U bent nu hier:

MC 34-Gezinstherapie en geheimhouding

Publicatie Nr. 34 - 18 augustus 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Pagina's 1324 - 1327

Dat de geheimhoudingsplicht van de arts zich niet alleen beperkt tot hetgeen rechtstreeks in de relatie met de patiënt aan de orde komt, maar zich in het kader van de behandeling van de patiënt ook uitstrekt tot bijvoorbeeld gezinstherapiegesprekken, blijkt uit onderstaande zaak. Het aan de politie afgeven van verslagen van deze gesprekken leverde de aangeklaagde arts/psychotherapeut een waarschuwing op van het Regionaal Tuchtcollege.
Het feit dat de patiënte voor de gegevensverstrekking toestemming had gegeven, veranderde daar niets aan.
De psychiatrisch patiënte had  - na vertrek uit de kliniek - aangifte gedaan van seksueel misbruik door haar vader en broer. De arts in kwestie had zich er vervolgens niet tegen verzet dat een collega de politie de verslagen van de gezinsgesprekken gaf. En dit zonder overleg met de vader en de broer en zonder dat van een overmachtssituatie kon worden gesproken. Nadat de vader en de broer in hoger beroep waren vrijgesproken, hadden zij nog een appeltje te schillen met de arts: zij klaagden hem aan bij het tuchtcollege.
De klagers stelden dat de geheimhoudingsplicht ook voor hen gold en dat de verslagen dus niet aan de politie overhandigd hadden mogen worden. En terecht. Het beroepsgeheim omvat zoals bekend immers al datgene wat een arts bij het uitoefenen van zijn beroep als geheim is toevertrouwd of wat daarbij te zijner kennis is gekomen als geheim of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. Op basis van de in deze zaak van toepassing zijnde beroepscode voor psychotherapeuten had verweerder bovendien te maken met de regel dat de klagers, nu zij met toestemming van de patiënte in haar behandeling waren betrokken, daarmee ook dienden te worden gelijkgesteld met cliënten van de arts/psychotherapeut. Dat is maar goed ook, het zou het effect van gezinsgesprekken anders behoorlijk nivelleren.


B.V.M. Crul, arts
mr. w.p. rijksen


Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam d.d. 20 januari 2004


Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 13 februari 2002 binnengekomen klacht van: A, wonende te B, en C, eveneens wonende te B, klagers, tegen D, psychotherapeut, wonende te E, verweerder.


1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van: het klaagschrift met de bijlagen; de brief van A van 15 maart 2002; de brief van C, binnengekomen op 13 juni 2002; het verweerschrift van 21 juni 2002 met de bijlagen; de repliek binnengekomen op 31 juli 2002; de dupliek van 3 oktober 2002; de correspondentie betreffende het vooronderzoek; het proces-verbaal van het op 8 april 2003 gehouden mondeling vooronderzoek; de brief van A van 12 april 2003 met de bijlagen; de brieven van A van 25 juni, 1 juli en 3 juli 2003; de brief van de raadsman van verweerder van 23 juli 2003.


De klacht is ter openbare terecht-zitting van 20 januari 2004 behandeld gezamenlijk met de klacht van klagers tegen F (02/027P). In beide zaken zal een afzonderlijke beslissing worden gegeven.
A was aanwezig. Hij heeft verklaard dat hij door zijn zoon C schriftelijk is gemachtigd het woord te voeren.
Verweerder was ook aanwezig en werd bijgestaan door mr. G, advocaat te H.


2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, kan van het volgende worden uitgegaan:
Klagers zijn respectievelijk de vader en de broer van I. Op 9 april 1999 werd I, die toen 17 jaar oud was, opgenomen in J, centrum voor kinder- en jeugd-psychiatrie te K. Zij was voor die datum al meerdere jaren in verschillende andere psychiatrische ziekenhuizen behandeld. Verweerder, werkzaam als arts/psychotherapeut bij J, was chef de clinique van de afdeling waar I was opgenomen en voerde therapeutische gesprekken met I. F was als systeemtherapeute werkzaam bij J en rapporteerde aan D, die haar afdelingshoofd was.
F voerde in het kader van de behandeling van I met haar toestemming in wisselende samenstelling gezinsgesprekken met I, haar vader en moeder en haar broer. Uitgangspunt bij deze gesprekken was onder meer een door I in 1996 opgestelde brief waarin zij haar vader en broer beschuldigde van seksueel misbruik. F heeft van de gevoerde gesprekken na afloop daarvan steeds verslagen opgesteld. In het kader van de gezinsgesprekken heeft A (hierna ook: vader) aan F verzocht om vertrouwelijkheid. F heeft in reactie hierop de verslagen van de gesprekken niet zoals gebruikelijk in het dossier van I gevoegd.
De verslagen zijn door F aanvankelijk apart in haar afgesloten bureaulade bewaard. Zij heeft over deze afwijking van het gebruikelijke dossierbeleid binnen J overleg gevoerd met verweerder, die met deze handelwijze akkoord is gegaan.


In oktober 1999 is F op een andere afdeling binnen J gaan werken. F heeft toen, mede vanwege haar vertrek van de afdeling, in overleg met verweerder een brief opgesteld. Deze brief was gericht aan de vader van I en gedateerd 11 oktober 1999. In deze brief beschrijft F gedetailleerd het in het gesprek van 19 juni 1999 aan de orde gekomen seksueel grensoverschrijdend handelen van de vader van I. F heeft een dergelijke brief ook opgesteld voor de broer van I.
De bedoeling van deze brieven was voorts dat de vader en de broer van I deze brieven zouden ondertekenen, zodat de brieven een erkenning van het misbruik zouden vormen en de basis zouden kunnen zijn voor de verdere behandeling van I in J. De brieven zijn overhandigd in het overdrachtsgesprek dat F en haar opvolgster L met de vader van I voerden. De vader van I heeft vervolgens onderaan de brief een reactie getypt die - kort gezegd - erop neerkomt dat hij het niet eens is met de weergave van het gesprek. Hij heeft de brief vervolgens aan J geretourneerd.


F heeft de gespreksverslagen en de hiervoor genoemde brieven bij haar vertrek van de afdeling uit haar bureaulade gehaald, in een enveloppe gedaan en in het postvak van verweerder gelegd. Verweerder heeft de enveloppe vervolgens in het dossier van I gevoegd. Hij heeft hieraan niet het predikaat vertrouwelijk gegeven.
Op 25 januari 2000 is I, die inmiddels meerderjarig was geworden, uit de behandeling in J ontslagen. De behandeling is vervolgens elders voortgezet. Op 29 februari 2000 heeft I aangifte gedaan van seksueel misbruik door klagers. Op 20 maart 2000 heeft I schriftelijk toestemming verleend aan J tot afgifte van haar medisch dossier aan de politie. In april/mei 2000 is het dossier door de eerste geneeskundige van J, M (verweerder in de zaak 02/029), na overleg met D overhandigd aan de politie. M heeft voordat afgifte plaatsvond, de reactie van de vader van I op de brief van 11 oktober 1999 uit het dossier verwijderd. F was op dat moment met vakantie. De reactie van de vader van I is nadien alsnog aan de politie overgelegd.
Klagers zijn ook in hoger beroep door het Gerechtshof te H vrijgesproken van het hun ten laste gelegde seksueel misbruik van I.


3. Het standpunt van klagers en de klacht
Klagers hebben hun klacht ter terechtzitting gewijzigd. De klacht houdt thans - zakelijk weergegeven - in dat verweerder:
1. M er niet van heeft weerhouden het dossier aan de politie te geven. M en verweerder hebben hierover immers vooraf overleg gevoerd;
2. I heeft aangezet tot het doen van aangifte van seksueel misbruik jegens klagers.


Klagers stellen hiertoe dat zij in J patiënt waren en dat jegens hen de geheimhoudingsplicht is geschonden door afgifte van het dossier. Voorts is het hun toegezegde vertrouwen ernstig beschaamd. Ten slotte zijn klagers van mening dat verweerder I heeft aangezet tot het doen van aangifte. Hij voerde de gesprekken met I en voor klagers is duidelijk dat verweerder meende dat N moest hangen.


4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft met betrekking tot klachtonderdeel 1 allereerst aangevoerd dat hij niet verantwoordelijk was voor de beslissing het dossier af te geven aan de politie. Die verantwoordelijkheid rustte bij M als eerste geneeskundige. M had toen hij met het dossier bij verweerder kwam bovendien al de beslissing genomen het dossier af te geven. Daarbij komt dat M de baas is van verweerder en deskundig is op het gebied van de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), zodat verweerder niet tegen hem in durfde te gaan.
Verweerder heeft voorts aangevoerd dat hij erop zich achter stond dat het dossier werd afgegeven. Bij I was er sprake van zeer ernstige problematiek die onbehandelbaar bleek te zijn.
Zij was uiterst depressief en suïcidaal. Voorts heeft zij een verpleegkundige gebroken enkels bezorgd door haar van een brug te duwen. Een en ander leek verband te houden met de situatie thuis. Als behandelaar zit je tussen twee vuren, namelijk de patiënt en de ouders. Verweerder vraagt zich af hoe de beroepsethiek in dit soort zaken behoort te luiden.


Met betrekking tot klachtonderdeel 2 heeft verweerder betwist dat hij I heeft aangezet tot het doen van aangifte. Verweerder stelt hiermee zorgvuldig te zijn omgegaan, omdat het strafrechtelijk traject de patiënt in kwestie kan tegenvallen. Hij heeft contact gezocht met een vrouwelijke politieagent die in burger naar J is gekomen om I voor te lichten over de voor- en nadelen van een eventuele aangifte. Dit gesprek heeft bovendien op een andere afdeling plaatsgevonden, zodat niet iedereen op de hoogte was van hetgeen er speelde. Daarbij komt dat I pas nadat zij J had verlaten, aangifte heeft gedaan, aldus ten slotte verweerder.


5. De overwegingen van het college
ad 1. Het betoog van verweerder dat niet hij, maar alleen M verantwoordelijk was voor de afgifte van het dossier en dat de klacht reeds om deze reden moet worden afgewezen, gaat niet op. Verweerder heeft als behandelend arts/psychotherapeut van I een eigen professionele verantwoordelijkheid in dezen die hij niet volledig kan afwentelen op M. Dit klemt temeer nu verweerder degene was die wist dat er bij de gezinsgesprekken door klagers was verzocht om extra vertrouwelijkheid die hun bovendien door F was geboden. Het had voor de hand gelegen dat verweerder deze bijzondere omstandigheid aan M had gemeld en zich had verzet tegen de afgifte van de gezinsgesprekverslagen.


Daarbij komt dat in deze procedure vast is komen te staan dat klagers gezinsgesprekken hebben gevoerd met F in het kader van de behandeling van I. Of klagers daarbij zelf patiënt zijn geweest, kan thans in het midden blijven. Klagers kunnen als derden (niet-patiënten) immers evenzeer aanspraak maken op geheimhouding van hun gegevens. Ingevolge artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna Wet BIG) omvat het beroepsgeheim immers al datgene wat een arts/psychotherapeut bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij te zijner kennis is gekomen als geheim of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. Derhalve vallen de gespreksverslagen onder de geheimhoudingsplicht van verweerder.


Dit volgt eveneens met zoveel woorden uit de beroepscode voor psychotherapeuten die als richtinggevend protocol voor het handelen van verweerder van toepassing is. Klagers dienen ingevolge de definitielijst van de code namelijk te worden gelijkgesteld met cliënten nu zij met toestemming van I in haar behandeling zijn betrokken. Derhalve vallen zij onder het in de code in artikel III.1 genoemde algemeen beginsel van informatiebehandeling. Daarin is opgenomen dat sprake is van een vertrouwensrelatie tussen de psychotherapeut en de cliënt waaruit een geheimhoudingsplicht jegens derden voortvloeit met betrekking tot uit de behandeling verkregen kennis. Dit geldt gelet op artikel III.2.5. eveneens ten aanzien van informatie van cliënten van anderen. Derhalve volgt ook uit de code voor verweerder een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de gezinsgespreksverslagen. Het college wijst er voorts in algemene zin nog op dat een dergelijke geheimhoudingsplicht strookt met de vertrouwensrelatie die in gezinstherapiegesprekken wordt aangegaan.
Voorzover verweerder een beroep heeft gedaan op overmacht, is in ieder geval niet aan de in artikel III.2.1. van de code genoemde vijf voorwaarden voor - eventuele - doorbreking van de plicht tot geheimhouding voldaan. Verweerder heeft er evenmin blijk van gegeven dat hij de afgifte van het dossier aan deze voorwaarden zou hebben getoetst.
Derhalve is het eerste gedeelte van de klacht gegrond. Verweerder heeft in strijd gehandeld met zijn geheimhoudingsplicht jegens klagers door het dossier af te (laten) geven aan de politie.


ad 2. Naar het oordeel van het college is niet komen vast te staan dat verweerder I zou hebben aangezet tot het doen van aangifte van seksueel misbruik jegens klagers.
Verweerder heeft immers gemotiveerd aangegeven welke procedure is gevolgd toen I te kennen gaf wellicht aangifte te willen doen. Verweerder heeft daartoe de hulp van een vrouwelijke politie-agent ingeroepen die in burger naar J is gekomen teneinde op een andere afdeling I voor te lichten over de voor- en nadelen van het doen van aangifte. I heeft vervolgens toen zij al weg was uit J aangifte gedaan. Verweerder heeft gelet op de door hem in gang gezette procedure zorgvuldig gehandeld op dit punt.


De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel 1 gegrond is. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47, lid 1, van de Wet BIG jegens klagers had behoren te betrachten.


De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.


Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.


6. De beslissing.
Het Regionaal tuchtcollege:


Waarschuwt verweerder;


Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en de Psycholoog ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus gewezen op 20 januari 2004 door: mr. T.L. de Vries, voorzitter; dr. R.J. Takens en L.M. Gualthérie van Weezel, leden-psychotherapeut; mr. E.A.M. Driessen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 16 maart 2004 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.


 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd