U bent nu hier:

De wanhoop nabij

Publicatie Nr. 23 - 05 juni 2007
Jaargang 2007
Rubriek Praktijkperikel
Pagina's 1002

Onlangs werd ik als huisarts in het weekend gevraagd een visite af te leggen bij een 75-jarige man met gemetastaseerd longcarcinoom. De reden was toenemende verwardheid en agressie. Twee dagen eerder was de man bezocht door een verpleeghuisarts die wilde bekijken of opname in het verpleeghuis nog tot de mogelijkheden behoorde. De patiënt was sinds drie dagen suf, verward en achterdochtig; een metastase in de hersenen werd vermoed. Er werd ingezet op antipsychotica en sedering en er werd besloten de situatie na het weekend te evalueren.

Een dag erna was de toestand van verwarring verergerd. De patiënt was paranoïde en agressief met name naar zijn echtgenote en dochter. De dienstdoende huisarts had 10 mg diazepam intramusculair gespoten en de dosering Haldol verdubbeld. Dat had de patiënt die dag wel verder versuft, maar nauwelijks minder agressief gemaakt. Gelukkig was hij om elf uur ’s avonds gaan slapen. Op de ochtend van mijn komst was hij echter alweer vijf uur wakker en schreeuwde hij hard. Bij het verzorgen waren zijn dochter en echtgenote ternauwernood ontkomen aan een klap en de wanhoop was van hun gezichten af te lezen.

Al snel werd me duidelijk dat de mantelzorg dit niet meer aankon. De voorheen aardige en wat verlegen man was veranderd in een agressieveling die zijn vrouw en dochter niet herkende. Ze hadden hem beloofd hem niet naar het ziekenhuis te sturen. Daarnaast had de verpleeghuisarts aangegeven hem de zorg te kunnen leveren die een hospice ook kon leveren. En dat had de familie erg aangesproken. De patiënt zelf was niet meer in de realiteit te trekken. 

De geraadpleegde consulent palliatieve zorg suggereerde opname in het academisch ziekenhuis of een hospice. Maar de familie hield vast aan het verpleeghuis.
Ik belde met de receptie van het verpleeghuis en via via bereikte ik de verpleeghuisarts. Ik legde de situatie uit en de verpleeghuisarts ging akkoord op twee voorwaarden: er moest plaats zijn in het verpleeghuis en de opname moest worden geregeld via BOPZ (Wet bijzondere opname psychia­trische ziekenhuizen). Normaal wordt opname in verpleeghuizen geregeld via de indicatie-instelling, maar ja, na vijf uur en in het weekend is daar niemand te bereiken, luidde de uitleg.

De oplossing voor deze patiënt was uiteindelijk het aanvragen van een inbewaringstelling (IBS). Er bleek plek in het verpleeghuis, dus ik belde met de GGZ-crisisdienst. Of ik ook niet vond dat de opname eigenlijk onder de WGBO (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) viel, wilde de verpleegkundige weten? Ik antwoordde dat er geen andere formele oplossing was en bovendien was het een voorwaarde van het verpleeghuis. De verpleegkundige beloofde de situatie met de psychiater te bespreken en belde later terug met de mededeling dat de psychiater eigenlijk niks voelde voor een IBS. ‘Ik ook niet’, reageerde ik. ‘Maar wilt u het alstublieft toch doen of het anders overleggen met de verpleeghuisarts?’, vroeg ik. 

Uiteindelijk is het er toch van gekomen. Met een IBS is de patiënt onder sedering met de ambulance naar het verpleeghuis gebracht. Daar is, in goed overleg met alle partijen, besloten tot terminale sedatie.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd