De medisch adviseur
| Publicatie | Nr. 45 - 03 november 2004 |
|---|---|
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege, Artikelen |
Welke ruimte hebben verzekeringsmaatschappijen eigenlijk om medische gegevens van een patiënt door anderen te laten beoordelen? In de zaak waarop de onderstaande uitspraak betrekking heeft, vroeg een medisch adviseur van een verzekeraar aan een neuroloog om op basis van een patiëntendossier zes vragen te beantwoorden. De patiënt was daarvoor niet om toestemming gevraagd; hij diende bij de tuchtrechter een klacht in tegen zowel de neuroloog als de medisch adviseur. De uitspraak over de medisch adviseur is hieronder opgenomen, die over de neuroloog vindt u op onze website.
De primaire klacht tegen de medisch adviseur luidde dat hij zonder toestemming van de patiënt diens gegevens aan de neuroloog had gegeven. Onder verwijzing naar de Beroepscode voor geneeskundig adviseurs concludeert de tuchtrechter dat het de medisch adviseur vrijstond de mening van de neuroloog te vragen met betrekking tot aspecten die buiten zijn eigen deskundigheid vielen. Omdat de neuroloog in de optiek van de tuchtrechter behoort tot de functionele eenheid die is betrokken bij het doel waarvoor de gegevens waren verkregen, mocht hij ook het dossier inzien. De neuroloog mocht er in beginsel op vertrouwen dat zijn opdrachtgever, de medisch adviseur, zich had vergewist van de toestemming van de patiënt (de neuroloog had dat, zie de andere uitspraak, volgens de rechter eigenlijk wel even moeten checken). De medisch adviseur had het vragen van toestemming ten onrechte nagelaten, maar dat ‘vergrijp’ acht de tuchtrechter niet zwaar genoeg voor een maat-regel. Dat is opmerkelijk: de tuchtrechter heeft wel voor minder iemand veroordeeld. Het lijkt erop dat het college zich sterk heeft laten leiden door de uitspraak die de patiënt nadien deed: als tevoren zijn toestemming zou zijn gevraagd, zou hij deze ook hebben gegeven. De klacht van de patiënt dat de medisch adviseur aan de neuroloog een geanonimiseerd dossier had moeten geven, wordt overigens ook verworpen. Beide zaken geven een mooi overzicht van de eisen waaraan de medisch adviseur in dergelijke gevallen wel en niet moet voldoen.
In de marge kan nog worden geconstateerd dat het tijdens de zitting van het Centraal College een lege boel moet zijn geweest. Alleen de advocaat van beide artsen was present. Zowel de aangeklaagde artsen als de patiënt en diens advocaat lieten verstek gaan. Je vraagt je af of dat niet mede de ongunstige afloop voor de patiënt heeft bepaald.
B.V.M. Crul, arts
mr. Dr. J. Legemaate
Klik hier of lees onderaan dit artikel de uitspraak over de neuroloog.
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 31 augustus 2004
Beslissing in de zaak met nummer 2003/178 van: A, wonende te B, appellant in het principaal appèl, verweerder in het incidenteel appèl, gemachtigde mr. E.P. Dorenbosch, advocaat te Hengelo, tegen E, huisarts, wonende te G, verweerder in het principaal appèl, appellant in het incidenteel appèl, gemachtigde mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
Appellant in het principaal appèl, tevens verweerder in het incidenteel appèl - hierna te noemen klager - heeft op 13 december 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen verweerder in het principaal appèl, tevens appellant in het incidenteel appèl - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 april 2003, nummer 01/256, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, waarbij tevens incidenteel beroep werd ingesteld.
Klager heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.
De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.
De zaak is in hoger beroep behandeld, gezamenlijk maar niet gevoegd, met de zaak A/C (2003/177) ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 3 juni 2004, waar is verschenen mr. Nunes, de advocaat van de arts.
De arts alsmede klager en diens advocaat zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven (en voorzover in hoger beroep van belang), het volgende in:
2.1.1. De klacht: Klager verwijt verweerder dat hij zonder voorafgaande toestemming en op niet-geanonimiseerde wijze zijn medische informatie ter beschikking heeft gesteld aan de neuroloog C.
2.1.2. Het verweer: Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht, omdat het handelen van de arts ten aanzien van klager niet valt onder de werkingssfeer van artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG c.q. de wet).
Daarnaast meent de arts dat hij zich mocht laten adviseren door de neuroloog C zonder daarvoor expliciet toestemming te vragen aan klager. Door de raad--pleging van C, die eveneens aan het medisch beroepsgeheim is gebonden, is deze op gelijkgerichte wijze betrokken bij het doel waarvoor de medische gegevens worden gevraagd. Daarmee is hij gaan behoren tot de zogenoemde functionele eenheid en mocht toestemming worden verondersteld. De arts meent voorts dat hij daartoe het medisch dossier zonder dat dat was geanonimiseerd aan C ter beschikking mocht stellen.
2.2. Het Regionaal Tuchtcollege heeft (voorzover in hoger beroep van belang) aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
Met klager is het college van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Verweerder is ten aanzien van klager opgetreden als beoordelaar van diens gezondheidstoestand en heeft in het kader daarvan C benaderd met op die gezondheidstoestand betrekking hebbende vragen. Ingevolge artikel 1 lid 2 sub a juncto lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg valt dit handelen onder de werkingssfeer van artikel 47 lid 1 b van die wet.
Met betrekking tot de vraag of het verweerder tuchtrechtelijk gezien vrijstond C ter beantwoording van aan hem gestelde vragen het niet-geanonimiseerde medisch dossier van klager ter beschikking te stellen, is het college van oordeel dat die bevestigend moet worden beantwoord. In dit verband is het volgende van belang:
De door verweerder aan C gestelde vragen gaan de hem, verweerder, gegeven opdracht niet te buiten. C heeft zelf de plicht tot beroepsgeheim. De omstandigheid dat verweerder wist dat H het rapport van C mogelijk in de kort geding procedure zou overleggen, behoefde hem naar het oordeel van het college op zichzelf niet ervan te weerhouden om, nu verweerder naar hij onweersproken heeft gesteld geen antwoord kon geven op een aantal klager betreffende medische vragen van neurologische aard, deze aan een neuroloog voor te leggen. In de door verweerder overgelegde beroepscode voor geneeskundig adviseurs staat ook vermeld dat een geneeskundig adviseur een andere arts kan verzoeken om geneeskundig onderzoek voor hem te verrichten.
Het college meent dat in het onderhavige geval geen verplichting tot anonimisering bestond, hoewel wordt opgemerkt dat het, zeker nu voor de hand lag dat een voor de verzekeraar gunstige beantwoording van de vragen in een kort geding procedure zou worden overgelegd, fraaier zou zijn geweest indien verweerder wel voor anonimisering zou hebben zorggedragen. Eveneens zou naar klager toe hoffelijker zijn geweest indien hij over de adviesaanvraag zou zijn geïnformeerd, hetgeen ook in eerdervermelde beroepscode tot uitdrukking wordt gebracht. Echter, níet kan worden gezegd dat verweerder door dit na te laten een tuchtrechtelijke norm heeft overschreden.
Uit een en ander volgt dat de klacht niet gegrond is.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden (zoals opgenomen in de bestreden beslissing):
Verweerder is huisarts te G en Register Geneeskundig Adviseur. De klacht betreft het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van medisch adviseur van H-Verzekeringen (hierna: H).
Klager heeft op 19 maart 1995 ernstig letsel opgelopen bij een verkeersongeval waarvoor H aansprakelijkheid heeft erkend. Tussen klager en H bestaat verschil van mening over de vraag of, en zo ja, welke huidige klachten en beperkingen van klager zijn veroorzaakt door het ongeval. Het Gerechtshof te I heeft bij beschikking van 2 juni 2001 bepaald dat een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuroloog moest plaatsvinden. Klager heeft H op 15 augustus 2001 doen dagvaarden in kort geding teneinde een voorschot te verkrijgen op door hem gevorderde schadevergoeding.
Bij brief van 17 augustus 2001 heeft verweerder C, neuroloog, verzocht om aan de hand van het op dat moment bij H beschikbare medische dossier van klager een zestal vragen te beantwoorden. Hij heeft C daartoe bedoeld medisch dossier in een niet-geanonimiseerde weergave ter hand gesteld. Verweerder heeft klager niet op de hoogte gebracht van het aan C gedane verzoek. C heeft op 6 september 2001 aan verweerder gerapporteerd. De belangenbehartiger van H heeft bij brief van 10 september 2001 het rapport van H aan de President in kort geding doen toekomen.
4. Beoordelingvan het hoger beroep
In het incidenteel appèl:
4.1. Naar luid van artikel 1, eerste lid, van de wet BIG, juncto het tweede lid, sub a, van die wet, wordt onder meer als handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg aangemerkt elke verrichting die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon en ertoe strekt diens gezondheidstoestand te beoordelen.
4.2. De Memorie van Toelichting bij voormeld wetsartikel (MvT, TK 19 522, nr. 3, pagina 86) leert dat behalve de preventieve en curatieve handelingen in de begripsomschrijving van handelingen op het gebied van de geneeskunst ook zijn opgenomen de verrichtingen in het kader van het beoordelen van de gezondheidstoestand van een persoon.
4.3. Over het optreden van de arts jegens klager kan bezwaarlijk anders worden geoordeeld dan dat de arts, in diens hoedanigheid van geneeskundig adviseur van H, was geroepen tot het beoordelen van de actuele gezondheidstoestand van klager in relatie tot het hem in 1995 overkomen ernstige verkeersongeluk. Dat optreden van de arts moet dan ook - gezien de tekst en de strekking van de Wet BIG - worden beschouwd als handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van artikel 1 van die wet. De in de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden van verzekerings- en keuringsartsen vormen in dat verband een adequate adstructie. De mogelijkheid van tuchtrechtelijke toetsing van het (bekritiseerde) handelen van de arts is daarvan dan het logische gevolg.
4.4. Door klager ontvankelijk te achten in diens klacht heeft het Regionaal Tuchtcollege in zoverre op goede gronden een juiste beslissing gegeven.
4.5. Het incidenteel beroep moet dan ook stranden.
In het principaal appèl:
4.6. Vooropgesteld zij dat de arts, door zich te voorzien van neurologische expertise bij de beantwoording van vragen waarvoor hij zelf de nodige deskundigheid ontbeerde, niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Het stond hem vrij zich met relevante vraagstelling te wenden tot de neuroloog C, die evenals de arts gebonden is aan het medisch beroepsgeheim, teneinde in casu zijn taak als geneeskundig adviseur naar behoren te kunnen vervullen.
4.7. De beroepsgroep van geneeskundig adviseurs werkzaam bij verzekeringsmaatschappijen is dezelfde opvatting toegedaan, getuige punt 4, eerste volzin, van paragraaf 2.2. van de Beroepscode voor geneeskundig adviseurs werkzaam bij particuliere verzekeringsmaatschappijen: ‘De geneeskundig adviseur kan een andere arts verzoeken een keuring of ander geneeskundig onderzoek voor hem te verrichten’.
4.8. De neuroloog is, door op het verzoek van de arts in te gaan, samen met de arts gaan behoren tot een functionele eenheid van personen (als bedoeld in punt 12 van de Beroepscode) die noodzakelijkerwijze betrokken zijn bij het doel waarvoor de medische gegevens zijn gevraagd c.q. verstrekt.
4.9. In dat licht is het bepaald voor de hand liggend dat de arts, gelet op de voorliggende vraagstelling, aan de geconsulteerde neuroloog het medisch dossier ter beschikking stelt ter beantwoording van de vragen op neurologisch gebied. Opgemerkt in dit verband zij dat klager zich beklaagt over het ter beschikking stellen van het medisch dossier op zich, maar niet stelt dat de arts onnodig te veel gegevens aan de neuroloog heeft verstrekt. Van schending van het beroepsgeheim door de consultvragende arts is onder die omstandigheden geen sprake.
4.10. Rest dan de vraag of de arts gehouden was het dossier te anonimiseren alvorens het aan de neuroloog ter beschikking te stellen. Met het Regio-naal Tuchtcollege beantwoordt het Centraal Tuchtcollege die vraag ontkennend. Anonimiseren zou immers in casu geen enkel redelijk doel hebben gediend, nu in de civiele procedure waarin de neurologische expertise werd verzocht, aanstonds duidelijk zou zijn geweest dat de rapportage de persoon van klager betrof, terwijl de geraadpleegde neuroloog, net als de arts, gebonden is aan het medisch beroepsgeheim. Tevens heeft klager in prima te kennen gegeven dat hij hoogstwaarschijnlijk toestemming tot inzage door de neuroloog zou hebben verleend indien hem daarom zou zijn gevraagd. Dat alles zo zijnde, mocht de arts anonimisering van het dossier achterwege laten.
4.11. Het vorenstaande neemt niet weg dat het beter ware geweest klager in kennis te stellen van de procedure die de arts gedwongen was te volgen bij de beantwoording van de vragen op een terrein dat niet tot zijn deskundigheid mocht worden gerekend, en daarvoor toe-stemming aan klager te vragen. Door dat na te laten heeft hij weliswaar verzuimd toepassing te geven aan het bepaalde in de laatste volzin van punt 4 van de Beroepscode, maar dat verzuim is in casu in het raam van het geheel van feiten en omstandigheden van onvoldoende gewicht om daaraan in tuchtrechtelijk opzicht consequenties te verbinden.
4.12. Ook het principaal appèl dient te worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
In het incidenteel appèl:
verwerpt het beroep;
In het principaal appèl:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staats-courant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in de Raadkamer door: mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. H.S. Pruiksma, leden-juristen; dr. M.M. Veering, M.T.L.W. Boersma, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2004 door mr. P. Neleman, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Klik hier voor het PDF-betand van dit artikel
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 31 augustus 2004
Beslissing in de zaak met nummer 2003/177 van: A, wonende te B, appellant in het principaal appèl, verweerder in het incidenteel appèl, gemachtigde mr. E.P. Dorenbosch, advocaat te Hengelo, tegen C, neuroloog, wonende te D, verweerder in het principaal appèl, appellant in het incidenteel appèl, gemachtigde mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
Appellant in het principaal appèl, tevens verweerder in het incidenteel appèl - hierna te noemen klager - heeft op 13 december 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen verweerder in het principaal appèl, tevens appellant in het incidenteel appèl - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 april 2003, nummer 01/257, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, waarbij tevens incidenteel beroep werd ingesteld.
Klager heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.
De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.
De zaak is in hoger beroep behandeld gezamenlijk, maar niet gevoegd, met de zaak A/E (2003/178) ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 3 juni 2004, waar is verschenen mr. Nunes, de advocaat van de arts.
De arts alsmede klager en diens advocaat zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven (en voorzover in hoger beroep van belang), het volgende in:
2.1.1. De klacht:
Klager verwijt verweerder dat hij zonder voorafgaande toestemming zijnerzijds van de hem ter beschikking gestelde niet geanonimiseerde medische gegevens van klager heeft kennis genomen en dat hij zonder medisch onderzoek over hem heeft gerapporteerd.
2.1.2. Het verweer:
Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht omdat het handelen van de arts ten aanzien van klager niet valt onder de werkingssfeer van artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG c.q. de wet).
Daarnaast meent de arts dat hij, gebonden aan zijn beroepsgeheim, desgevraagd een oordeel mocht geven met betrekking tot de aan hem voorgelegde vragen. Hij hoefde daarbij niet zelf na te gaan of toestemming van klager was vereist, en, zo ja, verkregen. Nu hij door het verzoek om advisering tot de zogenoemde functionele eenheid is gaan behoren mocht toestemming van klager worden verondersteld. De arts geeft er de voorkeur aan om de betrokkene zelf te onderzoeken. Indien een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, brengt hij slechts een rapport of advies uit als hij meent dat dat in dat geval kan. In casu was dat het geval.
2.2. Het Regionaal Tuchtcollege heeft (voo zover in hoger beroep van belang) aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
‘Met klager is het college van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Verweerder is ten aanzien van klager opgetreden als beoordelaar van diens gezondheidstoestand en heeft in het kader daarvan de doorE aan hem voorgelegde, op diens gezondheidstoestand betrekking hebbende vragen beantwoord. Ingevolge artikel 1 lid 2 sub a juncto lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg valt dit handelen onder de werkingssfeer van artikel 47 lid 1 b van die wet.
Met betrekking tot de vraag of het verweerder tuchtrechtelijk gezien vrijstond kennis te nemen van het niet geanonimiseerde medische dossier betreffende klager is het college van oordeel dat die bevestigend moet worden beantwoord. In dit verband is van belang dat verweerder, evenals E, de plicht tot beroepsgeheim heeft. Voorts kan niet worden gezegd dat verweerder buiten het bereik van de aan hem voorgelegde vragen is getreden. Dat verweerder werd verzocht de vragen te beantwoorden zonder klager te onderzoeken behoefde hem niet van rapportage te weerhouden.
Uit een en ander volgt dat de klacht niet gegrond is.’
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden (zoals opgenomen in de bestreden beslissing):
‘Verweerder is verbonden aan expertisebureauF te G Hij verricht medische expertises ten behoeve van onder anderen verzekeringsmaatschappijen en advocatenkantoren.
Klager heeft op 19 maart 1995 ernstig letsel opgelopen bij een verkeersongeval waarvoor H-Verzekeringen aansprakelijkheid heeft erkend. Tussen klager en H bestaat verschil van mening over de vraag of en, zo ja, welke huidige klachten en beperkingen van klager zijn veroorzaakt door het ongeval. Het gerechtshof te I heeft bij beschikking van 12 juni 2001 bepaald dat een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuroloog moest plaatsvinden. Klager heeft H op 15 augustus 2001 doen dagvaarden in kort geding, teneinde een voorschot te verkrijgen op door hem gevorderde schadevergoeding.
Bij brief van 17 augustus 2001 heeft de medisch adviseur van H, E, verweerder verzocht om aan de hand van het op dat moment bij H beschikbare medische dossier van klager een zestal vragen te beantwoorden.
E heeft verweerder daartoe bedoeld medisch dossier in een niet geanonimiseerde weergave ter hand gesteld. Klager is niet op de hoogte gebracht van het aan verweerder gedane verzoek. Verweerder heeft op 6 september 2001 aan E gerapporteerd. De belangenbehartiger van H heeft bij brief van 10 september 2001 het rapport van H aan de President in kort geding doen toekomen.’
4. Beoordeling van het hoger beroep
In het incidenteel appèl:
4.1. Naar luid van artikel 1, eerste lid, van de wet BIG, juncto het tweede lid, sub a, van die wet, wordt ondermeer als handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg aangemerkt elke verrichting die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon en ertoe strekt diens gezondheidstoestand te beoordelen.
4.2. De Memorie van Toelichting bij voormeld wetsartikel (MvT, TK 19 522, nr. 3, pagina 86) leert dat behalve de preventieve en curatieve handelingen in de begripsomschrijving van handelingen op het gebied van de geneeskunst ook zijn genomen de verrichtingen in het kader van het beoordelen van de gezondheidstoestand van een persoon.
4.3.Over het optreden van de arts in het kader van beantwoording van vragen op neurologisch terrein met betrekking tot klager, kan bezwaarlijk anders worden geoordeeld dan dat de arts, in diens hoedanigheid van door de geneeskundig adviseur van H geconsulteerde neuroloog, was geroepen tot het beoordelen van de actuele gezondheidstoestand van klager in relatie tot het hem in 1995 overkomen ernstige verkeersongeluk. Dat optreden van de arts moet dan ook zonder meer - gezien de tekst en de strekking van de Wet BIG - worden beschouwd als handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van artikel 1 van die wet. De in de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden van verzekerings- en keuringsartsen vormen in dat verband een adequate adstructie. De mogelijkheid van tuchtrechtelijke toetsing van het (bekritiseerde) handelen van de arts is daarvan dan het logische gevolg.
4.4. Door klager ontvankelijk te achten in diens klacht heeft het Regionaal Tuchtcollege in zoverre op goede gronden een juiste beslissing gegeven.
4.5. Het incidenteel beroep moet dan ook stranden.
In het principaal appèl:
4.6. Vooropgesteld zij dat de arts, door te voorzien in neurologische expertise ten behoeve van beantwoording van vragen op neurologisch terrein ten dienste van de geneeskundig adviseur E, niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Het stond hem aldus vrij de hem door de arts E voorgelegde vragen op neurologisch terrein te beantwoorden.
4.7. De beroepsgroep van geneeskundig adviseurs werkzaam bij verzekeringsmaatschappijen is dezelfde opvatting toegedaan, getuige punt 4, eerste volzin, van paragraaf 2.2 van de Beroepscode voor geneeskundig adviseurs werkzaam bij particuliere verzekeringsmaatschappijen: ‘De geneeskundig adviseur kan een andere arts verzoeken een keuring of ander geneeskundig onderzoek voor hem te verrichten.’ Niet is gesteld of anderszins gebleken dat binnen de beroepsgroep neurologie een van het voorgaande afwijkende opvatting zou gelden.
4.8. De arts-neuroloog is, door op het verzoek van de geneeskundig adviseur E, die net als hijzelf gehouden is het medische beroepsgeheim na te leven, in te gaan, samen met de arts E gaan behoren tot een functionele eenheid van personen (als bedoeld in punt 12 van de Beroepscode) die noodzakelijkerwijze betrokken zijn bij het doel waarvoor de medische gegevens zijn gevraagd c.q. verstrekt. In dat licht is het voor de hand liggend dat de arts-neuroloog kennis heeft genomen van het hem toegezonden medisch dossier inzake klager.
4.9. De opvatting van klager dat de arts had behoren af te zien van de inzage (en dus van de opdracht) moet dan ook worden verworpen. Het Centraal Tuchtcollege merkt in dit verband nog op dat de arts, als onderdeel van bovenbedoelde functionele eenheid, er in beginsel vanuit mocht gaan dat de consult vragende geneeskundig adviseur E conform het bepaalde in de laatste volzin van punt 4 van de Beroepscode correct had gehandeld, zonder dat hem dat overigens op voorhand ontslaat van de verplichting bij E na te gaan of toestemming door klager was verleend, zeker nu aan hem een volledig doch niet geanonimiseerd dossier werd voorgelegd. De omstandigheid dat de arts dat laatste heeft nagelaten is echter in het totale kader van feiten en omstandigheden van onvoldoende gewicht om daaraan tuchtrechtelijke consequenties te verbinden.
4.10. Rest dan de vraag of de arts had behoren af te zien van inzage in dat dossier nu dat niet was geanonimiseerd. Met het Regionaal Tuchtcollege beantwoordt het Centraal Tuchtcollege die vraag ontkennend. Anonimiseren zou immers in casu geen enkel redelijk doel hebben gediend, nu in de civiele procedure waarin de neurologische expertise werd verzocht aanstonds duidelijk zou zijn geweest dat de rapportage de persoon van klager betrof, terwijl de arts, net als de geneeskundig adviseur E, gebonden is aan het medisch beroepsgeheim. Tevens heeft klager in prima te kennen gegeven dat hij hoogstwaarschijnlijk toestemming tot inzage door de neuroloog zou hebben verleend indien hem daarom zou zijn gevraagd. Dat alles zo zijnde, behoefde de arts de achterwege gelaten anonimisering van het dossier niet te beschouwen als verhindering van het dossier kennis te nemen.
4.11. Dat de arts zijn rapport aan de geneeskundig adviseur heeft uitgebracht zonder persoonlijk klager te hebben onderzocht, levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op, nu het verzoek van de geneeskundig adviseur niet meer inhield dan de beantwoording van enige vragen aan de hand van het reeds beschikbare dossier. Opgemerkt zij dat de arts in het door hem uitgebrachte rapport ook nergens de suggestie wekt dat lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Integendeel: de neuroloog vermeldt in de aanhef van zijn rapport met zoveel woorden dat wordt gerapporteerd ‘naar aanleiding van bestudering van het mij toegezonden dossier’. Overigens bestonden er geen belemmeringen van beroepsmatige of tuchtrechtelijke aard voor de neuroloog om in casu te handelen zoals hij heeft gedaan.
4.12. Ook het principaal appèl dient te worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
In het incidenteel appèl:
verwerpt het beroep;
In het principaal appèl:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raadkamer door: mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. H.S. Pruiksma, leden-juristen en dr. M.M. Veering, M.T.L.W. Boersma, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2004, door mr. P. Neleman, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Doc: Retourtje hiernamaals
15-03-2012 |
Retourtje hiernamaals is een documentaire over de veranderingen die mensen ondergaan nadat ze een bijna-dood- ervaring (BDE) hebben gehad. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



