U bent nu hier:

Even tussendoor…

Publicatie Nr. 21 - 20 mei 2009
Jaargang 2009
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur mr. W.P. Rijksen, B.V.M. Crul - arts
Pagina's 936-938

Met wat meer aandacht van zijn huisarts had deze patiënt de rest van zijn leven mogelijk nog normaal kunnen horen en geen last gehad van dat hinderlijke oorsuizen. De betreffende huisarts maakte er een haastig broddelwerkje van, en ging te veel uit van een self-limited disease.

Bij een man met eenzijdige doofheid spuit de assistente beide oren uit. Omdat verbetering uitblijft, kijkt de huisarts nog even om het hoekje en schijnt iets te diagnosticeren dat voorschrijven van een neusspray en zure oordruppels rechtvaardigt. Vijf dagen later neemt de man weer contact op; de klachten zijn ongewijzigd.

Omdat de arts nog een normaal gesprek met hem kan voeren, noteert hij ‘oorsuizen, niet doof’ in zijn dossier en verwijst hem – zonder de overigens door de patiënt gewenste spoed – naar de kno-arts.

Deze stelt de zeldzame diagnose sudden deafness, waarbij tijdig prednisontoediening baat zou kunnen hebben gehad. Het tuchtcollege legt de huisarts de maatregel van waarschuwing op ‘met de bedoeling verweerder duidelijk te maken dat hij, anders dan hij meent, de volgende keer wel degelijk anders zal hebben te handelen.’

Hopelijk bent u na lezing van de zaak minder eigenwijs dan uw collega, die het overigens zichzelf nog eens extra moeilijk had gemaakt door z’n verslaglegging niet al te serieus te nemen.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen

Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Eindhoven d.d. 16 december 2008

Het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 30 oktober 2007 binnengekomen klacht van A wonende te B, klager, gemachtigde mr. E. Reijnders te Amsterdam, tegen C, huisarts, werkzaam te B, wonende te B, verweerder, gemachtigde mr. O.L. Nunes te Utrecht.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. Partijen hebben geen gebruikgemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is ter openbare zitting van 5 november 2008 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden, die pleitnotities hebben overgelegd.

2. De feiten

Op 31 januari 2007 kwam klager, na een telefonisch gemaakte afspraak, ’s morgens bij de assistente van verweerder wegens gehoorklachten aan het linkeroor. De assistente heeft zijn oor uitgespoten. Toen dat niet baatte, is op verzoek van klager verweerder, die op dat moment in een naastliggende ruimte spreekuur hield, erbij geroepen. Verweerder constateerde een geïrriteerde gehoorgang links. Hij heeft zure oordruppels voorgeschreven en geadviseerd een neusspray te gebruiken.

In het dossier staat vermeld: ‘S: oor uitgespoten, hoort slecht; med:  zure oordruppels fma mr; O: geïrriteerde gehoorgang’

Op 5 februari 2007 nam klager telefonisch contact op met de praktijk van verweerder met het verzoek om een spoedverwijzing naar een kno-arts. Het dossier vermeldt over dit telefoongesprek: ‘tel: hoort niets alleen constant piep, wil graag naar kno i.o.m. J eerst C hier.’

Klager is de volgende dag op het spreekuur bij verweerder verschenen. Verweerder heeft hem wel een verwijzing voor de kno-arts gegeven, maar weigerde de spoedverwijzing.

In het dossier staat: ‘E: oorsuizen, niet doof; P: c.kno’

Klager heeft een afspraak kunnen maken bij de kno-arts voor 21 februari 2007. Uit audiologisch onderzoek bleek een perceptief gehoorverlies over alle frequenties tot 60 dB. De kno-arts heeft klager een prednisolonkuur gegeven, met de kanttekening dat bij dit soort klachten eigenlijk binnen 14 dagen na het ontstaan van de klacht (welke termijn inmiddels was verstreken) een kuur dient te worden gegeven.

Er wordt uitgegaan van blijvende gehoorschade.

3. Het standpunt van klager en de klacht
Op 29 januari 2007 kreeg klager plotseling last van zijn linkeroor. Hij hoorde nagenoeg niets meer, maar ervoer wel een suistoon/piep. Hij heeft dit telefonisch medegedeeld aan de assistente van verweerder en met haar een afspraak gemaakt om op 31 januari 2007 te komen. Toen hij die dag bij haar kwam, heeft zij zijn linkeroor uitgespoten.

Omdat hij er nu toch was, zoals zij zei, heeft zij ook zijn rechteroor uitgespoten, ofschoon klager van mening was dat dat niet nodig was. Er kwam bijna geen oorsmeer uit. De assistente heeft niet in zijn oren gekeken, voordat zij met het uitspuiten begon. Toen klager merkte, dat dit niet hielp, ook niet nadat hij op suggestie van de assistente even had gewacht zodat het vocht uit zijn oor kon lopen en het misschien beter zou worden, heeft hij de assistente dringend verzocht om een onderzoek door verweerder.

Toen verweerder even later verscheen zei klager hem dat hij wakker was geworden met een pieptoon en gehoorverlies in het linkeroor en dat deze klachten na het uitspuiten niet waren verdwenen.

Verweerder heeft het linkeroor van klager onderzocht met behulp van een lampje en vertelde klager dat de gehoorgang er een beetje geïrriteerd uitzag. Hij schreef zure oordruppels voor en een neusspray. Hij vroeg klager niet om na een bepaalde periode terug te komen.

Omdat de klachten niet afnamen, belde klager op 5 februari 2007 verweerder. Hij vertelde over de onveranderde klachten, te weten gehoorverlies en pieptoon en vroeg om een spoedverwijzing naar de kno-arts. Verweerder verzocht klager eerst nog even op het spreekuur te komen.

De volgende dag verscheen klager op het spreekuur. Klager legde weer uit dat de klachten hetzelfde waren. De piep- en ruistoon was onveranderd aanwezig en het gehoorverlies was niet verminderd. Klager was ongerust dat de klachten blijvend zouden zijn. Hij verzocht nogmaals met spoed om een verwijzing naar een kno-arts.

Verweerder zei dat hij als huisarts een filterfunctie had. Volgens hem was er geen sprake van een spoedeisende situatie, omdat klager geen ontsteking of pijn had. Hem werd verteld dat hij zelf een afspraak diende te maken met de kno-arts. Klager heeft dat gedaan. Een afspraak was eerst mogelijk op 21 februari 2007.

Toen klager bij de kno-arts kwam, werd een gehoortest uitgevoerd, waaruit bleek dat er een perceptief gehoorverlies was over alle frequenties van 60 dB. De kno-arts vroeg klager waarom hij niet eerder was gekomen, omdat in geval van plotselinge doofheid binnen 14 dagen een prednisonkuur dient te worden gegeven. Klager kreeg ‘toch nog’ een prednisolonkuur voorgeschreven. In het poliklinisch dossier is genoteerd dat klager sinds drie weken gehoorverlies had en dat sprake is van tinnitus.

Op 9 maart 2007 kon klager terecht in het audiologisch centrum. Daar ging men uit van blijvende gehoorschade. Klager heeft tot op heden last van gehoorverlies en tinnitus in het linkeroor. Een gehoortoestel met tinnitusonderdrukker heeft niet geholpen.

De klacht houdt in dat verweerder ten onrechte een spoedverwijzing naar een kno-arts heeft geweigerd.

4. Het standpunt van verweerder
Op 31 januari 2007 nam klager telefonisch contact op met de huisartsenpraktijk van verweerder. Bij de assistente werd een afspraak gemaakt voor een oorinspectie vanwege de klacht van slechter horen aan één kant. Bij de assistente heeft klager geen melding gemaakt van een pieptoon of andere bijkomende klachten.

De assistente heeft de oren uitgespoten, waarna klager aansluitend door verweerder op het spreekuur werd gezien. Bij verweerder uitte klager dezelfde klacht. Er werd geen acuut moment voor het slechte horen aangegeven. Evenmin bleek sprake te zijn van bijkomende ziekteverschijnselen. Bij onderzoek constateerde verweerder een geïrriteerde gehoorgang links. Verweerder kwam tot de werkdiagnose otitis media met effusie dan wel otitis media acuta. Op basis daarvan heeft verweerder aan klager zure oordruppels voorgeschreven en geadviseerd een neusspray te gebruiken.

Op 5 februari 2007 nam klager telefonisch contact op met de assistente met het verzoek om een spoedverwijzing naar de kno-arts. Klager gaf aan dat hij behalve een pieptoon niets hoorde. In overleg met verweerder werd afgesproken dat klager de volgende ochtend eerst naar het spreekuur zou komen, zodat verweerder de klacht en het verzoek om een spoedverwijzing kon beoordelen.

Klager kwam vervolgens op 6 februari 2007 naar het spreekuur. Uit de anamnese kwam naar voren dat klager last had van oorsuizen, maar niet doof was. Verweerder kwam tot de werkdiagnose tinnitus en ging mee in het verzoek van klager om een verwijzing naar de kno-arts; verweerder zag echter geen indicatie voor een spoedverwijzing.

Bij de beoordeling van de klacht is van belang dat klager zich noch bij de assistente, noch bij verweerder heeft gepresenteerd met de klacht van acuut optredende doofheid, zogenaamde sudden deafness. Niet is gebleken dat klager tot een risicogroep op dit gebied hoort.

Gezien de presentatie van de klacht behoefde verweerder op de momenten dat hij werd geconsulteerd, niet uit te gaan van de diagnose sudden deafness, een in de huisartsenpraktijk zeer zeldzaam voorkomend ziektebeeld.

Verweerder betreurt het beloop van de klacht en het gehoorverlies ten zeerste, maar hij meent dat hem geen verwijt treft. Hij had niet anders kunnen handelen dan hij heeft gedaan en zou het een volgende keer ook niet anders doen.

5. De overwegingen van het college

Het is in deze zaak niet gemakkelijk vast te stellen van welke feiten moet worden uitgegaan. In belangrijke mate is dit te wijten aan een (te) summiere verslaglegging door verweerder.

Zo is er geen melding gemaakt van het eerste telefoongesprek, waarin klager zijn gehoorklachten presenteerde (volgens klager op 29 januari, volgens verweerder op 31 januari 2007). Volgens klager heeft hij hierin al melding gemaakt van acuut optredend gehoorverlies met ruistoon en piepgeluiden, volgens verweerder was er slechts sprake van een klacht over slechter horen aan één kant.

Uit de verslaglegging op 31 januari
2007 blijkt niet van een nadere anamnese dan dat het oor (door de assistente) is uitgespoten en dat klager slecht hoort, terwijl klager stelt dat hij tegen verweerder heeft gezegd dat hij wakker was geworden met een pieptoon en gehoorverlies in het linkeroor en dat deze klachten na het uitspuiten niet waren verdwenen.

Wat er ook van het voorgaande zij, het college kan er niet van uitgaan dat verweerder, die naar zijn zeggen tussen twee spreekuurcontacten door naar klager is komen kijken, een deugdelijke anamnese heeft afgenomen, waarin onder meer aan de orde is geweest de mate van het gehoorverlies en de wijze waarop en wanneer het was ontstaan. Niet kan derhalve worden geoordeeld dat de (overigens in het medisch dossier niet opgenomen diagnose otitis media met effusie, dan wel otitis media acuta) op een adequate anamnese is gestoeld.

Dan volgt het consult van 6 februari 2007, zulks naar aanleiding van het verzoek van klager om een spoedverwijzing naar een kno-arts. Als klager bij verweerder komt, is verweerder al op de hoogte van de reden van het consult. Hij weet dan dat de klacht van klager inhoudt dat hij niets hoort, alleen een constante piep ervaart, en dat hij graag met spoed een verwijzing wil naar de kno-arts. (Zie voor wat betreft de bekendheid met het verzoek tot spoedverwijzing nr. 6 van het verweerschrift.)

Ook hier lopen de meningen van klager en verweerder over de inhoud van het consult uiteen. Klager stelt dat geen onderzoek is verricht; verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij zich dit niet kan voorstellen. Het college moet vaststellen dat in het medisch dossier geen vermelding over een onderzoek voorkomt, terwijl verweerder desgevraagd ter zitting slechts heeft verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat hij geen enkel onderzoek heeft gedaan. Er is echter, buiten het medisch dossier, geen enkele aanwijzing voor enig onderzoek te vinden. Er moet daarom van worden uitgegaan dat de stelling van klager, dat verweerder geen onderzoek heeft verricht, juist is.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat zijn in het medisch dossier vastgelegde conclusie dat klager niet doof was, erop is gebaseerd, dat hij met klager een normaal gesprek kon voeren. Het college acht het onjuist dat verweerder hieruit deze conclusie heeft getrokken, nu hem immers bekend was dat het andere oor van klager niets mankeerde. Eens te meer is die conclusie onjuist, omdat klager daags tevoren nog de in het medisch dossier vastgelegde en aan verweerder bekende mededeling had gedaan dat hij (met zijn linkeroor) niets hoorde.

Het college acht het bepaald onzorgvuldig dat verweerder de expliciete mededeling van klager dat hij niets hoorde behalve een pieptoon, heeft genegeerd en in plaats daarvan enkel op grond van het feit dat hij met klager een gesprek kon voeren, heeft geconcludeerd dat klager niet doof was.

Overigens is ook hier aan de hand van het medisch dossier niet vast te stellen en is overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat een deugdelijke anamnese is afgenomen. Verweerder betwist wel hetgeen klager, naar zijn zeggen, heeft medegedeeld, maar kan ook niet duidelijk maken wat dan wel zou zijn gezegd of gevraagd.

In geval van een deugdelijke anamnese en onderzoek had de diagnose sudden deafness niet in de differentiaaldiagnose mogen ontbreken, althans niet kunnen worden uitgesloten. Een spoedverwijzing was dan aangewezen geweest.

Het voorgaande houdt in dat de klacht gegrond is.

Het college zal verweerder de maatregel van waarschuwing opleggen met de bedoeling verweerder duidelijk te maken dat hij, anders dan hij meent, de volgende keer wel degelijk anders zal hebben te handelen.


Het college zal deze beslissing ter publicatie aanbieden aan Medisch Contact.

6. De beslissing

Het college:

- legt aan verweerder op de maatregel van waarschuwing

Bepaalt dat de beslissing ter publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact.

Aldus gewezen door mr. H.P.H. van Griensven, als voorzitter, mr. E.J.M. Walstock-Krens, als lid-jurist, J.D.M. Schelfhout, P.H.M.T. Olde Kalter, N.Ph. Zonneveld, als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. M.E. Suur, als secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2008 in aanwezigheid van de secretaris.

PDF van dit artikel

Ziet u geen reactieformulier? Reacties. (4)

"Het gaat er hier vooral om, dat volgens het tuchtcollege een spoedverwijzing verplicht is bij sudden deafness.
Dit wordt echter niet uitgelegd.Moet iedereen met sudden deafness prednison krijgen? Het is niet bewezen dat dit zinvol is.Het is logischer om even met de kno-arts te bellen over het tijdstip van verwijzing en ook met de patiënt te overleggen."

Floris Strumphler, Zwolle - 21-05-2009 11:34

"Jammer dat de huisarts niet aannemelijk kan maken dat hij (goed) onderzocht heeft, treurig dat het tot standaard lijkt te worden geheven dat prednison bij een sudden deafness hoort te worden gegeven!"

n.p. hoftijzer, bergeijk - 20-05-2009 17:10

"Als huisarts in opleiding stel ik zeker wel prijs op correcties op mijn diagnoses en beleid. En vele huisartsen met mij! W.Kok, blijf corrigeren, it's the only way..
"

N. Koning, Leiden - 20-05-2009 13:45

"Helaas is het eerder regel dan uitzondering dat te snel een tubadysfunctie of aanverwante aandoening wordt vastgesteld, zonder dat die achteraf echt aanwezig geweest (b)lijkt te zijn.
Correctie op dit punt wordt door huisartsen niet op prijs gesteld."

W.Kok, Lelystad - 20-05-2009 12:02

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd