U bent nu hier:

Absolute stilte

Publicatie Nr. 48 - 29 november 2006
Jaargang 2006
Rubriek Praktijkperikel
Pagina's 1931

In de zestiger jaren ‘deed’ ik als huisarts in een snelgroeiende buiten­wijk gemiddeld 75 bevallingen per jaar. Dat was in die tijd met een bestand van 4000 patiënten in een kinderrijk stadsdeel wel een hoog, maar geen abnormaal aantal. Het was mijn tweede decennium in deze praktijk en ik had tot nu toe geen verloskundige problemen gehad.

De colleges en de zwaarwegende lessen van Klaas de Snoo aan de Utrechtse universiteit lagen nog vers in mijn geheugen. En ik hou vol dat in mijn tijd De Snoo de indringendste leermeester van het docerende professorenbestand was, waarbij het onderricht in de zuivere verloskunde misschien wat hypertrofisch was, maar die heroïek liet hij zich niet afnemen.

Op een zondag werd ik om half elf ’s avonds bij een barende vrouw geroepen. Het was haar derde kind. Ik had haar eerste twee verlossingen ook begeleid. Bij elk consult liet ze me weten dat de zwangerschap ‘anders verliep’ dan de eerste twee keer, al kon ze niet zeggen wat dat dan precies inhield.
Toen ik binnenkwam, meldde de rijkelijk vroeg geroepen kraamzuster dat de kraamvrouw een temperatuur van 36,6 graden Celsius had en om het kwartier matig sterke weeën vertoonde. De harttonen van het kind waren regelmatig en schommelden rond de 110. Ze had de voorzorg bij mij thuis gehad en er was niets bijzonders aan de hand geweest.

De vrouw en haar man waren rustige, beschouwende mensen. Ze waren het met mij eens dat de vrouw wel in partu was, maar dat de bevalling in toto nog minstens enkele uren op zich zou laten wachten. Ik verliet het huis met de belofte om tegen half zeven in de ochtend terug te komen en zo mogelijk de bevalling nog vóór het ochtendspreekuur af te maken.

Er was volgens mij geen enkele reden voor een vroegtijdig vaginaal toucher (dat had De Snoo ons al hardhandig bijgebracht) en voor weeënopwekkende medicatie al helemaal niet. Maar om half vier in diezelfde nacht belde haar man dat de moeder geen bewegingen van het kind meer voelde.

Toen ik even later naast haar op de bedrand zat en snel de stethoscoop over de abdominale kwadranten liet gaan, had ze gelijk: afgezien van enkele moeilijk hoorbare darmgeruisen heerste in de buik absolute stilte. Het klamme zweet brak me uit. Wat had ik fout gedaan of over het hoofd gezien?
Ik nam haar in mijn auto meteen mee naar het ziekenhuis. Maar ook de obstetricus die al klaar stond, kon geen harttonen van het kind vinden.

Even later bracht een keizersnede een dode, maar gave en zeker niet gemacereerde foetus van een pond of zes tevoorschijn, alsmede een placenta met een doorsnede van niet meer dan 12 centimeter. Mond-op-mondbeademing, wisselbaden en ten slotte een intrathoracale lobeline-injectie mochten niet baten.
Het was uiteraard een ellendige toestand. Op de vraag van het diepverslagen echtpaar hoe het allemaal zo ver had kunnen komen, had ik geen antwoord.
Ik heb er na de condoleanceperiode nooit meer iets zinnigs over gehoord. Iedereen haalde zijn schouders op en mompelde: ‘Dood door zuurstoftekort in een te kleine placenta.’ Bestaat zoiets zonder klinische waarschuwing?

Een halfjaar later kreeg ik een keurig roerend briefje van de ouders, waarin zij meedeelden dat zij een andere huisarts hadden genomen.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd