U bent nu hier:

MC 49-Schriftelijke verklaring als wapen

Publicatie Nr. 49 - 01 december 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege, Artikelen
Auteur B.V.M. Crul, arts en Mr. W.P. Rijksen
Pagina's 1965

Ondanks alle uitspraken over artsen en andere behandelaars die veel te ver gaan met het afgeven van verklaringen of het schrijven van brieven, blijken sommige zorgverleners toch wel erg hardleers en/of naïef te zijn. Daarom blijven wij dan ook met enige regelmaat uitspraken publiceren over dit soort zaken, in de hoop dat dit eens niet meer nodig zal zijn. Maar nog steeds realiseren sommigen zich niet of onvoldoende welke impact op schrift gestelde verklaringen kunnen hebben als deze buiten het behandelcircuit gaan circuleren. Een kans die niet ondenkbeeldig is als de patiënt een kopie daarvan ontvangt en daarmee een potentieel wapen in handen krijgt in de rechtszaal, bijvoorbeeld bij een procedure voor een omgangsregeling. De arts of behandelaar wordt dan voor iemands karretje gespannen. Als de verklaring dan naast de feiten ook nog een flinke portie gekleurde door de patiënt ingebrachte informatie bevat én een slecht onderbouwde prognose, is het niet verwonderlijk dat een tuchtcollege daarvoor een maatregel oplegt.
De veroordeelde psychotherapeut had een verzoek om inlichtingen van een verzekeringsarts over een patiënte van hem beantwoord met een brief zoals hier wordt omschreven. Patiëntes ex-partner was ook bij de psychotherapeut in behandeling geweest. Dan moeten er toch alarmbellen gaan rinkelen bij het schrijven van brieven, zouden wij zeggen. Niet bij deze psychotherapeut ... De therapeut legde ons inziens daarbij ook wel erg grote nadruk op ‘rust nemen’, het liefst in een herstellingsoord. Is dat geen advies uit de vorige eeuw?

B.V.M. Crul, arts
mr.W.P. Rijksen

Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam d.d. 10 juni 2004

Het college heeft het volgende overwogen en beslist over de op 12 augustus 2003 binnengekomen klacht van: A,wonende te B, klager, tegen C, psychotherapeut, wonende te D, verweerder.

1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van: het klaagschrift met bijlage; het aanvullend klaagschrift; het antwoord van 4 november 2003 met bijlage; de repliek, binnengekomen op 9 december 2003; de dupliek van 20 januari 2004; de correspondentie over het vooronderzoek.
Partijen hebben niet gebruik--gemaakt van de hun geboden gelegenheid in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is behandeld ter terechtzitting van 15 juni 2004, waar partijen aanwezig waren.
Verweerder werd bijgestaan door mr. E, verbonden aan F te G.

2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard, kan van het volgende worden uitgegaan:
Klager heeft een affectieve relatie gehad met H (hierna: de patiënte), die in therapie is geweest bij verweerder. Voorts zijn klager en de patiënte enige tijd in relatietherapie bij verweerder geweest.
De relatie is in december 2002 geëindigd.
In antwoord op een verzoek om inlichtingen van I, verzekeringsarts bij J, heeft verweerder op 2 april 2003 het volgende over de patiënte geschreven.


‘Problematiek: Cl. is al enkele jaren bij mij in therapie. Eerst in relatietherapie, later individueel. Cl. heeft de laatste jaren een te grote draaglast moeten torsen, die haar draagkracht verre overschreed. Haar fysieke en psychische weerstand is sterk afgenomen (ziekelijk en depressieve buien). Naast het feit dat haar werk (dus haar inkomen) al lang problematiseerde (...) bleek haar partner te moeten worden opgenomen in een Psych. Inrichting en bij terugkeer zodanig agressief naar haar en haar dochter te zijn dat samenwonen niet meer mogelijk was. Dit hebben haar dochter en haar veel angst en energie gekost. Dat betekende oa. dat er nergens meer een veilige plek was. Nadat haar partner uit huis was gegaan, bleek hij haar te stalken en hebben zij en dochter wederom veel angst gehad. Zij kunnen nu ook niet meer veilig op straat lopen. Dochter durft ook niet meer alleen te zijn en heeft paniekaanvallen.
Toen zij - terugkerende op haar werk na haar ziekte - werd geconfronteerd met een voor haar volstrekt uit de lucht vallende ontslagprocedure en een bedrijfsarts, die niet objectiveerde in haar beleving, maar voor het belang van het bedrijf opkwam, kon zij zich niet meer in stand houden en werd zij depressief.


Diagnose: DSM IV. 296.22/23 depressieve stoornis.

Behandeling: In eerste instantie was de behandeling gericht op het vergroten van het self-esteem; goed voor zichzelf kunnen opkomen en hulp te kunnen vragen. Assertiviteitstraining en cognitieve gedragstherapie. Het leren hanteren van de buitenwereld en niet alleen maar op de buitenwereld anticiperen. De behandeling nu is meer gericht op overleving en te pogen om haar eigen wereld zo in te richten dat het het meest rust geeft. Zo veel mogelijk rust en structuur.

Prognose: Het liefst zou ik Cl. naar een herstellingsoord hebben (om haar volledig te laten bijkomen), maar dat is op dit moment onmogelijk omdat de dochter paniekaanvallen krijgt als de moeder er niet is (tenzij het kind op school is, waar stringente afspraken gemaakt zijn). Ieder telefoontje thuis/de bel van de voordeur geeft bij beiden angst.
Ik ga ervan uit dat cl. op dit moment weinig mogelijkheid krijgt om reserves te kweken en weer een positiever toekomstbeeld te krijgen, vanwege ...
* de dreigingen van de ex-partner (reeds bekend met fys/geest. mishandeling)
- die haar fysiek (stalkend) bedreigd. (straatverbod aangevraagd).
- Haar via advocaten het leven zuur maakt.
- Haar financiële positie slecht maakt door geen alimentatie te betalen en haar op advocaatkosten jaagt.
* haar angstige dochter,
- waardoor zij geen vrijheid heeft;
- zij haar dochter overal moet brengen en
-  's nachts haar dochter angstdromen heeft, waardoor zij een verminderde nachtrust krijgt.
* zij geconfronteerd wordt met een niet terecht ontslag (met onterechte aantijgingen haar inziens), waardoor ..
- zij gekwetst wordt en
- steeds op haar hoede moet zijn
- haar inkomen bedreigd wordt
- zij steeds zich moet verdedigen tegen aanvallen van (ook) die kant.

Adviezen: Ik heb cl. gesteld, naar haar huisarts te gaan, omdat ik haar - zoals ze nu is - psych. niet geschikt acht om te werken; evenals ik haar heb aangeraden heb om zo veel mogelijk rust te nemen (liefst in een herstellingsoord).’


3. Het standpunt van klager en de klacht
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn bevindingen ongenuanceerd en als feiten aan J te presenteren, zonder duidelijk te maken dat het ging om de subjectieve beleving van de patiënte. Door een kopie aan de patiënte te verstrekken, wetend dat er nog altijd een procedure voor een omgangsregeling aanhangig was, heeft verweerder bewust het risico genomen dat de inhoud van de brief openbaar zou worden gemaakt. De brief is in twee procedures bij de rechtbank overgelegd, waardoor klager is beschadigd.

4. Het standpunt van verweerder
Verweerder voert aan dat de patiënte arbeidsongeschikt is geraakt in verband met haar psychische problemen. Zij ontving een uitkering op grond van de ziektewet. Voor de beoordeling van de eventuele aanspraken van de patiënte op een WAO-uitkering heeft J verweerder gevraagd om inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft de gedragingen van klager, zoals de patiënte die heeft omschreven, neutraal weergegeven. De aan J verbonden arts heeft moeten begrijpen dat het ging om de subjectieve beleving van de patiënte. Die arts wist niet dat klager ook bij verweerder in behandeling is geweest, en moet er van zijn uitgegaan dat de patiënte de enige bron voor de inlichtingen was. Het is nooit de bedoeling van verweerder geweest om de brief openbaar te maken.


5. De overwegingen van het college
In de hiervoor geciteerde brief heeft verweerder de problemen, zoals de patiënte die hem had verteld, als feiten gepresenteerd zonder duidelijk te maken dat het om een subjectieve belevenis van de patiënte ging. Hij had dat bijvoorbeeld kunnen doen door de woorden: ‘mijn cliënte zegt ...’ aan zijn relaas toe te voegen. Ook had verweerder bij het opstellen van de brief terughoudender moeten zijn, zeker gezien het feit dat klager, de ex-partner van de patiënte, ook bij hem in therapie is geweest. Verweerder had er daarom beter aan gedaan om zich in zijn brief aan J te beperken tot de mededeling dat de patiënte bij hem in behandeling was en een weergave van zijn diagnose te geven. Het was naar het oordeel van het college niet noodzakelijk om de door de patiënte verstrekte achtergrondinformatie zo uitvoerig weer te geven als verweerder heeft gedaan. Tevens had hij zich dienen te onthouden van prognostische uitspraken over arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat de brief niet alleen in het dossier van J terecht zou komen maar ook op enig moment in een rechtszaak zou kunnen worden gebruikt, zeker nu hij aan de patiënte een kopie van de brief heeft gegeven.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij op grond van artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.

6. De beslissing
Het Regionaal tuchtcollege waarschuwt verweerder.


Bepaalt voorts dat de beslissing op grond van artikel 71 van de Wet BIG geheel in de Nederlandse Staats-courant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact, De Psycholoog en de Nederlandse Vereniging voor Psycho-therapie ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus gewezen op 15 juni 2004 door: mr. H. van Breda, voorzitter; dr. R.J. Takens en L.J.J.M. Geertjens, leden-psychotherapeut; mr. M. Nabar-Buis, secretaris; en in het openbaar uitgesproken ter terecht-zitting van 10 augustus 2004 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.


 

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd