U bent nu hier:

MC 42-Minimale medische keuring

Publicatie Nr. 42 - 13 oktober 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur Ben V.M. Crul Mr. Dr. J. Legemaate, KNMG
Pagina's 1657 - 1659

Waarschijnlijk had de aangeklaagde internist nooit gedacht dat hij over de kwaliteit van zijn medische keuring ooit nog eens ter verantwoording zou worden geroepen. De keurlingen waren immers goedgekeurd, hadden ongetwijfeld met geleend geld inmiddels hun nieuwe huis betrokken en wie maalt er dan nog om de kwaliteit van een medische keuring? Toch gebeurde het en de arts moest bij het Regionaal Tuchtcollege met de billen bloot. Afgaande op de feiten uit onderstaand vonnis moet hij die keuring hebben afgeraffeld.
De arts had zijn keuringscentrum inmiddels gesloten en al zijn dossiers vernietigd, hetgeen zijn verweer ernstig bemoeilijkte. Hij kon niet weerspreken dat hij resultaten van testen had vermeld die hij helemaal niet had gedaan. Niet, zoals een co-assistent dat leert, keurig vermeld hoever het hart richting medioclaviculairlijn reikte et cetera. Dat hij niet had aangegeven dat het bloedonderzoek ook een HIV-test omvatte, werd hem formeel niet aangerekend, maar het was - conform de richtlijnen van de KNMG - wel chiquer geweest als hij dat als keurend arts naast de verzekeringsmaatschappij ook had gedaan.
Het keuren van doorgaans volkomen gezonde personen legt de meeste artsen geen windeieren. De neiging om de verwachte normale onderzoeksresultaten bijna a priori in te vullen (‘g.a.’) is groot. Dat is echter niet wat de opdrachtgever en de keurling van u als keurend arts verwacht. De hoge tarieven voor rijbewijskeuringen hebben het imago van huisartsen geen goed gedaan. Niet voor niets zijn ze voor de minder tijdrovende ‘gezonden’ inmiddels gehalveerd. De prijs-productverhouding moet ook bij medische keuringen kloppen.


B.V.M. Crul, arts
Mr. Dr. J. Legemaate


Uitspraak Regionaal Tuchtcollege te Groningen d.d. 10 mei 2004

Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 5 februari 2003 binnengekomen klacht van: de heer A en mevrouw A-B, wonende te C, klagers, tegen dr. D, tot mei 2002 verbonden als internist aan het Medisch Keuringscentrum te E, verweerder.


1. Verloop van de procedure
Het College heeft kennis genomen van:
- het klaagschrift van februari 2003, op het secretariaat van het College, ontvangen op 5 februari 2003;
- afschriften van de keuringsrapporten d.d. 12 februari 2002;
- een brief van 17 september 2003 namens verweerder;
- een brief van 22 september 2003 van het hoofd BIG-register, waaruit blijkt dat verweerder in september 2003 staat ingeschreven onder het specialisme ‘inwendige geneeskunde’;
- een brief van 26 september 2003 van de secretaris van het College aan verweerder;
- een reactie hierop namens verweerder d.d. 27 september 2003;
- een brief d.d. 10 november 2003 van de voorzitter van het College aan verweerder;
- een brief van 22 januari 2004 van verweerder.


Na ontvangst van de klacht heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Groningen, gelet op het bepaalde in artikel 66 van de Wet BIG, een vooronderzoek gelast.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de tijdens het vooronderzoek geboden gelegenheid om te worden gehoord.
De klacht is behandeld ter zitting van het College, gehouden te Groningen op 15 maart 2004. Klagers zijn beiden in persoon verschenen. Verweerder is niet verschenen.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


2. De feiten
Klagers hebben ten behoeve van de aankoop van een woning omstreeks januari 2002 een aanvraag voor het afsluiten van een levensverzekering gedaan, met een verzekerd bedrag van 220.000 euro.
In verband hiermee zijn zij op verzoek van de verzekeringsmaatschappij F te G in januari 2002 gekeurd door verweerder.
In het kader van deze keuring hebben klagers een vragenlijst (keuringsformulier) ingevuld welke met verweerder is besproken en door hem aangevuld, tevens zijn zij door verweerder geneeskundig onderzocht en zijn enkele bloedonderzoeken, waaronder een HIV-test verricht.


3. De klacht
De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
In het keuringsrapport zijn door verweerder veel onwaarheden vermeld. Gesuggereerd is bijvoorbeeld dat uitkomsten ter zake van onderzoek van ogen, gehoor, buik en geslachtsorganen op eigen onderzoek van verweerder zijn gebaseerd.
Dit is niet het geval. Bij de vraag over urineonderzoek is door verweerder zelfs vermeld welke onderzoeksmethode is gebruikt en welke waarden dit opleverde, terwijl in het geheel geen urine is ingeleverd.
Verder heeft verweerder aan klagers alleen vermeld dat bloedonderzoek zou plaatsvinden voor het bepalen van het cholesterolgehalte. In de uitslag van het bloedonderzoek blijkt ten onrechte aangegeven dat de cholesterol nuchter is bepaald; het onderzoek vond om 16.00 uur plaats. Tevens blijkt daaruit dat klagers op HIV zijn onderzocht, zonder dat zij hiervoor toestemming hebben gegeven.


4. Het verweer
Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Verweerder heeft zijn keurings-centrum in mei 2002 gesloten. Aangegeven is dat hij geen gegevens over de uitgevoerde keuringen meer heeft. Deze zijn eigendom van de opdrachtgevende verzekeringsmaatschappij, waarnaar verweerder de keuringsresultaten en rapportage heeft doorgezonden. Of de urine wel of niet is onderzocht, is door verweerder niet meer te achterhalen. Het is mogelijk dat een administratieve fout is gemaakt en geen urine door klagers is ingeleverd, terwijl dat wel beschreven staat in de rapportage. Blijkens de goedkeuring van klagers doet dat geen afbreuk aan het onderzoek.
Verweerder stelt op de andere klachtonderdelen niet te kunnen reageren 'omdat deze hem onbekend zijn'.


5. Beoordeling van de klacht
Het College heeft kennis genomen van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken. De klacht valt uiteen in twee onderdelen:
a. het zonder toestemming van klagers verrichten van een HIV-test;
b. de onbetrouwbaarheid van de rapportage van verweerder.


ad a. Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft het College vastgesteld dat de keuring door verweerder is verricht in opdracht van een verzekeringsmaatschappij in het kader van een aanvraag voor het sluiten van een levensverzekering door klagers.
Ingevolge het bepaalde in de Wet op de Medische Keuringen is degene die een levensverzekering met een verzekerd bedrag van meer dan 160.000 euro wenst af te sluiten in beginsel verplicht een HIV-test te ondergaan.
De verzekeringsmaatschappij dient vooraf schriftelijk aan de (aspirant)-verzekerden het doel van de keuring mee te delen alsmede welke medische onderzoeken mogen worden verricht. Het geven van deze informatie is volgens de wet een verantwoordelijkheid van de keuring-vrager ofwel de verzekeringsmaatschappij. Ook de uitslagen van de bloed-onderzoeken zijn niet naar verweerder gezonden, maar rechtstreeks naar de aanvrager, te weten de (medisch adviseur van de) verzekeringsmaatschappij. KNMG-richtlijn VII.3 Protocol Verzekeringskeuringen schrijft echter wel voor dat de keurend arts de (aspirant)verzekerde/keurling voorafgaand aan het medisch onderzoek over de specifieke opdracht en de daaraan gerelateerde aard en inhoud van het medisch onderzoek en over diens rechten en plichten informeert. Ten aanzien van de HIV-test is voorgeschreven dat de keurend arts gelijktijdig met de uitnodiging voor de keuring meedeelt dat deze onderdeel van de keuring uitmaakt.
Verweerder heeft niet betwist dit in geen enkel opzicht te hebben aangegeven. Alhoewel de klacht ongegrond moet worden verklaard, daar verweerder niet gehouden is zelf toestemming te vragen, moet worden vastgesteld dat hij het protocol op dit punt niet in acht heeft genomen, waardoor bij klagers onduidelijkheid is ontstaan.
ad b.  Verweerder is nauwelijks ingegaan op de onderbouwing van dit klacht-onderdeel. In zijn reactie heeft hij niet weersproken dat het mogelijk is dat testresultaten zijn vermeld zonder dat hij onderzoek heeft verricht.
Ten aanzien van het urineonderzoek geeft hij zelf aan dat hij niet uitsluit dat dit heeft kunnen gebeuren, maar stelt dat dit geen afbreuk aan de uitkomst doet nu klagers daarvan geen nadeel ondervinden. Met deze opvatting miskent verweerder volledig dat moet kunnen worden afgegaan op de juistheid en betrouwbaarheid van zijn rapportage. Door deze handelwijze wordt het vertrouwen in de medische stand ernstig geschaad.
Dit klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard en aan verweerder dient een maatregel te worden opgelegd.


6. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege te Groningen,


- Verklaart klachtonderdeel a ongegrond en klachtonderdeel b gegrond;
- Legt aan verweerder de maatregel van berisping op.


Bepaalt voorts dat de onderhavige beslissing, ingevolge artikel 71 van de Wet BIG, geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus gegeven door: mr. R. Giltay, voorzitter, prof. dr. R.J. van den Bosch, lid-geneeskundige, drs. H. Rumpt, lid-geneeskundige, mw. drs. C.J. Groenewold, lid-geneeskundige, mw. mr. C.P. van Gastel, lid-jurist, bijgestaan door mr. J.Sj. Dijkstra, secretaris, en uitgesproken op 10 mei 2004 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris. 
 


 


 


 


 


 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd