U bent nu hier:

MC 35-Te veel belovende informatiebrochure

Publicatie Nr. 35 - 25 augustus 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Pagina's 1368 - 1370

‘Wij zijn een opleidingsziekenhuis waarin u niet alleen door uw behandelend arts, maar ook door co-assis-tenten en arts-assistenten kunt worden onderzocht of behandeld. Dit kan echter alleen als u daarin toestemt.’ Zo profileerde het ziekenhuis zich in zijn ongetwijfeld fraaie informatiebrochure voor bezoekende patiënten. Toch was niet iedereen op de werkvloer zich even bewust van deze vérgaande toestemmingseis. Bijvoorbeeld de aangeklaagde cardioloog van een patiënte, die zich - ook volgens het Regionaal en het Centraal Tuchtcollege - al behoorlijk had ingespannen om deze achteraf ontevreden patiënte van alles uit te leggen. Hij had weliswaar veel moeite gedaan om de patiënte, die ten gevolge van een totaal atrioventriculair (AV) blok collabeerde, te overtuigen van de noodzaak van een pacemaker én hij had postoperatief nog een uur uitgetrokken om al haar aan-vullende vragen te beantwoorden. Hij had echter verzuimd haar te vertellen dat een arts-assistent de pacemaker zou plaatsen.
Het hoogste tuchtcollege vond dit ‘vergrijp’ onvoldoende voor een tuchtrechtelijke maat-regel, maar adviseerde wel om óf de tekst van de brochure aan te passen óf te handelen naar de letterlijke tekst van de folder. Niet onverstandig dus dat u als behandelend arts het overzicht houdt op alle op schrift gestelde informatie die in het kader van uw behandeling aan uw patiënt wordt verstrekt. Wat is bedoeld om de communicatie met de patiënt te verbeteren, kan wel eens de bron worden van miscommunicatie.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 13 mei 2004


Beslissing in de zaak onder nummer 2003/204 van: A, wonende te B, klaagster in eerste aanleg, appellante in hoger beroep, tegen C, cardioloog, wonende te D, verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep, gemachtigde: mr. M.J. Bos, verbonden aan DAS-rechtsbijstand te Amsterdam.


1. Verloop van de procedure
A - hierna te noemen klaagster - heeft op 20 februari 2001 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen cardioloog C - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 april 2003, onder nummer 0115 heeft dat College de klacht als ongegrond afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Klaagster heeft voorts een door haar broer E opgesteld deskundigenrapport overgelegd.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 maart 2004, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar broer E en de arts, bijgestaan door mr. M.J. Bos. Voorts is E gehoord als getuige/ deskundige en heeft in de hoedanigheid van getuige de belofte afgelegd. Klaagster heeft haar zaak aan de hand van een pleitnota bepleit en heeft deze nota aan het Centraal Tuchtcollege overgelegd.


2. Beslissing in eerste aanleg
De in eerste aanleg ingediende klacht houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in.


1. er is onvoldoende preoperatieve informatie verstrekt;
2. klaagster heeft niet in vrijheid doch onder druk ingestemd met plaatsing van een pacemaker;
3. aan klaagster is ondanks haar verzoek niet medegedeeld welke cardioloog de ingreep zou uitvoeren, klaagster heeft ook geen cardioloog gezien, doch alleen arts-assistenten en bij de plaatsing zijn fouten gemaakt, omdat zij daarbij zeer veel bloed heeft verloren en later een hersteloperatie in een ander ziekenhuis nodig was;
4. verweerder is tekortgeschoten in de nazorg.


De arts heeft in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.


Bij het consult van 7 april 1999 heeft verweerder gesproken over de redenen waarom hij een pacemakerimplantatie aangewezen achtte. Hij heeft het grote belang en de noodzaak daarvan aan klaagster, die dat belang toen niet inzag, geïllustreerd door aan te geven dat, zoals klaagster eerder gecollabeerd en gevallen was tijdens werkzaamheden in haar tuin, zij ook als gevolg van een totaal AV blok kon vallen bij het oversteken van de straat. Klaagster, die door haar huisarts na het gebeuren in haar tuin op 29 maart ook was verwezen naar een neuroloog, zag kennelijk het grote belang van een pacemaker toen nog niet in, waarop verweerder mede teneinde klaagster vertrouwd te maken met de gedachte dat zij die ingreep zou moeten ondergaan, een Holterregistratie heeft geregeld en tevens een afspraak heeft gemaakt voor een vervolgconsult op korte termijn, namelijk op 12 april. Aan de hand van de Holterregistratie die losse P-toppen toonde, hetgeen ook naar het oordeel van het College een absolute indicatie voor het implanteren van een pacemaker vormde, heeft verweerder toen gepoogd klaagster het belang van deze ingreep te doen inzien. Zij was na het gebeuren in haar tuin van 29 maart door haar huisarts ook verwezen naar een neuroloog met wie een afspraak was gemaakt tegen 26 april. Blijkbaar meende klaagster dat de collaps in haar tuin op 29 maart moest worden toegeschreven aan een neurologische oorzaak en zij heeft er daarom bij verweerder op aangedrongen dat deze nog niet zou overgaan tot het implanteren van een pacemaker, maar daarmee zou wachten tot na het consult bij de neuroloog.
Naar het oordeel van het College was het een juist beleid van verweerder, die terecht de collaps van 29 maart toeschreef aan een AV blok, dat hij toen geen gevolg heeft gegeven aan het uitstelverzoek van klaagster maar er bij haar met kracht op heeft aangedrongen zo snel mogelijk over te gaan tot het laten inbrengen van een pacemaker.


Verweerder zou tekortgeschoten zijn wanneer hij deze aandrang niet zou hebben uitgeoefend, omdat uitstel een reëel risico betekende voor klaagster. Dat verweerder met krachtige argumenten heeft gepoogd klaagster ertoe te bewegen mee te werken aan de door hem noodzakelijk geachte behandeling betekende echter niet dat klaagster haar toestemming voor implantatie van de pacemaker onder druk of anderszins niet in vrijheid heeft gegeven. Zij heeft bij en na het tweede consult ruimschoots de gelegenheid gehad de argumenten pro en contra de pacemakerimplantatie tegen elkaar af te wegen en is ten slotte in vrijheid op 20 april naar het ziekenhuis gekomen voor uitvoering van die behandeling. De lezingen van partijen omtrent de duur van het consult van 12 april lopen uiteen, maar het is voldoende duidelijk geworden dat dit een uitzonderlijk lang en uitvoerig consult is geweest waarbij vrijwel alle relevante aspecten van pacemaker implantatie aan de orde zijn geweest. Zo heeft verweerder toen verteld dat hij de ingreep niet zelf zou verrichten, omdat het implanteren van een pacemaker niet tot zijn aandachtsgebied behoorde en dat het mogelijk was, in afwijking van de in het F geldende praktijk de pacemaker links te implanteren, te opteren voor een plaatsing aan de rechterzijde. Verweerder acht het mogelijk dat hij vanwege de vele vragen die klaagster toen gesteld heeft niet ter sprake heeft gebracht dat voor de ingreep een tijdelijke pacemaker zou worden aangebracht. Hij heeft dit punt echter alsnog ter sprake gebracht in zijn brief aan klaagster van 14 april 1999 waarin hij ook nog heeft aangegeven dat, indien klaagster dit wenste wegens haar linkshandigheid de pacemaker aan de rechterkant kon worden aangebracht.


Samenvattend is het College van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan zijn informatieplicht en dat klaagster in vrijheid haar toestemming voor de ingreep heeft gegeven, zodat de beide eerste onderdelen van de klacht niet gegrond zijn. Verweerder is, zoals door hem bij de preoperatieve consulten aan klaagster reeds was medegedeeld, niet betrokken geweest bij de eigenlijke ingreep. Het onder drie omschreven verwijt raakt verweerder derhalve niet en moet eveneens worden verworpen. Dat de instelling van de pacemaker gecorrigeerd is moeten worden betekent niet, dat verweerder is tekortgeschoten in de nazorg. Dat klaagster niet zo snel als zij verlangde een afschrift van de status ontving  is ook niet aan verweerder verwijtbaar.
Het College heeft ook anderszins geen kritiek op de nazorg. Dat verweerder bij het langdurige (± 1 uur) postoperatieve consult van 25 mei er niet in is geslaagd de ontevredenheid bij klaagster weg te nemen betekent nog niet dat verweerder in de nazorg is tekort geschoten.
Ook het vierde verwijt wordt daarom door het College verworpen.


3. Vaststaande feiten
en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Klaagster is geboren op 28 juli 1927. Zij was bekend bij de arts wegens palpaties en een bifasculair block. Hij heeft enige malen een Holterregistratie laten uitvoeren, waarbij geen verdere bijzonderheden naar voren kwamen. Op 29 maart 1999 is zij tijdens het grasmaaien gecollabeerd. De huisarts heeft haar toen verwezen naar de arts en naar de neuroloog. De arts heeft klaagster gezien op 7 april 1999. De arts heeft bij dit consult met klaagster besproken dat hij naar aanleiding van het toen gemaakte ECG en de klacht meende dat plaatsing van een pacemaker geïndiceerd was. Klaagster voelde daar toen weinig voor en de arts heeft daarom nog een extra Holterregistratie laten uitvoeren. Daarop waren losse P-toppen zichtbaar. Er heeft daarop een tweede consult plaatsgevonden op 12 april 1999. Dit was een langdurig consult waarbij de arts heeft uitgelegd dat de bevinding van losse P-toppen een totaal AV block betekende en derhalve een absolute indicatie voor het aanbrengen van een pacemaker.
Klaagster is op 20 april 1999 opgenomen in het G, locatie F. In de middag van die dag is een tijdelijke pacemaker aangebracht en in de morgen van 21 april 1999 is een definitieve pacemaker aangebracht. Deze ingrepen zijn telkens uitgevoerd door een arts-assistent in opleiding tot cardioloog  onder supervisie van een associé van de arts. Er is toen via de linker vena subclavia een DDD Pacemaker geïmplanteerd. Op 25 mei 1999 vond een controleconsult plaats bij de arts. Klaagster gaf toen aan dat de pacemakerdraden bij bepaalde bewegingen ‘strak trokken’. De pacemakerpocket liet een gering uitgezakt hematoom zien. Bij palpatie van de pacemakerpocket vond de arts geen abnormaliteit. Klaagster heeft bij dit consult aangegeven dat zij ontevreden was over de informatievoorziening, de behandeling en het eindresultaat. De arts heeft haar in overweging gegeven eventueel een andere cardioloog te kiezen en haar gewezen op de mogelijkheid een klacht in te dienen. Klaagster heeft zich later gewend tot de afdeling cardiologie van het H-ziekenhuis te I. Zij is daar opgenomen geweest van 8 tot en met 10 december 1999. De pacemakerpocket, die aanvankelijk subcutaan lag is toen dieper verplaatst naar juist boven de spierfascie, waarbij een nieuwe pocket werd gemaakt en de pacemaker werd vastgemaakt aan de fascie.


4. Beoordeling
van het hoger beroep
Procedure
4.1. Met haar beroep beoogt klaagster de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd, komt neer op een herhaling van de stellingen die zij reeds in eerste aanleg heeft geuit.
4.2. De arts heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie tot bekrachtiging van de uitspraak waarvan beroep.


Beoordeling
4.3. Tegen de omschrijving van de klacht als weergegeven in de beslissing van het Tuchtcollege in eerste aanleg is geen grief aangevoerd, zodat ook het Centraal College van de aldus omschreven klacht (zie hiervoor onder overweging 2) zal uitgaan.


4.4. Met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 2 en 4 (‘informed consent’ en gebrek aan nazorg)
Voor wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 en 4 heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep  het Centraal College niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Tuchtcollege in eerste aanleg. Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond, zodat het beroep in zoverre moet worden afgewezen.


4.5. Met betrekking tot klachtonderdeel 3.
Als gesteld en niet (voldoende) betwist staat vast dat de arts aan klaagster heeft medegedeeld dat hij de ingreep niet zelf zou verrichten. Weliswaar verschillen partijen over de bewoordingen waarin die mededeling is gedaan, doch doorslaggevende betekenis komt daaraan in het kader van deze tuchtrechtelijke procedure niet toe.
Niet gesteld of gebleken is echter dat de arts aan klaagster heeft medegedeeld dat het cardiologische gedeelte van de ingreep door een Agio cardiologie zou worden uitgevoerd onder supervisie van een collega van de arts, laat staan dat klaagster daarmede heeft ingestemd.
In het algemeen oordeelt het Centraal Tuchtcollege het achterwege blijven van een dergelijke mededeling niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Een eventuele weigering van een patiënt om een betrekkelijk eenvoudige ingreep als de onderhavige door een Agio te laten verrichten onder supervisie van een cardioloog zal immers in de praktijk veelal niet kunnen worden gehonoreerd, nu daardoor de werkwijze binnen opleidingsziekenhuizen ontoelaatbaar zou worden verstoord. In het onderhavige geval doet zich echter de complicatie voor dat aan klaagster door of namens het betreffende ziekenhuis een informatiebrochure is verstrekt waarin onder het kopje ‘Opleidingsziekenhuis’ het volgende staat vermeld:


‘Het H is een opleidingsziekenhuis. Dit betekent dat aankomend doktoren worden opgeleid tot arts (co-assistenten) en reeds afgestudeerde artsen worden opgeleid tot specialist (arts-assistenten). Om die reden is het mogelijk dat u niet alleen door de behandelend arts wordt onderzocht of behandeld, maar ook door zijn of haar assistent(e). Dit kan echter alleen wanneer u daarin toestemt.’


Het betreffende ziekenhuis en de daarin werkzame artsen hebben zichzelf daarmee gebonden aan een strengere norm dan algemeen voor noodzakelijk moet worden gehouden. De arts had klaagster derhalve moeten wijzen op de mogelijkheid dat het cardiologische deel van de ingreep mogelijk door een arts-assistent zou worden verricht, onder toezicht van een collega-cardioloog, en klaagster dienaangaande om toestemming moeten vragen. In zoverre is klachtonderdeel 3 derhalve gegrond. Het Centraal Tucht-college is echter van oordeel dat deze schending van de door het ziekenhuis en de arts aan zichzelf opgelegde norm niet dusdanig ernstig is dat  dienaangaande thans een tuchtrechtelijke sanctie geboden is. Wel zullen het ziekenhuis en de daarin werkzame artsen zich in de toekomst aan de eigen informatiebrochure dienen te houden, dan wel die brochure op het hier bedoelde punt dienen aan te passen.


4.6. Ook voor het overige heeft de behandeling in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
Daarbij tekent het Centraal College nog aan dat hetgeen klaagster heeft aangevoerd ten aanzien van de ingreep zelve - wat daarvan ook zij - niet aan de arts kan worden tegengeworpen, nu hij niet de supervisie had tijdens de ingreep.


4.7. Op gronden ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tucht-college bepalen dat deze beslissing zal worden gepubliceerd op de voet van artikel 71 van de Wet BIG.



5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


verwerpt het beroep;


bepaalt dat deze beslissing  op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raad-kamer door: mr. K.E. Mollema, voorzitter; mr. H.S. Pruiksma, mr. A.H.A. Scholten, leden-juristen; dr. W.H.J. Derks, prof. dr. J.B.L. Hoekstra, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2004, door mr. K.E. Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.


 


Tweede tuchtzaak: Beperking psychotherapie


 



 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd