U bent nu hier:

MC 34-Toegevoegde waarde van de arts

Publicatie Nr. 34 - 19 augustus 2004
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege

Uitspraak tuchtcollege


TOEGEVOEGDE WAARDE ARTS VAN DE ARTS
In deze zaak richten de tuchtrechtelijke schijnwerpers zich op een arts die, als freelancer verbonden aan het Bureau Medische Advisering (BMA), aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) advies moet uitbrengen over onder meer de vraag of nierdialyse in het land van herkomst van een Armeense asielzoeker wel mogelijk is. Daarbij maakt de arts volgens zijn werkinstructie louter gebruik van de landeninformatie van datzelfde IND. 'Dan had een niet-medisch geschoold ambtenaar van het IND het net zo goed zélf kunnen doen', oordeelde het regionaal tuchtcollege en gaf de arts een waarschuwing. Juist omdat het om een voor de Armeense asielzoeker cruciale medische behandeling ging die beslist niet onderbroken mocht worden, had de arts - zijn medisch professie waardig - wel wat dieper mogen graven en meer duidelijkheid mogen geven. De Armeniër had een asielaanvraag ingediend 'voor het ondergaan van medische behandeling'. Hij betoogde dat hemodialyse in zijn land van herkomst niet betaalbaar en nauwelijks bereikbaar was én dat er verouderde en vervuilde apparatuur werd gebruikt.
Over die kwaliteitsaspecten laat het tuchtcollege zich niet uit, maar de adviserend arts had dat blijkbaar wel moeten doen. In ieder geval grondiger. Het is jammer dat de zaak niet in hoger beroep heeft gediend. Onduidelijk in deze zaak blijft namelijk hoe en in welke mate de arts zich op de hoogte had moeten stellen van de kwaliteit en toegankelijkheid van nierdialyse in Armenië en in dat verband in hoeverre onze kwaliteitscriteria in vergelijking met die van het land van herkomst een rol spelen bij het al dan niet op medische gronden worden toegelaten. Er leven bijvoorbeeld elders miljoenen aids-patiënten die in Nederland wel zouden overleven, maar in hun eigen land met de daar beschikbare medische middelen niet.
B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen


Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
's-Gravenhage d.d. 20 januari 2004
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van A, wonende te B, klager, tegen C, arts, wonende te D, de persoon over wie wordt geklaagd, hierna ook te noemen: de arts.


1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij klaagschrift, ingekomen op 11 september 2002, heeft klager een klacht ingediend tegen de arts. Mr. E, advocaat te F, heeft namens de arts een verweerschrift ingediend, waarna partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om in het vooronderzoek te worden gehoord.
De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgehad op dinsdag 25 november 2003. Klager noch diens raadsman waren daarbij aanwezig. Zij hebben schriftelijk laten weten niet te zullen verschijnen en geen bezwaar te hebben tegen behandeling buiten hun aanwezigheid. De arts, bijgestaan door mr. E voornoemd, is wel verschenen en gehoord. Mr. E heeft gepleit aan de hand van pleitnotities.



2. De feiten
a. De schoonvader van klager, G, geboren op 9 januari 1934, van Armeense nationaliteit, (verder patiënt) heeft op 27 oktober 1999 een verblijfsvergunning voor medische behandeling aangevraagd.
b. De arts is op freelance basis werkzaam voor het Bureau Medische Advisering (BMA), welk bureau tot taak heeft desgevraagd aan de Immigratie  en Naturalisatiedienst (IND) medisch advies uit te brengen in het kader van een vreemdelingrechtelijke procedure. Daarbij is de werkwijze vergaand geprotocolleerd (onder meer werkinstructie nr. 225).
c. Na ontvangst van de adviesaanvraag door de IND bij het BMA betreffende patiënt en na ontvangst van informatie van de behandelend arts over patiënt heeft de arts een persoonsgebonden en landgebonden onderzoek uitgevoerd. Vervolgens heeft de arts op 23 november 2000 advies uitgebracht aan de IND. Dit advies hield onder meer na te melden antwoorden op na te melden vragen in:


Vraag 1b: Zo ja, wat is de aard van de klachten?


Antwoord: (...) werd vastgesteld dat er een ernstige nierfunctiestoornis is, waarvoor nierdialyse noodzakelijk is.


Vragen 3a: Worden de klachten behandeld in het land van herkomst? en 3b: Zo ja, op welke wijze?


Antwoord 3a: Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie, concludeer ik dat bovengenoemde klachten in het land van herkomst wel behandeld kunnen worden.
Antwoord 3b: Op min of meer vergelijkbare wijze als in Nederland.


Vraag 4: Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de (..) behandeling leiden tot een acute medische noodsituatie?


Antwoord: (...) Gelet op de aard en de ernst van de aandoening zal het uitblijven van (...) behandeling wel leiden tot een acute medische noodsituatie. Er is sprake van een zeer ernstig medisch beeld. De medische behandeling mag niet onderbroken worden. Bij uitzetting dient er een adequate specialistische overdracht plaats te vinden.


d. Genoemd advies is door de arts H mede ondertekend.


e. Bij beschikking van 9 juli 2001 van de staatssecretaris van justitie is patiënt de verblijfsvergunning geweigerd. De dragende overweging daarbij is: 'Volgens rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van de Immigratie  en Naturalisatiedienst is Nederland voor het ondergaan van de medisch noodzakelijke behandeling niet het meest aangewezen land. Uit het rapport blijkt immers dat de behandeling die betrokkene thans in Nederland ondergaat op vergelijkbare wijze in het land van herkomst verkrijgbaar is.


3. De klacht
2.1. Patiënt heeft op 27 oktober 1999 hier te lande een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot verblijf in de zin van artikel 14 Vreemdelingenwet, met als doel 'voor het ondergaan van medische behandeling'. Ten behoeve van deze aanvraag heeft de arts een uiterst zwaarwegend advies over patiënt uitgebracht aan de IND. Dit advies is, kort gezegd, ondeugdelijk tot stand gekomen, waarbij de arts heeft nagelaten een eigen onafhankelijk onderzoek naar de medische voorzieningen in het land van herkomst te verrichten. Aldus heeft de arts gehandeld in strijd met artikel 47 Wet BIG neergelegde normen, waardoor zeer vitale belangen van patiënt zijn geschaad.


De klacht betreft de volgende onderdelen:
I. De arts heeft advies uitgebracht zonder patiënt zelf te onderzoeken.
II. De arts heeft nagelaten de sociaal-medische status van patiënt en de medische voorzieningen in het land van herkomst te onderzoeken.
III. In het advies is ten onrechte geen rekening gehouden met de (uiterst beperkte) toegankelijkheid van nierdialyse voor deze patiënt in het land van herkomst.
IV. Het advies is gebaseerd op summiere informatie zonder rekening te houden met de gevolgen van het advies.


4. Het standpunt van de arts
4.1. Het BMA heeft de taak een oordeel te geven over de gestelde behandeling en te adviseren over de medische behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. Expliciet is bepaald dat daarbij niet geoordeeld zal worden over de daadwerkelijke toegankelijkheid van de medische voorzieningen.


De arts is op freelance-basis werkzaam voor het BMA. De arts heeft uit dien hoofde geadviseerd over de behandeling en behandelingsmogelijkheden van patiënt, zulks na ontvangst van het complete (medische) dossier betreffende patiënt.


4.2. De arts heeft een persoonsgebonden onderzoek (betreffende de medische toestand van patiënt) uitgevoerd, zulks op basis van uitvoerige, recente, schriftelijke, medische informatie. Hieruit kwam naar voren dat patiënt blijvend afhankelijk is van nierfunctievervangende behandeling (hemodialyse).
Vervolgens is de arts nagegaan of patiënt in het land van herkomst behandeld kon worden. Daartoe heeft de arts gebruikgemaakt van het overzicht van medische behandelingsmogelijkheden uit het landeninformatiesysteem van de IND. Uit dit informatiesysteem kwam naar voren dat hemodialyse in Armenië beschikbaar is. Dit heeft de arts ook aangegeven in zijn advies. Benadrukt wordt nogmaals dat het niet binnen zijn instructie valt om iets te zeggen over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg voor deze patiënt (bv op grond van leeftijd, financiën of geografische spreiding van de behandelmogelijkheden in het land van herkomst). De arts heeft bij zijn beantwoording van vraag 4 duidelijk aangegeven dat continuïteit van de zorg van groot belang was. Voor enig tuchtrechtelijk verwijt aan de arts is geen plaats.


5. De beoordeling
5.1. Het volgende wordt voorop gesteld.
Het College formuleert noch toetst het hier te lande geldende vreemdelingenbeleid. De minister van Vreemdelingenzaken is degene die thans beslist over toelating van een vreemdeling tot Nederland, mede gelet op de medische advisering. Toetsing van de beslissing in de vreemdelingenzaak vindt plaats in een bestuursrechtelijke procedure.


5.2. In deze tuchtprocedure is slechts de vraag aan de orde of de advisering door de arts voldoet aan de tuchtrechtelijke standaarden. Anders gezegd: Voldoet het advies aan de vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de daar aan te stellen eisen? Hierbij gaat het met name om de volgende eisen:
a) In het advies moet op heldere en consistente wijze zijn uiteengezet op welke gronden de conclusie in het advies is gebaseerd.
b) De in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in feiten, omstandigheden en bevindingen, vermeld in het advies.
c) Bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen.
d) De rapportage dient zich in beginsel te beperken tot het gebied waarop de rapporteur de bijzondere kennis heeft, op grond waarvan hij is aangezocht; indien buiten dit kennisterrein conclusies worden getrokken, dient dit ondubbelzinnig uit de rapportage te volgen.


5.3. In het licht van vorenvermeld toetsingskader oordeelt het College als volgt.


5.4. Onderdeel I van de klacht wordt verworpen. Op basis van de medische gegevens had de arts zodanige, recente informatie ontvangen dat hij tot deugdelijke advisering over de medische situatie van patiënt en de behandelnoodzaak is kunnen komen zonder patiënt zelf te onderzoeken. Overigens is gesteld noch gebleken dat het medisch oordeel inhoudelijk onjuist zou zijn. Immers partijen zijn het er over eens dat patiënt afhankelijk was van nierfunctievervangende behandeling.


5.5. De klachten II, III en IV richten zich tegen de beantwoording van de vragen 3a en 3b. Deze klachten komen in de kern neer op het verwijt dat de arts in zijn advies ten onrechte heeft aangegeven dat hemodialyse in Armenië beschikbaar was op min of meer dezelfde wijze als in Nederland. Volgens klager is chronische behandeling in Armenië, zoals nierdialyse, voor patiënt niet betaalbaar en bovendien wegens chronische ondercapaciteit aan dialyseapparaten niet toegankelijk. Daar komt bij dat die apparaten bovendien zo verouderd en vervuild zijn dat zij niet voldoen aan wat Nederlandse specialisten op dit gebied wenselijk vinden.


5.6. Het College oordeelt hierover als volgt.
Het advies van de arts ten aanzien van de vragen 3a en 3b ontmoet bedenkingen. De arts heeft zijn antwoord op vraag 3a naar zijn zeggen slechts gebaseerd op het door de IND verschafte landeninformatiesysteem. De arts heeft het College niet duidelijk kunnen maken wat zijn toegevoegde waarde als de arts was bij de raadpleging van dit systeem. Als de advisering door de arts op dit punt slechts inhield het raadplegen van het landeninformatiesysteem van de IND, dan valt niet in te zien waarom dit niet door een aldaar werkende niet specifiek als arts geschoolde ambtenaar zou kunnen gebeuren, tenzij de raadpleging door de arts een (medische) meerwaarde zou inhouden. Dit is echter gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat de arts niet heeft kunnen aangeven waarop zijn antwoord op vraag 3b aangaande de wijze van behandeling was gebaseerd. Het antwoord op vraag 3b voldoet dan ook reeds hierom niet aan de hiervoor onder 5.2 genoemde eisen. Nu voorts het antwoord op vraag 3b, gelezen in samenhang met het antwoord op vraag 3a een voldoende beschikbaarheid van adequate apparatuur suggereert - zie ook de dragende overweging in de afwijzende beschikking (2.e) - verdienen beide antwoorden de kwalificatie onvoldoende zorgvuldig. Immers, de arts heeft niet kunnen aangeven dat en op welke wijze hij heeft onderzocht dat de behandeling op vergelijkbare wijze als in Nederland beschikbaar was. Dit is een tekortkoming in het rapport, temeer nu hij wist dat behandeling voor patiënt vitaal was.
Dit wordt niet anders door de stelling van de arts dat hij binnen zijn werkinstructie handelde en het niet zijn taak was een oordeel te geven over de feitelijke beschikbaarheid van behandelmogelijkheden voor de betrokken patiënt. Immers, gezien juist deze beperking in zijn adviestaak, was duidelijkheid op zijn plaats. Dit klemt te meer, nu de arts als medicus hieromtrent adviseerde, zodat zijn advies een zwaardere lading krijgt dan wanneer een leek hierover adviseert.  Die duidelijkheid die met het antwoord op vragen 3a en 3b werd gesuggereerd heeft de arts niet kunnen onderbouwen. De arts had daarin aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen, dan wel aan te geven dat nader onderzoek gewenst was. De klachtonderdelen II, III en IV zijn dan ook gegrond.


5.7. Aldus is de arts in zijn zorgplicht jegens patiënt tekortgeschoten. Het College acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en acht na te melden maatregel passend.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat heden tevens uitspraak wordt gedaan in de zaak tegen de mede-ondertekenende arts H, welke zaak bekend is onder nummer 2002 T 136b.


Rechtdoende


legt de arts de maatregel van waarschuwing op;


bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan de redacties van Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, een en ander met weglating van de namen, voornamen en woonplaatsen van de in de beslissing genoemde personen alsmede van de daarin voorkomende andere gegevens die omtrent deze personen een aanwijzing bevatten.


Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F. Tan de Sonnaville, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid jurist, dr. M.A.M. van Wijk, dr. R. Bieger en prof. dr. R.G. Pöll, leden  artsen, bijgestaan door mr. C.G. Versteeg, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2004.


Hieronder volgt de uitspraak tegen de mede-ondertekenende arts H.


Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's Gravenhage d.d. 20 januari 2004
Het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidsraad te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van: A, wonende te B, klager, tegen H, arts, wonende te Z, de persoon over wie wordt geklaagd, hierna ook te noemen de arts.


1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij klaagschrift, ingekomen op 11 september 2002, heeft klager een klacht ingediend tegen de arts. Mr. E, advocaat te F, heeft namens de arts een verweerschrift ingediend, waarna partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om in het vooronderzoek te worden gehoord.
De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgehad op dinsdag 25 november 2003. Klager noch diens raadsman waren daarbij aanwezig. Zij hebben schriftelijk laten weten niet te zullen verschijnen en geen bezwaar te hebben tegen behandeling buiten hun aanwezigheid. De arts, bijgestaan door Mr E voornoemd, is wel verschenen en gehoord. Mr. E heeft gepleit aan de hand van pleitnotities.


2. De feiten
a) De schoonvader van klager, G, geboren op 9 januari 1934, van Armeense nationaliteit, (verder: patiënt) heeft op 27 oktober 1999 een verblijfsvergunning voor medische behandeling aangevraagd.
b) De arts is op freelance basis werkzaam voor het Bureau Medische Advisering (BMA), welk bureau tot taak heeft desgevraagd aan de Immigratie  en Naturalisatiedienst (IND) medisch advies uit te brengen in het kader van een vreemdelingrechtelijke procedure. Daarbij is de werkwijze vergaand geprotocolleerd (onder meer werkinstructie nr. 225).
c) Na ontvangst van de adviesaanvraag door de IND bij het BMA betreffende patiënt en na ontvangst van informatie van de behandelend artsen over patiënt heeft de arts C (verder: C) een persoonsgebonden en landgebonden onderzoek uitgevoerd. Vervolgens heeft C op 23 november 2000 advies uitgebracht aan de IND. Dit advies hield onder meer na te melden antwoorden op na te melden vragen in:


Vraag 1b: Zo ja, wat is de aard van de klachten?


Antwoord:(...) werd vastgesteld dat er een ernstige nierfunctiestoornis is, waarvoor nierdialyse noodzakelijk is.


Vragen 3a: Worden de klachten behandeld in het land van herkomst? en 3b: Zo ja, op welke wijze?


Antwoord 3a: Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie, concludeer ik dat bovengenoemde klachten in het land van herkomst wel behandeld kunnen worden.
Antwoord 3b: Op min of meer vergelijkbare wijze als in Nederland.


Vraag 4: Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de (..) behandeling leiden tot een acute medische noodsituatie?


Antwoord: (...) Gelet op de aard en de ernst van de aandoening zal het uitblijven van (...)behandeling wel leiden tot een acute medische noodsituatie. Er is sprake van een zeer ernstig medisch beeld. De medische behandeling mag niet onderbroken worden. Bij uitzetting dient er een adequate specialistische overdracht plaats te vinden.


d) Genoemd advies van C is door de arts mede ondertekend.


e) Bij beschikking van 9 juli 2001 van de staatssecretaris van justitie is patiënt de verblijfsvergunning geweigerd. De dragende overweging daarbij is: 'Volgens rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van de Immigratie  en Naturalisatiedienst is Nederland voor het ondergaan van de medisch noodzakelijke behandeling niet het meest aangewezen land. Uit het rapport blijkt immers dat de behandeling die betrokkene thans in Nederland ondergaat op vergelijkbare wijze in het land van herkomst verkrijgbaar is."


3. De klacht
2.1. Patiënt heeft op 27 oktober 1999 hier te lande een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot verblijf in de zin van artikel 14 Vreemdelingenwet, met als doel 'het ondergaan van medische behandeling'. Ten behoeve van deze aanvraag hebben de artsen C en H een uiterst zwaarwegend advies over patiënt uitgebracht aan de IND. Dit advies is, kort gezegd, ondeugdelijk tot stand gekomen, waarbij de artsen hebben nagelaten een eigen onafhankelijk onderzoek naar de medische voorzieningen in het land van herkomst te verrichten. Aldus hebben de artsen gehandeld in strijd met artikel 47 Wet BIG neergelegde normen, waardoor zeer vitale belangen van patiënt zijn geschaad.


De klacht betreft de volgende onderdelen:
I. De artsen hebben advies uitgebracht zonder patiënt zelf te onderzoeken.
II. De artsen hebben nagelaten de sociaal medische status van patiënt en de medische voorzieningen in het land van herkomst te onderzoeken.
III. In het advies is ten onrechte geen rekening gehouden met de (uiterst beperkte) toegankelijkheid van nierdialyse voor deze patiënt in het land van herkomst.
IV. Het advies is gebaseerd op summiere informatie zonder rekening te houden met de gevolgen van het advies.


4.  Het standpunt van de arts
4.1. Het BMA heeft de taak een oordeel te geven over de gestelde behandeling en te adviseren over de medische behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. Expliciet is bepaald dat daarbij niet geoordeeld zal worden over de daadwerkelijke toegankelijkheid van de medische voorzieningen.
De artsen C en H zijn op freelance basis werkzaam voor het BMA. C heeft uit dien hoofde geadviseerd over de behandeling en behandelingsmogelijkheden van patiënt, zulks na ontvangst van het complete (medische) dossier betreffende patiënt. H heeft het advies getoetst en mede ondertekend, dit met het oog op de bewaking en borging van de eenheid en kwaliteit van de advisering.


4.2. C heeft een persoonsgebonden onderzoek (betreffende de medische toestand van patiënt) uitgevoerd, zulks op basis van uitvoerige, recente, schriftelijke, medische informatie. Hieruit kwam naar voren dat patiënt blijvend afhankelijk is van nierfunctievervangende behandeling (hemodialyse).
Vervolgens is C nagegaan of patiënt in het land van herkomst behandeld kon worden. Daartoe heeft C gebruik gemaakt van het overzicht van medische behandelingsmogelijkheden uit het landeninformatiesysteem van de IND. Uit dit informatiesysteem kwam naar voren dat hemodialyse in Armenië beschikbaar is. Dit heeft C ook aangegeven in zijn advies. Benadrukt wordt nogmaals dat het niet binnen zijn instructie valt om iets te zeggen over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg voor deze patiënt (bijvoorbeeld op grond van leeftijd, financiën of geografische spreiding van de behandelmogelijkheden in het land van herkomst). C heeft bij zijn beantwoording van vraag 4 duidelijk aangegeven dat continuïteit van de zorg van groot belang was.


Voor enig tuchtrechtelijk verwijt aan C is geen plaats. Ditzelfde geldt ook voor het handelen van de arts. Deze heeft het advies van C in redelijkheid kunnen goedkeuren en ondertekenen.


5.  De beoordeling
5.1. Het volgende wordt voorop gesteld.
Het College formuleert noch toetst het hier te lande geldende vreemdelingenbeleid. De minister van Vreemdelingenzaken is degene die thans beslist over toelating van een vreemdeling tot Nederland, mede gelet op de medische advisering. Toetsing van de beslissing in de vreemdelingenzaak vindt plaats in een bestuursrechtelijke procedure.


5.2. In deze tuchtprocedure is slechts de vraag aan de orde of de advisering door de arts (en in verband daarmee tevens de advisering van C) voldoet aan de tuchtrechtelijke standaarden. Anders gezegd: Voldoet het advies aan de vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de daar aan te stellen eisen? Hierbij gaat het met name om de volgende eisen:


a) In het advies moet op heldere en consistente wijze zijn uiteengezet op welke gronden de conclusie in het advies is gebaseerd;
b) De in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in feiten, omstandigheden en bevindingen, vermeld in het advies;
c) Bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen;
d) De rapportage dient zich in beginsel te beperken tot het gebied waarop de rapporteur de bijzondere kennis heeft, op grond waarvan hij is aangezocht; indien buiten dit kennisterrein conclusies worden getrokken, dient dit ondubbelzinnig uit de rapportage te volgen.


5.3. In het licht van vorenvermeld toetsingskader oordeelt het College als volgt.


5.4. Onderdeel I van de klacht wordt verworpen. Op basis van de medische gegevens had C zodanige, recente informatie ontvangen dat hij tot deugdelijke advisering over de medische situatie van patiënt en de behandelnoodzaak is kunnen komen zonder patiënt zelf te onderzoeken. Overigens is gesteld noch gebleken dat het medisch oordeel inhoudelijk onjuist zou zijn. Immers partijen zijn het er over eens dat patiënt afhankelijk was van nierfunctievervangende behandeling. De arts heeft dan ook in redelijkheid dit onderdeel van het advies kunnen onderschrijven.


5.5. De klachten II, III en IV richten zich tegen de beantwoording van de vragen 3a en 3b. Deze klachten komen in de kern neer op het verwijt dat C en de arts in hun advies ten onrechte hebben aangegeven dat hemodialyse in Armenië beschikbaar was op min of meer dezelfde wijze als in Nederland. Volgens klager is chronische behandeling in Armenië, zoals nierdialyse, voor patiënt niet betaalbaar en bovendien wegens chronische ondercapaciteit aan dialyseapparaten niet toegankelijk. Daar komt bij dat die apparaten bovendien zo verouderd en vervuild zijn dat zij niet voldoen aan wat Nederlandse specialisten op dit gebied wenselijk vinden.


5.6. Het College oordeelt hierover als volgt.
Het advies van C en de arts ten aanzien van de vragen 3a en 3b ontmoet bedenkingen. C heeft zijn antwoord op vraag 3a slechts gebaseerd op het door de IND verschafte landeninformatie systeem. De arts heeft het College niet duidelijk kunnen maken wat de toegevoegde waarde van C en de arts was bij de raadpleging van dit systeem. Als de advisering op dit punt slechts inhield het raadplegen van het landeninformatiesysteem van de IND, dan valt niet in te zien waarom dit niet door een aldaar werkende niet specifiek als arts geschoolde ambtenaar zou kunnen gebeuren, tenzij de raadpleging door C en/of de arts een (medische) meerwaarde zou inhouden. Dit is echter gesteld noch gebleken.
Daar komt bij dat de arts niet heeft kunnen aangeven waarop het antwoord op vraag 3b aangaande de wijze van behandeling was gebaseerd. Het antwoord op vraag 3b voldoet dan ook reeds hierom niet aan de hiervoor onder 5.2 genoemde eisen. Nu voorts het antwoord op vraag 3b, gelezen in samenhang met het antwoord op vraag 3a een voldoende beschikbaarheid van adequate apparatuur suggereert   zie ook de dragende overweging in de afwijzende beschikking (2.e)  , verdienen beide antwoorden de kwalificatie onvoldoende zorgvuldig. Immers, de arts heeft niet kunnen aangeven dat en op welke wijze is onderzocht dat de behandeling op vergelijkbare wijze als in Nederland beschikbaar was. Dit is een tekortkoming in het rapport, temeer nu de arts wist dat behandeling voor patiënt vitaal was. Dit wordt niet anders door de stelling van de arts dat C en hij binnen hun werkinstructie handelden, waarbij het niet hun taak was een oordeel te geven over de feitelijke beschikbaarheid van behandelmogelijkheden voor de betrokken patiënt. Immers, gezien juist deze beperking in de adviestaak, was duidelijkheid op zijn plaats. Dit klemt temeer, nu C en de arts juist als medici hieromtrent adviseerden, zodat hun advies een zwaardere lading kreeg dan wanneer een leek hierover adviseert. Die duidelijkheid die met het antwoord op vragen 3a en 3b werd gesuggereerd heeft de arts niet kunnen onderbouwen. De arts had daarin aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen, dan wel aan te geven dat nader onderzoek gewenst was. De klachtonderdelen II, III en IV zijn dan ook gegrond.


5.7. Aldus is de arts in zijn zorgplicht jegens patiënt tekort geschoten. Het College acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en acht na te melden maatregel passend.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat heden in de zaak tegen C, bekend onder nummer 02 T 136a, tevens uitspraak wordt gedaan.


Rechtdoende


legt de arts op de maatregel van waarschuwing.


bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan de redacties van Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, een en ander met weglating van de namen, voornamen en woonplaatsen van de in de beslissing genoemde personen alsmede van de daarin voorkomende andere gegevens die omtrent deze personen een aanwijzing bevatten.


Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F. Tan de Sonnaville, voorzitter; mr. M.W. Koek, lid jurist; dr. M.A.M. van Wijk, dr. R. Bieger en prof. dr. R.G. Pöll, leden artsen; bijgestaan door mr. C.G. Versteeg, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2004.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd