U bent nu hier:

MC 26-Neuromusculair onderzoek mét erectie

Publicatie Nr. 26 - 23 juni 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen

Wat hebben de diagnosen oppervlakkige tromboflebitis linkerbeen, diverticulose, irritable-bowel syndrome, opgezette lymfeklieren in de hals bij een m. Hodgkin in de familie, obstipatie, anusfissuur en de bevinding van een BSE van 36-52 met elkaar gemeen? En zijn deze bevindingen zo verontrustend dat eens per maand een bezoek moet worden gebracht aan een internist?
U fronst nu ongetwijfeld uw wenkbrauwen, wij ook. Rechtvaardigen de klachten bij bovenstaande diagnosen een uitsluitend bij vrouwen uitgevoerd ‘neuromusculair onderzoek’ dat in een pornofilm niet zou hebben misstaan? Wij zijn zeer benieuwd in welk leerboek het onderzoek is beschreven waarbij de arts en face staat tussen de benen van een schaars geklede patiënte, zich daarbij stevig tegen haar aandrukt, haar haar armen om zijn nek laat slaan om zogenaamd de wervelkolom en de rugspieren te palperen, daarbij ook en passant haar labia zowel boven als onder de gordel meeneemt en zelfs een erectie krijgt.
‘Een vieze dokter’, zouden wij op zijn Hollands zeggen en een schande voor het vak. Daar heb je als collega toch weinig fantasie voor nodig.  Het Centraal Tuchtcollege zegt het wat formeler maar bedoelt hetzelfde: de internist krijgt een onvoorwaardelijke schorsing van zes maanden. Hij beweerde het onderzoek in zijn opleiding zo geleerd te hebben, maar hij begreep nu wel dat dit onderzoek tot misverstanden zou kunnen leiden.
Het zou goed zijn als de inspectie ook eens een kijkje ging nemen bij de opleider van de geschorste arts om het neuromusculaire ‘onderzoek’ uit de opleiding te schrappen. Vreemd genoeg doet het CTG geen uitspraak over de onzinnigheid van dat onderzoek.


B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 9 maart 2004
Beslissing in de zaak onder nummer 2003/142 van: 1. A, 2. B, in hun hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg in de regio C, kantoorhoudende te D, appellanten, tegen E, internist-nefroloog, wonende te F, verweerder in hoger beroep, gemachtigde: mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam.


1.Verloop van de procedure
Appellanten - hierna te noemen klagers
- hebben bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen verweerder in beroep - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend, ingekomen op 27 augustus 2001. Bij beslissing van 7 januari 2003, onder nummer 01/179, heeft dat College de inschrijving van de arts voor de tijd van drie maanden geschorst. Echter nog voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde dat de arts zich binnen een proeftijd van twee jaar niet meer aan een gelijk of soortgelijk handelen in strijd met de zorg, als waarvan in deze sprake was, schuldig maakt en voorts met bepaling dat de beslissing zal worden gepubliceerd op de wijze als in de beslissing vermeld.
Klagers zijn van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend en daarbij tevens incidenteel beroep ingesteld.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare  terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 januari 2004, waar zijn verschenen klagers en de arts, bijgestaan door mr. Van Hapert.


2. Beslissing in eerste aanleg
2.1  Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht geformuleerd als volgt.


‘De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:


1. volgens een vast patroon bij ten minste vier patiënten ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond, althans gedrag dat door de betreffende patiënten als seksueel intimiderend is ervaren;
2. niet in overeenstemming met de professionele standaard handelt bij de als neuromusculair onderzoek omschreven verrichting; dit onderzoek herhaaldelijk uitvoert zonder dat op grond van het klachtenpatroon van de patiënten een medisch gefundeerde reden wordt aangevoerd;
3. op zijn polikliniekspreekuur ten minste drie patiënten frequent en langdurig heeft onderzocht en lang onder controle heeft gehouden zonder dat daartoe een medische noodzaak bestond.
 Mede gezien het onder 1 geformuleerde klachtonderdeel heeft verweerder de verdenking op zich geladen dat hij deze patiënten bewust onder
controle heeft gehouden omdat hij zich seksueel tot hen voelde aangetrokken;
4. in een gesprek met klagers geen blijk heeft gegeven van inzicht in het eigen handelen en zodoende geen leerpunten heeft kunnen formuleren ter verbetering van zijn handelen. Dit gebrek aan zelfinzicht doet vermoeden dat gevaar van herhaling niet kan worden uitgesloten.’


2.2. Het in eerste aanleg door de arts gevoerde verweer behelst - kort zakelijk weergegeven:


Ad 1. De arts betwist met klem dat hij zich aan grensoverschrijdend gedrag heeft schuldig gemaakt. Zijns inziens moet worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid van het onderzoek door klagers.


Ad 2. Het door de arts uitgevoerde onderzoek heeft hij tijdens zijn opleiding in G geleerd. Hij heeft in Nederland deze onderzoekswijze ook steeds zonder commentaar van collega’s gehanteerd.


Ad 3. De arts heeft zorgvuldig gehandeld en zo nodig naar andere specialisten of de huisarts verwezen. Hij bestrijdt dat er een medische noodzaak ontbrak voor de polikliniekbezoeken en/of onderzoeken. Hij erkent enigszins nalatig te zijn geweest in het bijhouden van de medische verslaglegging.


Ad 4. De arts ontkent dat er geen sprake is van zelfinzicht. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan ongewenste intimiteiten bij patiënten en een gevaar voor herhaling is derhalve niet aan de orde.


2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


‘De overwegingen van het college:


Ad 1. Vast staat dat vier vrouwelijke patiënten, die elkaar niet kenden, onafhankelijk van elkaar verklaringen hebben afgelegd, tegenover zowel de inspectie als tegenover het college, over grensoverschrijdend gedag van verweerder tijdens zijn werkzaamheden als internist in het H-ziekenhuis. In gelijkluidende bewoordingen hebben de vier vrouwen op plastische wijze beschreven hoe verweerder onder meer zich tegen hen heeft aangedrukt tijdens het zogenoemde neuromusculair onderzoek en daarbij tekenen van seksuele opwinding vertoonde.
Voorts hebben enkele van de patiënten verklaard dat verweerder hun vulva betastte zonder uitleg te geven over de noodzaak hiervan.
Het College stelt voorop het oordeel van klagers te delen dat in zaken als onderhavige de drempel voor de betrokken patiënten om verklaringen ten overstaan van derden af te leggen over gedragingen van een arts in de regel hoog is. Het kan, naar het oordeel van het college, als een feit van algemene bekendheid worden geacht dat schaamte en schuldgevoelens daarbij een rol spelen. Het college acht het dan ook aannemelijk geworden dat de handelingen zoals door deze patiënten beschreven, ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Daarbij acht het college tevens van belang dat verweerder tijdens een gesprek over zijn gedragingen met een patiënte, in aanwezigheid van een familielid van de patiënte, heeft verklaard te ver te zijn gegaan tijdens zijn onderzoek.
Ten slotte heeft verweerder naar het oordeel van het college op niet overtuigende wijze tegen de hem verweten gedragingen verweer gevoerd. Dit alles overwegende komt het college tot het oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.


Ad 2. Naar het oordeel van het college stond het verweerder vrij als internist om het neuromusculair onderzoek als routineonderzoek te verrichten. Ofschoon het het college niet duidelijk is geworden welke afwijkingen verweerder hiermee precies trachtte op te sporen, betreft het een onderzoek dat, indien uitgevoerd zonder seksuele bedoelingen, niet belastend is. Het college acht dit klachtonderdeel derhalve ongegrond.


Ad 3. Vaststaat dat in de medische dossiers van de vier betrokken patiënten geen aanknopingspunten zijn te vinden waarom zij zo vaak en gedurende zo’n lange periode terug moesten komen voor poliklinische controle. Alle vier patiënten hadden een diffuus klachtenpatroon waarbij bij drie van hen een eerdere terugverwijzing naar de huisarts in de rede had gelegen. Naar het oordeel van het college valt echter niet vast te stellen dat er een relatie bestaat tussen de
frequente en langdurige poliklinische behandeling door verweerder en zijn seksuele verlangens.
Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens ongegrond.


Ad 4. Verweerder heeft op geen enkel punt erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Daar staat tegenover dat de klachten over zijn gedrag zich uitstrekken over de periode 1999-2000. Noch voor die tijd, noch nadien zijn er signalen geweest dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel intimiderende handelingen. Dit laatste in aanmerking nemende, zonder aan de ernst van de zaak afbreuk te doen, overweegt het college dat weliswaar de kans op herhaling niet is uitgesloten, maar dat daarmee nog niet is gegeven dat deze aannemelijk is geworden. Na ampel beraad heeft het college derhalve gemeend thans nog te kunnen volstaan met het opleggen van de na te noemen maatregel.


De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47, lid 1, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens zijn patiënten had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.’


3.Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Regionaal Tuchtcollege is bij de beoordeling van de klacht uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.


‘Verweerder, die onder meer in I en G is opgeleid, was van augustus 1998 tot 11 mei 2000 werkzaam als internist in het H-ziekenhuis te J. Op 11 mei 2000 is verweerder op staande voet ontslagen. De Raad van Bestuur van voornoemd ziekenhuis deed op dezelfde dag een schriftelijk melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg over klachten van vier vrouwelijke patiënten die zich hadden beklaagd over seksueel intimiderend gedrag van verweerder.
De inspectie heeft hierop contact opgenomen met deze vier patiënten. Met drie patiënten heeft de inspectie een gesprek gevoerd en hiervan een verslag gemaakt. Deze verslagen zijn door de betrokken patiënten voor akkoord getekend. Eén patiënte heeft zelf een verslag van haar ervaringen met verweerder geschreven en overgelegd aan de inspectie.
Alle vier patiënten hebben verklaard dat verweerder ten minste één maal onderzoek heeft verricht dat hij zelf omschrijft als ‘neuromusculair onderzoek’. Bij dit onderzoek moesten de patiënten, slechts gekleed in ondergoed, op de rand van de onderzoekstafel gaan zitten en de benen spreiden zodat verweerder tussen de benen van de patiënten kon gaan staan. De patiënten moesten vervolgens hun armen over de schouders van verweerder heen leggen, waarna de verweerder de wervelkolom en de rugspieren palpeerde. Volgens de patiënten drukte verweerder zich daarbij stevig tegen hen aan. Door twee patiënten werd verklaard dat hij daarbij een erectie had. Drie van de vier patiënten verklaarden dat door verweerder tijdens het onderzoek seksueel getinte opmerkingen werden gemaakt en door twee patiënten dat hij hen op de mond zoende.
Vier patiënten hebben verklaard dat verweerder de omgeving van vulva heeft betast en twee van hen dat verweerder vaginaal met een vinger van zijn hand is binnengedrongen zonder dat was uitgelegd waarom deze handeling op dat moment en op die wijze diende te worden uitgevoerd. Drie van de vier patiënten hebben verklaard dat verweerder hun borsten heeft gepalpeerd. Eén van de patiënten heeft na een dergelijke behandeling, tezamen met een familielid, een gesprek daarover gevoerd met verweerder, tijdens welk gesprek verweerder volgens de patiënte en het familielid heeft toegegeven dat hij te ver was gegaan. Verweerder heeft toen zijn excuses aangeboden en verzocht rekening te houden met zijn carrière.
Bij drie patiënten is sprake geweest van frequente controlebezoeken bij verweerder op de polikliniek. Eén van de patiënten, bij wie de diagnose oppervlakkige tromboflebitis linkerbeen, (geringe) diverticulose en irritable-bowel syndrome werd gesteld, is in een jaar tijd elf keer voor controle geweest bij verweerder. Na het vertrek van verweerder uit het ziekenhuis is zij ontslagen van verdere controle.
Een andere patiënte is in een periode van vijf maanden negen keer voor controle geweest in verband met opgezette lymfeklieren in haar hals en wegens het voorkomen van de ziekte van Hodgkin in de familie. Tijdens deze periode is er vijf keer laboratoriumonderzoek gedaan en twee keer is een cytologische punctie van de halsklieren verricht.
Na overleg met de huisarts heeft deze patiënte het contact met verweerder verbroken. Een derde patiënte is in een jaar tijd dertien keer bij verweerder op controle geweest. Er is in opdracht van verweerder twaalf keer laboratoriumonderzoek bij haar verricht. De diagnose is direct na het eerste consult gesteld op obstipatie en een anaal fissuur waarvoor verwijzing voor verdere behandeling naar een chirurg heeft plaatsgevonden. De patiënte bleef daarna onder controle van verweerder wegens een licht tot matig verhoogde bezinking (36-52mm). Na het vertrek van verweerder uit het ziekenhuis is patiënte ontslagen van verdere controle en is de huisarts gevraagd om de bezinking na een halfjaar nog eens te controleren.
Twee patiënten hebben verklaard dat verweerder heeft geprobeerd privé-afspraken met hen te maken en dat hij hun daarvoor zijn 06-nummer heeft gegeven.’


Tegen deze vaststelling van de feiten door het Regionaal Tuchtcollege zijn geen grieven geuit. Nu de behandeling in hoger beroep geen aanleiding heeft gegeven tot het vaststellen van andere feiten zal ook in hoger beroep worden uitgegaan van de in eerste aanleg vastgestelde feiten.


4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Het Centraal Tuchtcollege zal de zaak in volle omvang beoordelen, zodat ook de in eerste aanleg gegrond bevonden onderdelen van de klacht opnieuw worden beoordeeld.


4.2. Ten aanzien van het eerste en het derde onderdeel van de klacht heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen dan het Regionaal Tuchtcollege
met het oordeel waarvan het Centraal Tuchtcollege zich verenigt.


4.3. Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel heeft de arts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het herhaald uitgevoerde lichamelijk onderzoek zoals door de arts omschreven en in de frequentie waarin hij dit heeft verricht, uit medisch oogpunt nuttig en geboden was en dat hij zich daarbij in voldoende mate heeft onthouden van een benaderingswijze die als seksueel intimiderend kon worden geïnterpreteerd. Het Centraal Tuchtcollege acht dit klachtonderdeel, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, gegrond.


4.4. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel heeft de arts ter zitting van het Centraal Tuchtcollege volhard bij zijn standpunt dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Hij heeft verklaard wel tot het inzicht te zijn gekomen dat sommige handelingen tot misverstanden kunnen leiden. Het is hem duidelijk geworden hoe hij dient te handelen teneinde geen problemen te krijgen, aldus de arts. Mede gelet op het vorenstaande acht het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege de kans op herhaling niet zodanig aannemelijk geworden
dat daarmee bij het opleggen van een maatregel rekening dient te worden gehouden.


4.5. De door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van schorsing voor de duur van drie maanden, voorwaardelijk, doet naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege geen recht aan de ernst van de geconstateerde misdragingen. Een onvoorwaardelijke schorsing van aanzienlijke duur, zes maanden, is gelet op de hardnekkige ontkenning door de arts dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag alsook uit het oogpunt van normbevestiging geboden.


4.6.  Gelet op het vorenstaande kan de bestreden beslissing niet in stand blijven.


4.7. Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


vernietigt de beslissing waarvan beroep;


en opnieuw recht doende:


verklaart de klacht gegrond in voege als hierboven omschreven;
schorst de inschrijving van de arts in het register voor de tijd van zes maanden;


Bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. R.A. Torrenga, voorzitter; mr. A.D.R.M. Boumans, mr. A.H.A. Scholten, leden-juristen; prof.
dr. J.B.L. Hoekstra, dr. T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Walter-Ebbenhout, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2004, door mr. P. Neleman, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd