkheid of braken. Aanvankelijk is de hoofdpijn wat gezakt, maar sinds gisteren weer aan het verergeren. Ook nu weer geen acuut moment. Bij herhaald neurologisch onderzoek door jouw haio zou er sprake zijn van nekstijfheid.
Bespreking: ik vind het beeld niet verdacht voor een doorgemaakte subarachnoïdale bloeding. Patiënt is met name niet nekstijf. Er is geen acuut ontstane hoofdpijn. De hoofdpijnklachten lijken toch myotendogeen van aard. Behandeling ligt op het terrein van de fysio-therapeut. Eventueel kortdurend wat Diazepam daarbij.De patiënt werd op 20 november 2001 wederom gezien door de arts I, die op de patiëntenkaart noteerde:
S Dus niet opgenomen op neurologie. Kan niet thuis zo, valt om. Rood gelaat lijkt ook wat gezwollen, Koorts-subj wel. O Conform gisteren, abd/cor/pulm gda.E D Algehele zwakte en sufheid, niet neurologisch ( A04.0) P V Int [V] opname.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 De arts heeft in hoger beroep een drietal grieven opgeworpen welke, in onderling verband en samenhang bezien, behelzen dat het Regionaal Tuchtcollege, onvoldoende rekening houdende met de voorliggende informatie, ten onrechte de klacht betreffende ondeskundig en onzorgvuldig handelen gegrond heeft verklaard.
4.2 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de grieven terecht zijn opgeworpen en dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd. Het Centraal Tuchtcollege overweegt daartoe het volgende.
4.3 De arts heeft ter zitting in hoger beroep verklaard verbaasd te zijn geweest dat de patiënt reeds binnen korte tijd na onderzoek door een neuroloog diezelfde dag wederom een arts consulteerde. Daarnaar gevraagd deelden de familie-leden die de patiënt vergezelden mede dat zij zich zorgen maakten omdat de patiënt suf was en onstabiel liep waardoor hij niet alleen thuis zou kunnen zijn vanwege het risico dat hij zou komen te vallen. Dat er sprake zou zijn van een ernstige verslechtering in de situatie van de patiënt was haar uit de verkregen informatie niet gebleken. Omdat melding was gemaakt van verwardheid van de patiënt, achtte de arts het wenselijk eerst hem uit te vragen over eventuele psychische problematiek alvorens informatie aan de begeleidende familieleden te vragen, welke gang van zaken zij aan de familieleden heeft uit-gelegd, aldus de arts.
Klager heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zijns inziens de arts onvoldoende naar de familieleden heeft geluisterd, waardoor de ernst van de situatie niet goed is overgekomen.
De neuroloog E, als getuige gehoord, heeft ter zitting van het Centraal Tuchtcollege verklaard dat hij op 19 november 2001 bij anamnese en onderzoek van de patiënt geen aanwijzingen heeft gevonden die aanleiding vormden voor het (doen) verrichten van aanvullend onderzoek naar een mogelijke subarachnoïdale bloeding. Bij zijn onderzoek constateerde hij geen duidelijke uitvalsverschijnselen. Gevraagd naar sufheid van de patiënt, verklaarde de getuige dat de patiënt een normale conversatie kon voeren. Er was niets mis met de patiënt, aldus de getuige. Ten aanzien van het gesprek op 19 november 2001 met de arts heeft de getuige E verklaard dat de arts hem had gebeld voor overleg betreffende de patiënt. Hij heeft bij dat gesprek de arts zijn bevindingen van die middag medegedeeld alsmede dat hij de patiënt had geadviseerd om als medicatie diazepam in een lage dosering in te nemen.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege acht het in beginsel juist dat een arts allereerst de patiënt zelf bevraagt en in een geval als het onderhavige zich er ook eerst bij de patiënt zelf van vergewist of er mogelijk ook sprake is van psychische problematiek en vervolgens, indien de patiënt daarover geen of onvoldoende duidelijke informatie kan verschaffen, aan de familieleden om nadere informatie vraagt. Het Centraal Tuchtcollege heeft op grond van de stukken en de verklaringen ter zitting de indruk gekregen dat hierbij de communicatie tussen partijen te wensen heeft overgelaten. Hoewel dit op zichzelf valt te betreuren is niet aannemelijk geworden dat dit uitsluitend aan de arts valt te verwijten.
4.5 Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts in de gegeven omstandigheden niet is tekortgeschoten in anamnese, onderzoek en behandeling van de patiënt.
Gelet op hetgeen daaromtrent in de verslaglegging is genoteerd, kan het door de arts verrichte lichamelijk onderzoek als adequaat worden aangemerkt. Dit onderzoek leverde geen bijzondere en met name geen neurologische afwijkingen op die een verklaring konden vormen voor de klachten van de patiënt. Voorts was de patiënt diezelfde dag reeds door een neuroloog onderzocht die evenmin neurologische afwijkingen had geconstateerd, en is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege onvoldoende aannemelijk geworden dat de arts van de patiënt of diens familie, behoudens mededelingen van de familieleden over slecht lopen, duidelijke aanwijzingen had gekregen dat de toestand van de patiënt sedertdien ernstig was verslechterd. Gelet op het vorenstaande heeft de arts op grond van de mededelingen van de familieleden over medicijngebruik van de patiënt, dit - na hieromtrent terecht met haar opleider de arts K te hebben overlegd - als mogelijke oorzaak voor de klachten van de patiënt kunnen beschouwen. Nadat zij volgens afspraak telefonisch door de familie van de patiënt van de medicatie en de dosering op de hoogte was gesteld, had zij vervolgens nog telefonisch overleg met de neuroloog E - dezelfde neuroloog die de patiënt eerder die dag had gezien - over de patiënt bij welk overleg de arts, behoudens diens mededeling dat ook hij aan patiënt medicatie had geadviseerd, geen informatie ontving op grond waarvan zij alsnog tot opname had moeten besluiten.
In het licht van het voorgaande en rekening houdende met het feit dat de arts als huisarts in opleiding werkzaam was, kan haar niet worden verweten ondeskundig en onzorgvuldig te hebben gehandeld zulks te meer waar het in casu een bijzonder moeilijk te stellen diagnose betrof.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege wijst er - wellicht ten overvloede - nog op dat ook de arts die de patiënt op 20 november 2001 zag, blijkens de aantekeningen in de medische verslaglegging diens klachten als niet neurologisch beoordeelde en de patiënt instuurde naar de internist.
4.7 Gelet op het hiervoor overwogene dient de beslissing waarvan beroep te worden vernietigd en de oorspronkelijke klacht te worden afgewezen.
4.8 Om redenen aan het algemeen belang ontleend acht het Centraal Tuchtcollege bekendmaking van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 71 Wet BIG op de hierna aangegeven wijze geboden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
en opnieuw recht doende:
- wijst de klacht af;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor
Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. P. Neleman, voorzitter; mr. E.J. van Sandick, mr. P.J. Wurzer, leden-juristen; P.J. Schimmel, M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Walter-Ebbenhout, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2004, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



