U bent nu hier:

Bedrijfsarts toch niet afwachtend en passief

Publicatie Nr. 40 - 30 september 2009
Jaargang 2009
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur B.V.M. Crul - arts, H.C.B. van der Meer
Pagina's 1628-1630

In de meeste tuchtzaken tegen bedrijfsartsen luidt het verwijt van klagers dat ze van de bedrijfsarts te snel weer aan het werk moesten. De werknemer/verpleegkundige met psychiatrische problematiek in deze zaak verweet haar bedrijfsarts juist dat hij te weinig voor haar re-integratie zou hebben gedaan en ook met de door haar geuite doodswens niet professioneel was omgesprongen. Na twee jaar ziekte ontsloeg de werkgever haar uiteindelijk.

Bij het regionaal tuchtcollege vond de verpleegkundige voor een groot deel gehoor, maar uw collega ging met succes in beroep tegen de opgelegde waarschuwing. Het Centraal Tuchtcollege vond in het beleid van de bedrijfsarts geen enkel verwijtbaar
aspect. Terecht stelt het hoogste tuchtcollege dat je juist als arts bij een patiënt als deze, die in een totaal ontredderde situatie verkeert, eerst op klachtenreductie mag
focussen en dat re-integratie in eigen of ander passend werk pas daarna aan de orde is.
Naar aanleiding van de geuite doodswens, beoordeelde de bedrijfsarts of er een acute dreiging was. Toen dat naar zijn inschatting niet het geval was, verzekerde hij zich ervan dat dit aspect deel uitmaakte van de behandeling bij de psycholoog. Hoeveel professioneler wilt u het hebben?

B.V.M. Crul, arts
mr. H.C.B. van der Meer, jurist KNMG


Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 19 mei 2009

(ingekort redactie MC)

Beslissing in de zaak onder nummer 2008/030 van A, bedrijfsarts te B, appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde mr. drs. D.W.M. Weesie, verbonden aan ArboNed te Utrecht, tegen C, wonende te B, verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg.

1. Verloop van de procedure
C – hierna te noemen klaagster – heeft op 14 februari 2007 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen A – hierna te noemen de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 3 december 2007, onder nummer G2007/10 heeft dat college de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en aan de arts, voor zover de klacht gegrond is verklaard, de maatregel van waarschuwing opgelegd. (…)

2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.

3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1. Verweerder heeft de zaak van klaagster wel overgenomen van E, maar heeft ten onrechte als verwijzer geen contact gehouden met de psychotherapeute tot wie klaagster zich gewend had; daardoor heeft het aan inhoudelijke afstemming ontbroken.

3.2. De verslaglegging is zeer summier; verweerder stelde wel vast dat klaagster niet inzetbaar was, maar onderbouwde dat niet met waarneembare vakkundige argumenten.

3.3. Ieder teken van enige planmatige
aanpak van klaagsters verzuim ontbreekt.

3.4. Verweerder had onderzoek naar re-integratiemogelijkheden van klaagster moeten doen, ook al achtte het UWV haar volledig arbeidsongeschikt. In een grote organisatie als het F hadden andere mogelijkheden kunnen worden benut dan alleen de optie terugkeer naar eigen werk.

3.5. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij een door hemzelf aangevraagd re-integratieadvies van G naast zich heeft neergelegd.

3.6. Dat geldt ook voor de bevindingen van mevrouw H eind 2000, begin 2001, inhoudende dat klaagster voor de door de werkgever gestelde deadline van september 2001 weer zou kunnen werken.

3.7. Verweerder heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bedrijfsarts mag worden verwacht.

3.8. Terwijl klaagster met suïcidale gedachten worstelde, zei verweerder slechts dat hij haar doodswens respecteerde en deed hij daar verder niets mee.

4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

(…)’

3. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

Klaagster, sinds 1992 als verpleegkundige werkzaam op de kinderafdeling van het F, werd in mei 1998 arbeidsongeschikt, aanvankelijk wegens een ontsteking in haar knie, vervolgens vanwege een burn-out en ernstige depressieve klachten.

Op advies van de toenmalige bedrijfsarts mevrouw E stelde klaagster zich onder psychotherapeutische behandeling van mevrouw J. De behandeling ving aan op 9 oktober 1998, het laatste behandelcontact vond plaats op 15 maart 2000.

De arts nam als bedrijfsarts de begeleiding van klaagster in april 1999 van mevrouw E over. De arts heeft klaagster negen keer op het spreekuur gezien en er waren vier telefonische contacten met klaagster.

Het eerste spreekuurcontact was op 27 april 1999, het laatste vond plaats op 1 september 2000.

De arbeidsongeschiktheidsklasse van klaagster werd per 7 mei 1999 vastgesteld op 80-100 procent.

Het werkhervattingadvies van de arts aan de werkgever na het spreekuurcontact van 29 juni 1999 luidde dat klaagster niet belastbaar was in arbeid. Het advies na het spreekuurcontact van 30 juli 1999 hield in dat klaagster ook toen nog niet belastbaar was in arbeid en dat de arts verwachtte dat er de komende maanden geen re-integratiemogelijkheden waren.

In het werkhervattingadvies van de arts na het spreekuurcontact van 12 november 1999 staat dat klaagster voorlopig nog niet belastbaar is in eigen of aangepast werk binnen patiëntenzorg.

Het volgende spreekuurcontact was op 8 december 1999. De arts gaf als prognose ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid:

‘Terugkeer in eigen werk niet te verwachten. Traject voor vervolg bespreken tussen leiding en medewerker. Mevrouw krijgt uitnodiging voor gesprek met leidinggevende. Organisatie neemt beslissing over eventueel functieongeschikheidsadvies. Tevens advies bedrijfsarts om expertise te verrichten naar resterende arbeidscapaciteiten. Mevrouw is hiermee akkoord. Situatie bespreken in SMT.’

Op 22 februari 2000 heeft klaagster het spreekuur van de arts bezocht. Naar aanleiding van dat contact heeft de arts de werkgever van klaagster meegedeeld dat klaagster is aangemeld bij Bureau G voor expertise. De arts achtte klaagster wegens ziekte nog ongeschikt tot het verrichten van haar werk.

USZO heeft na te hebben vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van klaagster niet was veranderd ten opzichte van het jaar daarvoor de arbeidsongeschiktheidsklasse per 8 mei 2000 gehandhaafd op 80-100 procent.

G heeft een expertiseonderzoek uitgevoerd naar de re-integratiemogelijkheden van klaagster. (…)

Op 6 april en op 23 juni 2000 heeft klaagster het spreekuur van de arts bezocht. Op 6 april 2000 was klaagster volgens de arts nog ongeschikt tot het verrichten van arbeid. Het werkhervattingadvies d.d. 23 juni 2000 hield in dat klaagster ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, dat zij niet belastbaar is in arbeid. Over de prognose schreef de arts:

‘(…) Verwachting ten aanzien van arbeidsgeschiktheid: WAO 80-100 procent is verlengd per 8 mei 2000. Wegens medische beperkingen nu geen effectieve re-integratie mogelijk.

(…)’

Naar aanleiding van het (laatste) spreekuurcontact op 1 september 2000 heeft de arts het volgende werkhervattingadvies gegeven:

‘Betrokkene is wel wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid.

Belastbaarheid:
Mogelijkheden/beperkingen (taken en duur): geen wijziging in eerder aangegeven beperkingen.

Prognose: Afspraken over uitbreiding van werk in overleg met bedrijfsarts, echter nu nog niet aan de orde. Verwachting ten aanzien van arbeidsgeschiktheid: binnenkort gesprek met USZO-arts over beoordeling FunctieOngeschiktheidsAdvies.’

De werkgever heeft de USZO verzocht een functieongeschiktheidsadvies uit te brengen, dat wil zeggen dat USZO is gevraagd of klaagster op 1 februari 2001 naar verwachting nog steeds ongeschikt zal zijn voor de uitoefening van haar functie wegens ziekte en of redelijkerwijs te verwachten is dat klaagster binnen zes maanden na deze datum weer arbeidsgeschikt zal zijn. Het op 15 september 2000 uitgebrachte advies luidt:

‘Hierbij verklaart ondergetekende dat uw werkneemster mevrouw C, op de in uw aanvraag vermelde voorgenomen ontslagdatum, te weten 1 februari 2001, gedurende 24 maanden wegens ziekte niet in staat is geweest tot het verrichten van haar functie als verpleegkundige chirurgie. Tevens is het redelijkerwijs niet te verwachten dat betrokkene binnen zes maanden na genoemde datum weer arbeidsgeschikt voor haar functie zal zijn. Dit advies heeft alleen betrekking op de vraag of uw werknemer op de voorgenomen ontslagdatum en zes maanden daarna wegens ziekte ongeschikt is voor de eigen functie.’

Klaagster heeft zich op eigen initiatief onder behandeling gesteld van G met ingang van 11 oktober 2000. In het intakeverslag d.d. 25 oktober 2000 van klinisch psycholoog/psychotherapeut mevrouw H staat ten aanzien van het behandelplan onder andere aangegeven dat cognitieve gedragstherapie is geïndiceerd, dat de behandeling dient te zijn gericht op verdere klachtenreductie, versterking van het zelfvertrouwen en hiermee vergroting van de kans op werkhervatting en dat bij voldoende klachtenreductie zal worden bezien waar de mogelijkheden van klaagster liggen voor werkhervatting.

Het dienstverband van klaagster eindigde op initiatief van de werkgever per 1 februari 2001.

4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De oorspronkelijke klacht bestond uit acht onderdelen. Deze onderdelen zijn in de beslissing van het regionaal tuchtcollege weergegeven onder 3.1. tot en met 3.8.

Het regionaal tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 3.1 en 3.2 ongegrond en de overige klachtonderdelen gegrond verklaard en de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. De arts is in beroep gekomen van de beslissing voorzover de klachtonderdelen gegrond zijn verklaard en van de aan hem opgelegde maatregel van waarschuwing.

4.2 (…)

4.3 (…)

4.4. Kern van klaagsters klacht is dat de arts niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend bedrijfsarts verwacht mag worden. De arts heeft zich, aldus klaagster, te passief en te afwachtend opgesteld en niets gedaan met het re-integratieadvies van het G. Voorts heeft klaagster de arts verweten dat hij niets heeft gedaan met de door haar geuite doodswens.

4.5. Voor de periode waarop de klacht betrekking heeft, geldt dat het primair de taak van een bedrijfsarts was om de werkgever te adviseren of een uitgevallen werknemer geschikt was voor re-integratie in de eigen functie. De arts heeft klaagster een aantal malen op het verzuimspreekuur gezien. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting nog naar voren is gebracht, moet worden geconcludeerd dat klaagster in de periode waarop de klacht betrekking heeft in een zeer ontredderde situatie verkeerde. De keuze van de arts om gelet op die situatie niet aan te sturen op re-integratie van klaagster maar om zich te richten op haar herstel met klachtenreductie acht het Centraal Tuchtcollege onder de geschetste omstandigheden in ieder geval voor de periode voordat het G-rapport werd uitgebracht verdedigbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.6. Ook het handelen van de arts na het uitbrengen van het G-rapport acht het Centraal Tuchtcollege niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. In het licht van de beantwoording van de vraagstelling door het G, de rapportage van USZO en de eigen bevindingen naar aanleiding van de spreekuurcontacten met klaagster, zoals weergegeven onder de feiten, acht het Centraal Tuchtcollege het niet verwijtbaar dat de arts ook toen re-integratie van klaagster in de eigen functie niet in gang heeft gezet. Ook het G adviseert een intensieve therapeutische behandeling, alvorens op geleide van herstel met re-integratie zou kunnen worden gestart. Hoewel het, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, primair de taak van de bedrijfsarts was om te adviseren over een terugkeer in de eigen functie zal het Centraal Tuchtcollege toch onder ogen zien of van de arts niet had mogen worden verwacht dat hij zich had ingezet voor een mogelijke tewerkstelling van klaagster in een andere functie.

Uit de werkhervattingsadviezen van de arts blijkt dat de arts bepaald onder ogen heeft gezien of daartoe mogelijkheden waren, maar dat hij die mogelijkheden (nog) niet aanwezig achtte. Wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat de werkgever van klaagster haar ontslag per 1 februari 2001 inmiddels in gang had gezet, valt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege de arts ook op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.7. Het regionaal tuchtcollege heeft nog geoordeeld dat de arts geen juiste houding heeft aangenomen ten opzichte van de door klaagster geuite doodswens. Het Centraal Tuchtcollege deelt dit oordeel niet. De arts heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij die uitingen wel serieus heeft genomen. Hij heeft beoordeeld of er sprake was van een acute dreiging, hetgeen volgens hem niet het geval was en heeft contact opgenomen met de therapeute, waarbij bleek dat deze uitingen haar bekend waren en deel uitmaakten van therapeutische behandeling.

4.8. Al het voorgaande betekent dat de klacht, zoals in beroep aan het Centraal Tuchtcollege is voorgelegd, in alle onderdelen ongegrond is en dat de opgelegde maatregel van waarschuwing daarmee vervalt. Het beroep slaagt.

Het Centraal Tuchtcollege vindt aanleiding om te bepalen dat de beslissing wordt gepubliceerd op de hierna te melden wijze. Afzonderlijke publicatie van de beslissing van het regionaal tuchtcollege, zoals in die beslissing is bepaald, is onder deze omstandigheden niet nodig.

5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voor zover de klachtonderdelen 3 tot en met 8 gegrond zijn verklaard en de arts de maatregel van waarschuwing is opgelegd;

en opnieuw rechtdoende

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;

(…)

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. R.A. Torrenga, voorzitter, mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud en mr. R. Veldhuisen, leden-juristen, mr. drs. M.J. Kelder en mr. drs. W.A. Faas, leden-beroepsgenoten, en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2009, door mr. K.E.
Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.

PDF van dit artikel

Volledige tekst van de uitspraak

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd