U bent nu hier:

MC 46-15.000 epidurale injecties en informed consent

Publicatie Nr. 46 - 10 november 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul, arts mr. w.p. rijksen
Pagina's 1837 - 1838

Als een hulpverlener een patiënt verwijst naar een collega-hulpverlener voor het onder diens verantwoordelijkheid uitvoeren van een onderzoek of behandeling, informeert hij zelf de patiënt voorzover mogelijk in algemene termen over aard, doel, risico en eventuele andere mogelijkheden van onderzoek of behandeling. De hulpverlener die de verrichting uitvoert, is eveneens verantwoordelijk voor het feit dat de patiënt goed wordt geïnformeerd én voor het verkrijgen van toestemming. In onderstaande casus ging het om een anesthesioloog die in opdracht van een neuroloog een patiënte lumbaal een corticosteroïde-injectie gaf vanwege doortrekkende pijnklachten van onduidelijke origine in haar benen. De hem later aanklagende patiënte eindigde hierna in een rolstoel: ze had een ‘verdwenen gevoel in een gedeelte van het lichaam’. De anesthesist had dit bij de 15.000 keer dat hij deze injectie had gegeven, nog nooit meegemaakt. Geen enkele deskundige kon een relatie ontdekken tussen de ervaren klachten en de ingreep.
Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat, ook al zou de injectie (gedeeltelijk) intrathecaal in plaats van epiduraal zijn terechtgekomen, er geen sprake kon zijn van een niet lege artis uitgevoerde ingreep. Bij de vraag of de anesthesist de patiënt had moeten informeren over het bestaan van een risico, verwijst het Centraal College naar een recentelijk verschenen artikel waarin wordt beschreven dat - in tegenstelling tot de ervaring van de anesthesist - er toch een gering risico bestaat op serieuze complicaties bij een epidurale injectie met corticosteroïden. In de toekomst zou de patiënt dus wél apart moeten worden geïnformeerd.Stelregel is dat naarmate de frequentie van het risico hoger is of de aard ernstiger, er ook hogere eisen aan de informatieverstrekking moeten worden gesteld. De hulpverlener moet de patiënt informeren over normale, voorzienbare risico’s, maar hoeft zeer geringe risico’s niet te melden. Het blijven echter uiteindelijk toch de individuele omstandigheiden van de patiënt die bepalend zijn voor de vraag of een gering risico wel of niet moet worden gemeld. De pianostemmer moet bijvoorbeeld wél en de bouwvakker níet worden geïnformeerd bij een zeer klein risico op gering gehoorverleis. Het tuchtcollege laat in zijn uitspraak deze nuance helaas achterwege.

B.V.M. Crul, arts
mr.W.P. Rijksen


Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 24 augustus 2004


Beslissing in de zaak onder nummer 2003/263 van: A, wonende te B, appellante, oorspronkelijk klaagster, tegen C, anesthesioloog, wonende te D, verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep.


1. Verloop van de procedure
Appellante - hierna te noemen klaagster - heeft op 1 mei 2002 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verweerder in beroep - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend, ingekomen op 31 juli 2002. Bij beslissing van 28 augustus 2003, onder nummer 0296, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 18 mei 2004, waar zijn verschenen klaagster, vergezeld van haar echtgenoot en van haar dochter E en bijgestaan door mr. L.A.A.W. Dirkx, verbonden aan F, en de arts.


2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing voorzover ten deze van belang de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
‘Klaagster, geboren op 1 augustus 1933, is van 15 augustus 1995 tot 25 november 1995 opgenomen geweest op de afdeling Neurologie van het G-ziekenhuis te D. Reden voor opname was nadere evaluatie met betrekking tot pijn naar de benen toe, waarbij het niet geheel duidelijk was in hoeverre de uitstraling het gevolg was van vasculaire problematiek dan wel van een kanaalstenose. Op 8 september 1995 heeft verweerder op een daartoe strekkend verzoek van de behandelend neuroloog aan klaagster ter bestrijding van pijn een injectie gegeven op lumbaal niveau met 40 mg Kenacort en 5 ml Lidocaïne 1 procent. Klaagster heeft na de injectie klachten overgehouden bestaande uit een verdwenen gevoel in een gedeelte van haar lichaam.
De klacht behelst, zakelijk weergegeven, het verwijt dat verweerder bij het toedienen van de injectie niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts had behoren te doen.


Omtrent deze klacht moet het navolgende gelden:
Het College is van oordeel dat aan de stukken geen aanwijzingen kunnen worden ontleend, dat er sprake is van medisch technisch tekortschieten door verweerder en oordeelt derhalve de klacht, dat sprake zou zijn van medisch technisch onjuist handelen, ongegrond. Met name is niet gebleken dat de injectie intrathecaal zou zijn toegediend. Voorts is, gelet op de bevindingen bij de in 1996 en 1997 uitgevoerde MRI-onderzoeken van de wervelkolom, een relatie tussen de behandeling van verweerder en de daarna door klaagster aangegeven klachten niet waarschijnlijk.
Nu ook in andere opzichten uit de stukken niet blijkt van enig handelen of nalaten van verweerder dat aanleiding zou kunnen zijn tot het opleggen van een maatregel, dient de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.’


3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Nu daartegen geen grieven zijn geuit gaat het Centraal Tuchtcollege voor de beoorde-ling van het hoger beroep uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege.


4. Procedure in hoger beroep
4.1. In haar beroepschrift heeft klaagster als eerste - procedurele - grief aangevoerd dat zij ten onrechte door het Regionaal Tuchtcollege niet in de gelegenheid is gesteld in vooronderzoek te worden gehoord.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klaagster thans geen belang meer heeft bij beoordeling van haar grief tegen de wijze van behandeling van haar klacht door het Regionaal Tuchtcollege. Indien en voor zover er sprake is geweest van een verzuim, is dit inmiddels hersteld door de behandeling van de zaak in hoger beroep. Klaagster heeft in hoger beroep de gelegenheid gehad haar klacht zowel schriftelijk als mondeling nader te onderbouwen en toe te lichten en heeft hiervan gebruik gemaakt.
4.2. Voorts heeft klaagster een aantal grieven aangevoerd welke kort zakelijk samengevat weergegeven neerkomen op een herhaling en nadere toelichting van haar klacht.
De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3. Ter zitting van het Centraal Tuchtcollege heeft  klaagster haar beroep toegelicht en daarbij benadrukt dat zij voor de ingreep in staat was om te lopen, hetgeen sedert de ingreep niet meer het geval is zodat zij is aangewezen op het gebruik van een rolstoel. Het is voor klaagster dan ook onbegrijpelijk en kwetsend dat de arts kan stellen haar recentelijk lopend in het ziekenhuis te hebben gezien, aldus klaagster.
4.4. De arts heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij een beeld zoals zich dat bij klaagster heeft voorgedaan in de dertig jaar dat hij de bewuste ingreep verricht - ongeveer vijfhonderd keer per jaar - nog nooit heeft meegemaakt. Hij heeft er ook geen verklaring voor, aldus de arts.
Ter aanvulling van de feitelijke gang van zaken heeft de arts onbetwist verklaard dat de neuroloog H, die klaagster had doen opnemen ter nadere evaluatie met betrekking tot de pijn naar de benen, als hoofd-behandelaar van klaagster fungeerde.
4.5. Klaagster heeft gesteld dat voorafgaand aan de ingreep door de arts ten onrechte geen nader uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden en geen informed consent is verkregen.
Ter zake van de noodzaak van aanvullend onderzoek volgt het Centraal Tuchtcollege de arts in zijn niet gemotiveerd weersproken betoog dat de neuroloog H als behandelaar met klaagster reeds een uitgebreid diagnostisch traject had doorlopen.
Ter zake van het verkrijgen van informed consent merkt het college op dat een medebehandelaar in principe zelf informed consent voor zijn medebehandeling moet verkrijgen. Dit geldt des te meer wanneer er risico’s aan de behandeling verbonden zijn. Het college merkt daarbij op dat recent een artikel is verschenen in Anesthesiology (2004; 100: 98-105) waarin beschreven wordt dat bij epidurale injectie met corticosteroïden een geringe kans aanwezig is op serieuze complicaties en dat daarmee de stelling van de arts dat deze injectie nooit tot problemen leidt en dus geen apart informed consent behoefde wellicht ten tijde van de behandeling opging, maar voor de toekomst niet meer.
Daarnaast overweegt het Centraal Tuchtcollege dat op grond van de deskundigenrapporten niet aantoonbaar is dat de klachten een complicatie van de injectie zijn.
4.6. De medische verslaglegging betreffende de door de arts verrichte ingreep acht het Centraal Tuchtcollege, gelet op de inhoud van het medisch dossier dat zich bij de stukken bevindt, voldoende.
4.7. Voor wat betreft de bejegening en nazorg is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat, nu de arts onweersproken heeft gesteld dat de in het ziekenhuis functionerende multidisciplinaire pijngroep waar ook de behandelaar van klaagster, de neuroloog H, deel van uitmaakte van oordeel was dat het de voorkeur verdiende klaagster niet te confronteren met meerdere artsen, de arts niet tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij zich aan dit, in onderling overleg afgesproken, beleid heeft gehouden.
Ten aanzien van de door de arts ge-dane ingreep is het Centraal Tucht-college van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze niet lege artis is uit-gevoerd.
Het Centraal Tuchtcollege merkt hierbij nog op dat ook indien er sprake zou zijn geweest van een (gedeeltelijk) intrathecale toediening dit, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen, niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
4.8. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep te worden verworpen. Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal de publicatie van deze beslissing worden bevolen op na te melden wijze.


5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:


verwerpt het beroep;


bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekend-gemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in Raad-kamer door: mr. K.E. Mollema, voorzitter; mr. M. Wigleven, mr. M.J.F. Zeven-Postma, leden-juristen; M.G.M. Smid-Oostendorp, J.S. Pöll, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Walter-Ebbenhout, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2004 door mr. A.P.M. Houtman in tegenwoordigheid van de secretaris.


Klik hier voor het PDF bestand van dit bestand
 


 


 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd