U bent nu hier:

Vissen in een lege vijver

Publicatie Nr. 29/30 - 19 juli 2006
Jaargang 2006
Auteur R. Crommentuyn
Pagina's 1200 - 1202

Arbeidsmarkt voor verzekeringsartsen is onbestendig

Het UWV moet alle zeilen bijzetten om voldoende verzekeringsartsen aan te trekken. Een onzeker toekomstperspectief en verslechterde arbeidsvoorwaarden zetten aspirant-verzekeringsgeneeskundigen aan het denken.

‘We adverteren nog wel voor verzekeringsartsen’, zegt medisch adviseur ­Herman Kroneman van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).
 ‘Onlangs nog met een paginagrote advertentie in een landelijk dagblad. Maar het loopt niet storm. De advertentie heeft een of twee reacties opgeleverd. Je kan inderdaad vaststellen dat de vijver leeg is.’

Met harde toezeggingen aan de politiek heeft het UWV zich in een lastige positie gemanoeuvreerd. Op 1 juli volgend jaar moet de grote herkeuringsoperatie van WAO’ers volgens het aangepaste Schattingsbesluit (aSB) achter de rug zijn. In totaal is dan de arbeids(on)geschiktheid van 325.000 mensen herbeoordeeld. Voor dat werk zijn veel verzekeringsartsen nodig. Het UWV heeft al ongeveer 800 van de in totaal 1100 verzekeringsgeneeskundigen in dienst, maar het maximum lijkt bereikt. Nieuwe mensen zijn nauwelijks nog te vinden.

Dat beaamt ook Roland Rasenberg van BKV Artsenmediair. ‘Voor het aantrekken van verzekeringsgeneeskundigen heeft het UWV vorig jaar een overeenkomst gesloten met de bedrijven Cliënt First en Argonaut Advies. Maar omdat deze bedrijven niet kunnen voldoen aan de vraag, doen ze ook een beroep op ons. Wij hebben nu geregeld vacatures voor verzekeringsartsen en basisartsen die bijgeschoold willen worden voor het keuringswerk en die eventueel de opleiding tot verzekeringsarts willen volgen.’

Ook BKV heeft moeite om alle vacatures ingevuld te krijgen. ‘Eens even zien. We hebben nu elf aanvragen lopen. De gemiddelde doorlooptijd daarvan varieert nogal. Sommige gaan heel snel. Maar in bepaalde regio’s krijg je de vacatures gewoon niet snel ingevuld.’

Krappe markt
Vice-voorzitter Norbert van der Plas van de Vereniging van UWV-artsen (UWVA) noemt het artsentekort bij zijn organisatie problematisch. ‘Het is moeilijk om het werk kwantitatief en kwalitatief goed aan te sturen. Wij vinden dat verzekeringsgeneeskunde moet worden bedreven door verzekeringsgeneeskundigen. Het UWV huurt nu in negen van de tien gevallen een niet-verzekeringsgeneeskundige in, meestal een bedrijfsarts. Bedrijfsartsen zijn prima artsen, maar geen verzekeringsartsen. Het werk is complex en specialistisch. Als er een tekort aan KNO-artsen is, laat je het werk toch ook niet opknappen door oogartsen?’

Zijn ‘baas’ Kroneman denkt daar genuanceerder over. ‘We zetten bij de herbeoordelingen bedrijfsartsen in die ervaring hebben opgedaan met claimbeoordeling. Zorgvuldigheid en kwaliteit staat daarbij voorop. Voor verzekeringsartsen en bedrijfsartsen geldt dezelfde maat, ze moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen. Om dat te garanderen, voeren wij een-op-een dossiercontroles uit. En we oordelen precies zoals de Inspectie voor Werk en Inkomen. Ondanks de krappe markt is er geen sprake van kwaliteitsverlies bij de herbeoordelingen. En we hebben ondanks de krapte ook al afscheid genomen van artsen die niet aan de norm voldeden.’

Op korte termijn ziet zijn collega Van der Plas geen verbetering optreden in het aanbod aan verzekeringsartsen. ‘De instroom in de opleiding is opgedroogd. Er zijn meer plaatsen dan kandidaten. De behoefte is honderd à tweehonderd verzekeringsartsen in opleiding per jaar. Dat wordt bij lange na niet gehaald.’ Cijfers van opleidingsinstituut NSPOH bevestigen dat. In 2002 waren er nog vier groepen van vijftien à twintig artsen in opleiding. In 2003 nog drie groepen, in 2004 en 2005 nog maar één en dit jaar is er nog geen opleidingsgroep gestart.

Volgens Van der Plas zijn het imago en de aantrekkelijkheid van het vak in het geding. ‘En dat hangt weer samen met de mogelijkheden die de werkgever biedt, zowel in de primaire als in de secundaire arbeidsvoorwaarden.’ Die voorwaarden zijn voor verzekeringsartsen in loondienst bij het UWV de laatste jaren aanmerkelijk verslechterd.
Dat weet ook arbeidsbemiddelaar Rasenberg van BKV Artsenmediair. ‘Enkele jaren geleden presenteerde het UWV zich nog als een werkgever die een prima balans bood tussen werk en privé. De salarissen waren riant en alle artsen kregen een auto van de zaak. De basisartsen die wij nu leveren, krijgen een ­tijdelijke aanstelling en een lager, maar nog altijd marktconform salaris. Ze worden aangenomen met het vooruitzicht dat ze de opleiding in kunnen, maar alleen ‘als de wetgeving dat toelaat’. Het UWV weet immers niet hoe het met de werkgelegenheid zal zijn na de herkeuringsoperatie.’

Tegelijkertijd hebben verzekeringsgeneeskundigen die als zelfstandige bij het UWV aan het werk gaan het beter getroffen. ‘Zij spreken een prestatieverplichting af met het UWV en krijgen daarvoor ongeveer honderd euro per uur. Als je vijf dagen in de week acht uur per dag werkt, levert dat een aardig bedrag op.’ Volgens Kroneman is een verschil in beloning tussen vaste en tijdelijke medewerkers te billijken. ‘Werknemers met een tijdelijk contract lopen immers meer risico.’

Leaseauto
In de goede tijd trok het UWV veel verzekeringsartsen met het vooruitzicht op een auto van de zaak. Alom werd deze secundaire arbeidsvoorwaarde hoog gewaardeerd. Maar in 2004 beëindigde de uitkeringsinstantie eenzijdig de autoregeling. De kwestie is binnen het UWV hoog opgelopen en uiteindelijk moest het Nederlands Arbitrage Instituut tussenbeide komen. In mei kwam het tot een definitieve uitspraak. Met terugwerkende kracht is de leaseautoregeling met ingang van 2004 afgeschaft. Artsen die toen al over een auto beschikten, hebben recht op een overgangsregeling van drie jaar. Artsen die al lang voor het UWV werken, krijgen daar afhankelijk van de lengte van het dienstverband nog enkele maanden of jaren bovenop.

Volgens Van der Plas heeft de maatregel de sfeer behoorlijk vertroebeld. ‘Het is absoluut een belangrijk onderwerp van gesprek. Als er aan de materiële randvoorwaarden wordt getornd, bevordert dat de arbeidsvreugde niet.’ Volgens Van der Plas kan de schade ­oplopen tot een wezenlijk deel van het inkomen. ‘We hadden een leaseauto met een normleasebedrag van 738 euro (goed voor een ruime middenklasser, RC). De kosten van de auto voor de arts bestaan uit een (fiscaal aftrekbare) bijdrage van ruim 100 euro aan de werkgever. En je hebt nog de belastingbijtelling (22% van de cataloguswaarde telt op bij het belastbaar inkomen). Voor een relatief gering bedrag kun je dus zowel zakelijk als privé een prima auto rijden. Alle collega’s ­zullen het keihard in de portemonnee voelen. Eerst had je gewoon die auto zonder aanschafkosten en alleen elke maand een te overziene bijdrage en straks mag je een fors bedrag afrekenen bij de dealer én heb je alle kosten van verzekeringen, belasting, onderhoud en afschrijving. Het scheelt al snel vele honderden euro’s per maand. Dat is zeker.’

Slechtere arbeidsvoorwaarden zijn nog tot daar aan toe, maar als ook de baanzekerheid niet vaststaat, kan een vak snel aan aantrekkelijkheid verliezen. Volgens sommige UWV-artsen dreigt dat te gebeuren. Immers, op enig moment is de stroom aan herkeuringen opgedroogd. Ook voor de opvolger van de WAO, de WIA (Wet Werk en Inkomen uit Arbeidsvermogen) zullen nog keuringswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Maar volgens de jongste cijfers over de WIA blijft de instroom in deze regeling ver achter bij de verwachtingen. Na 2007 zou er daarom wel eens een overschot aan verzekeringsartsen kunnen ontstaan. Vooral jonge verzekeringsartsen maken zich zorgen en kiezen eieren voor hun geld.

De 33-jarige Laurens Buisman is één van hen. Na drie jaar UWV begint hij in augustus aan zijn nieuwe baan als medisch adviseur letselschade bij Interpolis. ‘Mijn overwegingen om over te stappen zijn grotendeels vakinhoudelijk. Tot voor kort hield je je als UWV-arts bezig met verschillende taken. Nu moet je kiezen: of je werkt voor de WIA of voor de Ziektewet. Dat maakt het vak minder breed.’

Maar ook het ongewisse toekomstperspectief en de verslechterde arbeidsvoorwaarden waren voor hem reden de overstap te wagen. ‘Toen ik in dienst kwam, hoorde de leaseauto er vanzelfsprekend bij. Een paar maanden later was ik hem alweer kwijt. Voor jonge artsen is de overgangsregeling nadelig. Zij zijn als eerste de auto kwijt. Ook qua salaris zijn ze slechter af dan degenen die hier al langer zitten. Het brutoverschil kan wel tot 33 procent oplopen.’
En als er straks een overschot aan verzekeringsartsen zou ontstaan, zijn weer de jonge artsen de klos. ‘Dan is het last in, first out, ondanks de indeling in leeftijdscohorten. Mijn leeftijdsgenoten zijn teleurgesteld. Er is kennelijk weinig collectief gevoel. De houding wordt dan: ik maak mijn opleiding af en ik zie wel hoelang ik daarna nog blijf. Ik stap nu over omdat de kans zich voordeed. Zo eenvoudig is het niet om een plek te vinden bij bijvoorbeeld een private verzekeraar. Bovendien is het niet denkbeeldig dat over twee of drie jaar de arbeidsmarkt wordt overspoeld met verzekeringsartsen. Dat moment wilde ik toch wel voor zijn.’

Toekomstperspectief
Of er op termijn daadwerkelijk een overschot aan verzekeringsartsen ontstaat, is volgens UWV’er Kroneman koffiedik kijken. ‘Dat is vooral afhankelijk van de WIA-instroom, en die is op dit moment nog niet stabiel.’ Zijn organisatie is in ieder geval al druk bezig om het werkterrein te verbreden en diensten aan te bieden aan gemeenten. De claim van mensen in de bijstand die zeggen dat ze niet kunnen werken of solliciteren, moet bijvoorbeeld worden getoetst. En ook de vraag of een woningaanpassing nodig is, komt voor beoordeling door een verzekeringsgeneeskundige in aanmerking.
Volgens Kroneman heeft het verzekeringsgeneeskundige vak juist een geweldig toekomstperspectief. ‘We staan voor grote ontwikkelingen. Er gaat in de komende jaren meer veranderen dan in de afgelopen tien, twintig jaar. De professionalisering van het vak gaat een grote vlucht nemen, mede door de oprichting van een kenniscentrum aan het VU medisch centrum en het AMC. Het vak gaat zich beter verankeren in de maatschappij, de artsen zullen zich meer richten naar de cliënten. Ze zullen deelnemen aan overleggen van patiëntenorganisaties en nauwer samenwerken met curatieve collega’s, bijvoorbeeld door te participeren in patiëntenbesprekingen.’

Om die toekomstbestendige verzekeringsarts daarop goed voor te bereiden, is de opleiding gemoderniseerd. Met ingang van 2007 verzorgt de NSPOH competentiegericht onderwijs voor verzekeringsgeneeskundigen. Tenminste, als er voldoende kandidaten zijn. Volgens een woordvoerder van de NSPOH wordt er hard aan getrokken om een studentengroep te formeren. Er zijn ten minste vijftien gegadigden nodig om de nieuwe opleiding te kunnen starten. ‘Met een stuk of zes wordt het veel te duur.’

Robert Crommentuyn


Vraag en aanbod
Uit de gegevens van de Arbeidsmarkt­monitor (zie blz. 1196) blijkt dat er in het afgelopen kwartaal veertien gepubliceerde vacatures voor verzekeringsgeneeskundigen waren. Daar moet bij worden aangetekend dat Argonaut Advies en Client First niet adverteren voor vacatures.
Aan de aanbodzijde blijkt dat het saldo aan in- en uitschrijvingen van verzekeringsartsen in het BIG-register zes was. In dezelfde periode rondden 22 verzekeringsartsen hun opleiding af.
Er was met tien vacatures betrekkelijk veel vraag naar basisartsen voor keuringswerkzaamheden. << RC

Klik hier voor het PDF van dit artikel

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd