U bent nu hier:

Chirurgen in de clinch

Publicatie Nr. 03 - 29 januari 2010
Jaargang 2010
Rubriek Uitspraak online
Auteur mr. W.P. Rijksen, B.V.M. Crul - arts
Pagina's 124

De zaak waarin een plastisch chirurg werd berispt vanwege zijn ontoereikende postoperatieve zorg bij een patiënte met bodylift, vindt u als Uitspraak Tuchtcollege (Falende nazorg na bodylift).

De veroordeelde plasticus ging echter ook zelf in de aanval, en wel tegen een collega uit zijn eigen beroepsgroep, die zijn handelen publiekelijk aan de schandpaal nagelde. De aangeklaagde collega was nog wel de woordvoerder van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie, die in een uitgebreid interview in het Algemeen Dagblad de vloer aanveegde met het handelen van de klagende chirurg.

Hij vergeleek het binnen 24 uur naar huis sturen van de patiënte na een bodylift met het ontslag van een patiënt daags na een openhartoperatie. ‘Dan zou het hele land op zijn kop staan. De kans op infecties en andere complicaties is enorm.’ Het standpunt was volgens het tuchtcollege in z’n algemeenheid onvoldoende onderbouwd en zou kunnen leiden tot onrust onder patiënten.

Bovendien had de woordvoerder met zijn uitlatingen schade berokkend aan het vertrouwen in de wijze waarop de klagende chirurg en zijn collega’s de individuele gezondheidszorg bedrijven. De geïnterviewde chirurg kreeg een waarschuwing.

Zijn verweer dat zijn optreden in de media niet voor tuchtrechtelijke toetsing vatbaar was, werd terecht in beide tuchtcolleges verworpen: het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg stond immers in deze zaak centraal. Een lezenswaardige uitspraak op onze website.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer 2008/076 van:

A, plastisch chirurg, werkzaam te B, appellant, verweerder in eerste aanleg,
raadsman A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam,

tegen

C, wonende te D, verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg, raadsman mr. S.F. Kalff, advocaat te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure
C - hierna te noemen klager - heeft op 6 december 2006 bij het regionaal tuchtcollege te Zwolle tegen de heer A - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 januari 2008, onder nummer 230/2006, heeft dat college aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd en publicatie van de beslissing gelast. De arts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog correspondentie ontvangen.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 18 juni 2009, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. Kalff, en de arts, bijgestaan door mr. Versteeg. De raadslieden hebben de standpunten van partijen over en weer toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg
Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“  2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is als plastisch chirurg werkzaam in een privékliniek. Een 37-jarige vrouw, verder patiënte te noemen, bezocht klager in verband met klachten over haar overhangende buikhuid, ontstaan nadat zij in 2004 en begin 2005 in zes maanden tijd ongeveer 47 kilo ( van 120 naar 70 kg bij een lengte van 1.68 m) was afgevallen op basis van het Cambridge-dieet. Patiënte werd op donderdag 6 april 2006 in de kliniek opgenomen en onderging dezelfde morgen een bodylift operatie. Eerst werd patiënte aan de dorsale zijde van de romp geopereerd en vervolgens aan de ventrale zijde. Het fascieblad aan de voorzijde van de beide rectusspieren werd aaneengehecht met vicryl 2.0 doorlopend. Er werd 3281 gram weefsel verwijderd. Het wondoppervlak was naar schatting 28 vierkante decimeter. Patiënte is op 7 april 2006 in goede conditie ontslagen. Op zaterdagochtend 8 april 2007 heeft patiënte wegens pijnklachten twee keer contact gehad met klager die adviseert het korset wat losser te maken. Die middag nam patiënte contact op met de huisartsenpost vanwege veel pijn, ondanks maximale pijnstilling, en koude rillingen. De huisarts van de post bezocht patiënte, onderzocht haar en overlegde met klager die adviseerde het korset nog losser te maken en even aan te zien. Op 9 april 2006 om 5.30 uur ging de echtgenoot van patiënte met haar naar de spoedeisendehulpafdeling van een algemeen ziekenhuis bij haar in de buurt. Patiënte is toen door de eerste hulparts gezien en onder de diagnose beginnende wondinfectie terugverwezen naar klager met het advies terug te komen als de situatie verergerde en klager niet bereikbaar zou zijn. Dezelfde dag is patiënte om 9.30 uur in zorgwekkende toestand per ambulance weer naar de spoedeisende hulpafdeling vervoerd. Daar werd de diagnose fasciitis necroticans met gasvorming overwogen en werd gestart met hoge dosis antibiotica. Patiënte werd dezelfde dag overgeplaatst naar een academisch ziekenhuis waar zij direct werd geopereerd. Daarbij werd uitgebreide darmnecrose gezien. Later die dag is patiënte overleden. De bloedkweken bleken positief voor Clostridium septicum.
In het Algemeen Dagblad van 20 mei 2007 staat een uitgebreid artikel over het hierboven beschreven sterfgeval en over klager. In een apart kader met als kop woordvoerder plastisch chirurgen ‘Na bodylift slechts een nacht blijven is volstrekt onverantwoord’ wordt verweerder aan het woord gelaten. Dan volgt onder meer: “A, woordvoerder van de Nederlandse vereniging voor Plastische Chirurgie, noemt een bodylift ‘volstrekt onverantwoord’ als de patiënt al na een nacht wordt ontslagen. “De kans op infecties en andere complicaties is enorm”. A vergelijkt het met een patiënt die daags na een openhartoperatie naar huis wordt gestuurd. “Dan zou het hele land op zijn kop staan. De betrokken chirurg zou terecht worden aangesproken.” A stelt dat zijn beroepsvereniging de praktijk rond bodylifts scherp controleert en ingrijpt als dat nodig is. “Er zijn collega’s om minder al de vereniging uitgezet, al bepaalt het bestuur dat uiteindelijk. Chirurgen die logisch denken, weten dat een nachtje onvoldoende is na een bodylift. Dan breng je patiënten doelbewust in gevaar.”
De website van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) vermeldt onder meer het volgende:
“PRAKTIJKVOERING ZELFSTANDIGE BEHANDELCENTRA
Zoals aanvaard door de Algemene Ledenvergadering d.d. 05-11-02
(…)
6. De leden van de NVPC zijn van mening dat voor elke invasieve ingreep een aan die ingreep gerelateerde minimum periode van observatie en professionele verpleegkundige en medische nazorg bestaat. Voor ten minste de mammareductie, abdominoplastiek, laterale en mediale dijbeenlift en een liposuctie van meer dan 2,5 liter (inclusief eventueel bij aanvang subcutaan geïnjecteerde oplossingen) impliceert dit dat er voorzien moet zijn in de mogelijkheid om een patiënt langer dan 24 uur voor aanvullende verpleegkundige en medische controle opgenomen te houden. (…)

3. DE KLACHT
Klager verwijt verweerder - zakelijk weergegeven - dat hij zonder contact met hem op te hebben genomen en zonder de feiten voldoende te kennen onjuist is opgetreden in de media waardoor er onnodig bij patiënten onrust is ontstaan. De vergelijking tussen een bodylift en een openhartoperatie is ongepast, temeer daar in de media kort daarvoor uitgebreid was gepubliceerd over problemen met een dergelijke ingreep. Ten slotte is klager van mening dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de Verordening op de publiciteit zoals vastgesteld door de NVPC. Klager is van oordeel dat verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede individuele gezondheidszorg.

4.  HET VERWEER
Verweerder voert - zakelijk weergegeven - primair aan dat het college onbevoegd is van de klacht kennis te nemen omdat verweerders handelen niet valt onder de tuchtnorm zoals geformuleerd in artikel 47 lid 1 onder b van de Wet BIG, dat verweerders handelen niet valt onder de definitie van Individuele gezondheidszorg zoals geformuleerd in artikel 1 van de Wet BIG en dat klager niet klachtgerechtigd is op grond van artikel 65 eerste lid onder a van de Wet BIG. Subsidiair is verweerder van oordeel dat de klacht niet gegrond is omdat hij niet ten onrechte een bepaalde vorm van zorgverlening in een kwaad daglicht heeft gesteld en daarmee niet ten onrechte bij het publiek onrust heeft veroorzaakt. Verder stelt verweerder dat hij in het bewuste artikel niet op persoonlijke titel heeft gesproken maar slechts het bestuursstandpunt van de NVPC heeft verwoord.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Gelet op de toelichting op zijn primaire verweer heeft verweerder hiermee kennelijk niet de onbevoegdheid van het college op het oog, maar de niet-ontvankelijkheid van klager in zijn klacht. Met betrekking tot dit verweer geldt het volgende.
Het met verweerder gehouden interview heeft betrekking op een bepaalde vorm van plastische chirurgie, te weten de bodylift. Ontegenzeggelijk is een dergelijke operatie te beschouwen als individuele gezondheidszorg. De klacht houdt in dat verweerder -zelf plastisch chirurg- zich in de media onjuist heeft uitgelaten over deze vorm van individuele gezondheidszorg en dat hierdoor onrust is veroorzaakt onder de patiënten die deze vorm van gezondheidszorg ontvangen. Een dergelijke klacht valt onder de zogenaamde “tweede tuchtnorm” (artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG), die het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg op het oog heeft. Terecht wijst klager er dan ook op dat de door hem geformuleerde klacht als voorbeeld wordt genoemd in de Memorie van Toelichting op de Wet BIG en in de door het ministerie van VWS  verspreide folder over tuchtrecht in de gezondheidszorg. Klager is voorts, als arts die zich bezighoudt met de genoemde vorm van individuele gezondheidszorg, als rechtstreeks belanghebbende aan te merken. Dit alles leidt tot de slotsom dat klager ontvankelijk is in zijn klacht.
5.3
Met betrekking tot de vraag of de klacht gegrond is geldt het volgende uitgangspunt. De vraag of een bodyliftoperatie in een privékliniek gevolgd door één overnachting al dan niet verantwoord is, is in de onderhavige procedure niet aan de orde. Aan de orde is de vraag of het door verweerder naar buiten gebrachte standpunt voldoende was onderbouwd, of hij dit op verantwoorde wijze naar buiten heeft gebracht en of er betere manieren waren om het kennelijke doel om patiënten te behoeden voor een wijze van uitvoeren van bodylifts die door verweerder (volstrekt) onverantwoord werd geacht na te streven.
5.4
Van belang voor de beantwoording van de juist genoemde vraag is dat klager op het moment van het gewraakte interview inmiddels gedurende een jaar of zes op dergelijke wijze bodylifts uitvoerde. Niet gebleken is dat de NVPC in die periode expliciet en op basis van medisch-wetenschappelijke argumentatie een dergelijke wijze van opereren had veroordeeld. Integendeel, klager heeft er onbetwist op gewezen dat op het moment van het interview (en ook nog ten tijde van de behandeling van de klacht ter zitting) als standpunt van de NVPC had te gelden het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 5 november 2002 “Praktijkvoering zelfstandige behandelcentra” sub 6. Beide partijen gaan ervan uit dat dit besluit ruimte bood en biedt voor de wijze waarop door klager bodylifts worden uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg in de voorliggende periode een dergelijke praktijkvoering had afgekeurd en zelfs het naderhand door de IGZ uitgebrachte rapport naar aanleiding van het overlijden van de patiënte in kwestie bevat niet de conclusie dat bodyliftoperaties in een privékliniek met een verblijf van 24 uur zonder meer onverantwoord zijn (het doet de aanbeveling dat er de mogelijkheid moet bestaan voor een langer postoperatief verblijf en dat er ten aanzien van een heropname in het postoperatieve beloop dezelfde mogelijkheden dienen te bestaan als in een regulier ziekenhuis; de kliniek van klager heeft zich aan die aanbeveling geconformeerd). De conclusie van de IGZ strookt met eerder genoemd besluit van de NVPC uit 2002.
5.5
Tegen deze achtergrond is het door verweerder naar buiten gebrachte standpunt dat het onverantwoord zou zijn -laat staan “volstrekt” onverantwoord- als de patiënt al na een nacht wordt ontslagen, in zijn algemeenheid onvoldoende onderbouwd, immers noch door het officiële besluit van de NVPC van 2002 dat tot aan de dag van vandaag geldt, noch door enig rapport van de IGZ noch door een andere in het veld breed gedragen en kenbare wetenschappelijke norm of standaard. De door verweerder aangedragen stukken kunnen niet als zodanig gelden, nu klager even zovele stukken van een andere strekking heeft overgelegd. Door deze ongefundeerde uitlating van verweerder is op zijn minst het risico in het leven geroepen dat onrust zou ontstaan onder de kring van betrokken patiënten. Daarbij gaat het niet alleen, zoals klager betoogt, om zijn eigen patiënten maar om alle patiënten die een enigszins vergelijkbare operatie hebben ondergaan of overwegen te ondergaan. Als er binnen (een deel van) het bestuur van de NVPC twijfels bestonden over de vraag of de door klager gevolgde praktijk medisch verantwoord was, had dat in de gegeven omstandigheden aanzienlijk voorzichtiger naar buiten moeten worden gebracht en had de NVPC ook zo snel mogelijk binnen eigen kring moeten komen tot (strengere) normering van bodyliftoperaties, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. Hier komt bij dat verweerder wist dat zijn mening werd gevraagd naar aanleiding van een concreet sterfgeval van een patiënt van klager. Hij had er rekening mee moeten houden dat de gemiddelde lezer een verband zou leggen tussen zijn woorden, al zijn die deels in algemene zin geformuleerd, en die concrete casus. Derhalve had het op zijn weg gelegen om zich op de hoogte te stellen van de feiten met betrekking tot dat concrete sterfgeval door bijvoorbeeld klager hierover te bellen, zoals deze heeft aangevoerd in zijn klacht. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. Wellicht had kennisneming van de casus verweerder ervan weerhouden om juist op dat moment een afkeurend oordeel over de door hem gewraakte praktijk in privéklinieken naar buiten te brengen.
5.5
Hetgeen hiervoor is overwogen geldt te meer voor de uitlatingen die verweerder verder nog heeft gedaan (de vergelijking met een openhartoperatie, dat collega’s om minder uit de vereniging zijn gezet, dat chirurgen die logisch nadenken weten dat een nachtje onvoldoende is na een bodylift en dat je dan patiënten doelbewust in gevaar brengt). Zeker voor deze uitlatingen geldt bovendien dat het publiek bij lezing van de publicatie direct een verband legt met het sterfgeval dat had plaatsgevonden in de kliniek van klager. De gekozen bewoordingen schaden, naar hierboven overwogen zonder goede grond, het vertrouwen in de wijze waarop klager en anderen de individuele gezondheidszorg bedrijven. Verweerder moest daar rekening mee houden want hij wist wat de aanleiding was voor de hem gestelde vragen en waar de journalist over ging schrijven. Het baat verweerder niet, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, dat de journalist in kwestie zich niet aan zijn belofte heeft gehouden om deze woorden niet naar buiten te brengen. Verweerder heeft niet betwist dat hij zich in die bewoordingen heeft geuit (de vraag dringt zich op welke bedoeling hij met dergelijke uitlatingen “off the record” dan wel heeft gehad) en hij had, als het al zo is dat hij een dergelijke afspraak heeft willen maken, er als ervaren woordvoerder rekening mee moeten houden dat zijn woorden toch in de krant zouden kunnen komen.
5.6
Verweerder heeft tot slot en met nadruk aangevoerd dat hij slechts degene was die het standpunt van het bestuur naar buiten bracht en dat het niet aangaat om hem daar op af te rekenen. Veronderstellenderwijs aannemende dat door het bestuur aan verweerder was gevraagd als woordvoerder een afkeurend oordeel over de wijze van uitvoering van bodylifts door klager naar buiten te brengen (dat is overigens door hem in deze procedure ondanks betwisting daarvan door klager niet aangetoond) komt het college tot het oordeel dat ook deze omstandigheid verweerder niet kan baten. Verweerder heeft uiteengezet dat hij sinds zes jaar woordvoerder was van de NVPC, dat hij mediatraining had gehad en dat hij veelvuldig onder andere voor de televisie als woordvoerder naar buiten was getreden. Indien daarbij wordt bedacht dat verweerder tevens specialist is op het terrein waarover hij zich uitliet, had hij zich moeten realiseren dat hij - om onnodige onrust bij de betrokken patiëntengroep te voorkomen - zich veel voorzichtiger diende uit te laten. Zijn functie als deskundig woordvoerder bracht juist mee dat hij  het standpunt dat naar zijn zeggen door de voorzitter van het bestuur aan hem was meegedeeld op verantwoorde wijze had dienen te modelleren ter publicatie.
5.7
De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder de min of meer toevallige omstandigheid dat verweerder woordvoerder was van de NVPC, volstaat thans een waarschuwing.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing op de hieronder te noemen wijze worden bekendgemaakt.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden, zoals deze zijn vastgesteld door het regionaal tuchtcollege en hiervoor onder 2. De feiten zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. In beroep voert de arts onder handhaving van zijn in eerste aanleg geuite stellingen kort samengevat aan dat het regionaal tuchtcollege:
-  ten onrechte het beroep op de onbevoegdheid van het college om van de klacht kennis te nemen heeft gepasseerd;
-  ten onrechte klager in de klacht ontvankelijk heeft verklaard;
-  ten onrechte de klacht gegrond heeft verklaard.
4.2. Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie het beroep te verwerpen.
4.3. Onbevoegdheid van het regionaal tuchtcollege
Nu klager zijn klacht heeft gericht tegen een BIG geregistreerde arts brengt dit mee dat het regionaal tuchtcollege bevoegd was in eerste aanleg van de klacht kennis te nemen.
4.4. Niet-ontvankelijkheid van klager in de klacht
4.4.1. Vervolgens moet beoordeeld worden of het regionaal tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat klager in de klacht kon worden ontvangen omdat het verweten handelen valt onder de in artikel 47, eerste lid onder b Wet BIG neergelegde tuchtnorm en dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende gerechtigd tot het indienen van een klacht als bedoeld in artikel 65, eerste lid onder a van de Wet BIG.
4.4.2. Artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG biedt de mogelijkheid ook handelen of nalaten van BIG-ingeschrevenen dat niet door de eerste tuchtnorm wordt gedekt doch dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg ter toetsing aan de tuchtrechter voor te leggen. Daartoe is, gelet op art. 1 Wet BIG, vereist dat gehandeld is in een van de in artikel 47, tweede lid van de  Wet BIG genoemde hoedanigheden en dat het handelen of nalaten rechtstreeks de individuele gezondheidszorg betreft.
4.4.3. Aan genoemde vereisten is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldaan. Bij zijn optreden is de arts niet louter als woordvoerder van de beroepsvereniging opgetreden. De hoedanigheid van arts heeft hij daarbij niet of niet helemaal afgeschud, waar in het gewraakte artikel wordt gesproken over “zijn” beroepsvereniging, dus de beroepsvereniging waarvan de arts ook lid is alsmede waar wordt gesproken over “collega’s” (“Er zijn collega’s om minder al de vereniging uitgezet”).
Evident is voorts dat de door klager gewraakte uitlatingen in het AD van 20 mei 2006 betrekking hebben op een door klager bij een - inmiddels overleden patiënte - verrichte ingreep en dus de individuele gezondheidszorg betreffen.
4.4.4. Om de vraag te beantwoorden of  klager als collega van de arts kan worden aangemerkt als klachtgerechtigd dient er aan de zijde van klager sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en strekking van de Wet BIG die beogen de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken, hetgeen onder meer valt af te leiden uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1985-1986, 19 522, nr. 3). Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het belang dat klager bij de klacht stelt te hebben de individuele gezondheidszorg raakt. Nu klager voorts stelt dat hij, als collega, schade ondervindt door het handelen van de arts omdat de uitlatingen de stroom van patiënten niet ten goede komt en onrust heeft gebracht bij patiënten die recent een ingreep bij de arts hebben ondergaan, kan klager aangemerkt worden als klachtgerechtigd.
4.5. Gegrondheid van de klacht
Hetgeen het regionaal tuchtcollege heeft overwogen met betrekking tot de vraag of de klacht gegrond is wordt door het Centraal Tuchtcollege onderschreven en tot het zijne gemaakt. Afgezien van de vraag of het gewraakte artikel het standpunt van de beroepsvereniging vertegenwoordigt, zijn de uitlatingen ongenuanceerd en te ver gaand. De door het regionaal tuchtcollege opgelegde waarschuwing vindt het Centraal Tuchtcollege adequaat.
4.6. Al het voorgaande betekent dat het beroep niet kan slagen.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing worden bepaald.

5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. P.J. Wurzer, leden-juristen, R.E.F. Huijgen en dr. T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten, en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2009, door mr. K.E. Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.


Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd