U bent nu hier:

Pappen en nathouden bij claudicatioklachten

Publicatie Nr. 06 - 11 februari 2010
Jaargang 2010
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur mr. W.P. Rijksen, B.V.M. Crul - arts
Pagina's 269-271

‘Even wakker worden!’, zou je de huisarts wel willen toeroepen bij het lezen van onderstaande casus. Een meer alerte houding en acht slaan op het eigen ‘niet-pluisgevoel’ had mogelijk veel onheil voorkomen.

De wat dissimulerende patiënt kwakkelde al jaren met beenklachten die door de huisarts zonder enig onderzoek of differentiaaldiagnose als aspecifiek werden geduid. Dan volgt plots een acute opname en operatie vanwege een arteriële stenose. Eenmaal weer thuis verslechtert hij pulmonaal in een paar weken dramatisch, maar de huisarts stuurt hem niet in. Dat doet de familie dan maar zelf. Achteraf blijkt hij in het ziekenhuis een legionellapneumonie te hebben opgelopen.

Het regionaal tuchtcollege oordeelt (te?) streng en berispt de huisarts, maar eigenlijk was wat hij had moeten doen, toch vrij eenvoudig. Maar dan moet je het dus wel dóen. Dat geldt overigens ook voor het bijhouden van je dossier; iets wat nog niet door alle artsen – zoals deze – wordt gedaan.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen d.d. 18 augustus 2009

Het college heeft het volgende overwogen en beslist over de op 27 november 2008 binnengekomen klacht van mevrouw A, wonende te B, klaagster,

tegen

de heer drs. C, huisarts, wonende te B, verweerder.

1. Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift d.d. 10 november 2008 met bijlage, via de secretaris van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg ingekomen
bij het secretariaat van het college op 27 november 2008; het verweerschrift d.d. 27 december 2008 van verweerder, ingekomen bij het secretariaat van het college op 5 januari 2009; het medisch dossier van de heer D; de repliek d.d. 13 januari 2009 van klaagster; de dupliek d.d. 16 februari 2009 van verweerder.

Na ontvangst van de klacht heeft de voorzitter van het college, gelet op het bepaalde in artikel 66 van de Wet BIG, een vooronderzoek gelast. In het kader van dit vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Daarvan is door partijen geen gebruik gemaakt.

De klacht is behandeld ter zitting van het college te Groningen gehouden op 26 mei 2009. Partijen zijn behoorlijk opgeroepen.

Klaagster is in persoon verschenen, vergezeld van haar zoon en schoonzoon. Verweerder is in persoon verschenen.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten, die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

2.1 Klaagster is gehuwd geweest met D.

2.2 Verweerder is gedurende een lange reeks van jaren de huisarts geweest van D. D heeft verweerder diverse keren geconsulteerd omdat hij zich niet goed voelde en pijn had in zijn benen. Verder was D bekend met COPD.

2.3 Op 1 augustus 2006 is D met spoed opgenomen in ziekenhuis E te B vanwege een arteriële stenose in zijn rechteronderbeen. Hij heeft enige tijd in het ziekenhuis verbleven, waarbij hij op 4 augustus 2006 een femorocrurale reconstructie aan zijn rechterbeen heeft ondergaan.

2.4 Twee weken na het ontslag uit het ziekenhuis werd D weer ziek.

2.5 Op 31 augustus 2006 hebben D en klaagster verweerder geconsulteerd. Verweerder heeft D vervolgens thuis bezocht en diens longen beluisterd. Volgens verweerder waren de longen goed, maar was er mogelijk sprake van een virale infectie. Hij heeft aanleiding gezien om D antibiotica voor te schrijven.

2.6 Klaagster vertrouwde de situatie evenwel niet en heeft op eigen initiatief en samen met haar zoon en schoonzoon D diezelfde dag naar de Spoedeisende Hulp van E gebracht, waar D is opgenomen op de longafdeling vanwege een pneumonie.

2.7 Op 4 september 2006 is hij overgeplaatst naar de intensive care van dit ziekenhuis in verband met respiratoire insufficiëntie en sepsis. D verkeerde op dat moment in een slechte toestand en moest langdurig worden beademd.

Later bleek dat sprake was van een legionellapneumonie, die is ontstaan door een legionellabesmetting gedurende de vorige opname in E.

2.8 D is op 29 september 2006 uit het ziekenhuis ontslagen.

2.9 D en klaagster hebben in augustus 2006 de behandelrelatie met verweerder beëindigd en zich laten inschrijven in de praktijk van een andere huisarts te B.

2.10 D is, nadat hij in de tussenliggende periode verschillende keren is behandeld voor onder andere hart- en vaatklachten, op 15 november 2007 overleden.

3. De klacht
De klacht luidt, zakelijk weergegeven, als volgt.

onderdeel 1
3.1 Klaagster maakt verweerder in de eerste plaats een verwijt met betrekking tot het consult op 31 augustus 2006. Volgens klaagster was D er op dat moment dermate slecht aan toe dat hij haast niet meer op zijn benen kon staan. Verweerder wimpelde de klachten evenwel weg met de mededeling dat de longen goed waren en dat het waarschijnlijk wel ‘een virusje’ zou zijn. Op de longfoto die later op die dag in het ziekenhuis is gemaakt bleek echter dat D een dubbele longontsteking had en onmiddellijk moest worden opgenomen.

In de periode die volgde bleek dat de toestand van D zodanig kritiek was dat het een wonder is dat hij het destijds heeft overleefd.

onderdeel 2
3.2 Klaagster stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder de klachten van D met betrekking tot de pijn in zijn benen nooit goed heeft opgepakt. Volgens klaagster heeft verweerder deze klachten nonchalant en ongeïnteresseerd aangehoord, sleurmatig beoordeeld en niet vakkundig behandeld. Twaalf jaar lang heeft D met grote regelmaat bij verweerder geklaagd over het feit dat hij vaak niet verder kon lopen, pijn in zijn billen had, kortademig was en duizelig was bij het fietsen. Het enige dat verweerder al die jaren deed was het wegwimpelen van de klachten. Hij schreef alleen Ventolin en Flixotide voor en voor de pijn in de billen moest D maar naar de fysiotherapeut.

Verweerder vond het niet nodig om D door te sturen naar een specialist.

Klachten over het hart werden afgedaan met de mededeling dat iedereen daar wel eens last van had. Pas tijdens de opname in E begin augustus 2006 werd D en klaagster duidelijk dat D ernstig ziek was.

De behandelend vaatchirurg heeft hen destijds na de operatie verteld dat het hele hart- en vaatstelsel heel erg slecht was.

4. Het verweer
Het verweer luidt, zakelijk weergegeven, als volgt.

onderdeel 1
4.1 D bleek tijdens het consult op 31 augustus 2006 ziek en zwak. Na onderzoek heeft verweerder de situatie niet zo ernstig ingeschat dat D ingestuurd moest worden. Verweerder gaat ervan uit dat hij bij onderzoek geen harde signalen van een pneumonie heeft beluisterd. Hij heeft het als een virale infectie gediagnosticeerd, maar toch profylactisch een antibioticum voorgeschreven. De ontwikkelingen kort daarna hebben verweerder verrast en hij betreurt deze gang van zaken erg.

onderdeel 2
4.2 D heeft verweerder menigmaal bezocht vanwege klachten met betrekking tot zijn benen. Verweerder heeft deze klachten als aspecifiek beoordeeld. Uitgaande van het feit dat deze klachten het gevolg zijn van arterieel vaatlijden hadden de klachten eerder specialistisch onderzocht moeten worden. Verweerder heeft dit helaas niet zo beoordeeld c.q. onderkend. Verweerder kan zich evenwel niet vinden in de stelling van klaagster dat hij D ongeïnteresseerd zou hebben behandeld.

5. Beoordeling van de klacht
Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het college als volgt.
onderdeel 1

5.1 Ter zitting van het college heeft klaagster – daarin bijgevallen door haar zoon en schoonzoon – onweersproken gesteld dat D direct na de operatie goed in orde was, maar dat hij drie weken later nog maar een schim was van zichzelf. Volgens klaagster heeft zij dit tijdens het in geding zijnde consult ook aan verweerder verteld, hetgeen verweerder evenmin heeft weersproken.

Het college is van oordeel dat een huisarts, die wordt geconfronteerd met een patiënt die volgens diens echtgenote postoperatief goed was, maar vrij snel daarna hard achteruitgaat na bovendien een zware operatie, zonder meer ingestuurd moet worden, wat er in dit geval mogelijk ook zij van het door verweerder uitgevoerde onderzoek naar de longen van D. Specialisten vertrouwen er immers op dat in de eerste lijn op die manier wordt gewerkt en moeten daarop ook kunnen vertrouwen. Overigens heeft verweerder ter zitting ook toegegeven dat hij achteraf bezien D had moeten insturen en na het consult ook wel betwijfelde of hij de ernst van de situatie wel juist had ingeschat.

5.2 Verweerder heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van het college aldus gehandeld in strijd met de zorg die hij als huisarts had behoren te betrachten ten opzichte van D en diens naaste betrekkingen.

De klacht is in zoverre gegrond.

5.3 Wat betreft de vraag of verweerder ook een verwijt kan worden gemaakt van het stellen van de achteraf bezien onjuiste diagnose overweegt het college dat de diagnose pneumonie op zichzelf al niet altijd fysisch-diagnostisch (luisteren, kloppen en het eventueel doen van aanvullende testjes zoals bronchofonie en stemfremitus) is te stellen, laat staan dat de diagnose legionellapneumonie langs die weg eenvoudig gesteld kan worden. Daar komt bij dat het oplopen van een legionellapneumonie tijdens een verblijf in een Nederlands ziekenhuis (anders dan bijvoorbeeld op campings of in hotels) ook niet direct in de lijn der verwachting ligt.

Onder deze omstandigheden is het college van oordeel dat verweerder in zoverre niet tekort is geschoten, zij het dan – maar dat oordeel ligt reeds besloten in hetgeen in rechtsoverweging 5.2 is overwogen – dat verweerder zich in de gegeven omstandigheden meer had moeten laten leiden door een ‘niet-pluisgevoel’ en D naar het ziekenhuis had moeten verwijzen.

onderdeel 2
5.4 Het college stelt bij de beoordeling voorop dat de dossiervorming door verweerder op zodanige wijze is geschied dat de status van D te weinig inzicht verschaft in de onderzoeken die verweerder door de jaren heen heeft gedaan in verband met de door D geuite klachten en de gedachtevorming van verweerder hieromtrent. Als gevolg hiervan is het voor het college niet helder geworden of D duidelijke claudicatioklachten heeft geuit in de richting van verweerder en evenmin of verweerder in de klachten aanleiding had moeten zien om nader onderzoek te verrichten (bijvoorbeeld het palperen van de perifere arteriën).

5.5 Uit het dossier komt wel naar voren – hetgeen eveneens een tekortkoming betreft – dat verweerder met betrekking tot de klachten van D geen differentiaaldiagnose heeft gesteld en geen duidelijk beleid heeft gevoerd om bepaalde diagnoses uit te sluiten en de onderliggende oorzaak te vinden.

In feite heeft verweerder jarenlang niets anders gedaan dan ‘pappen en nathouden’ zonder ooit serieus (nader) onderzoek te (laten) doen naar de klachten van D. Daar komt bij dat het college de stellige indruk heeft gekregen dat verweerder ook onvoldoende bij D heeft doorgevraagd op momenten dat de hiervoor bedoelde klachten tijdens de consulten aan de orde kwamen. Verweerder heeft hierover ter zitting opgemerkt dat D wel eens tegen hem zei dat het allemaal wel weer goed zou komen en dat hij hierin wellicht teveel is meegegaan. Verweerder heeft naar het oordeel van het college aldus bepaald zijn taak als (huis)arts miskend.

5.6 Het college is van oordeel dat verweerder op de hiervoor vermelde punten eveneens niet de zorg in acht heeft genomen, die van hem moet worden gevergd, zodat ook dit onderdeel van de klacht gegrond is.

de slotsom

5.7 Het college is van oordeel dat het optreden van verweerder van zodanige aard is geweest, dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing, maar dat overgegaan dient te worden tot het opleggen van de maatregel van een berisping.

5.8 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing, geanonimiseerd, als aangegeven in artikel 71 van de Wet BIG, zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen

- verklaart de klacht ongegrond voor zover het gaat om het stellen van de diagnose legionellapneumonie;

- verklaart de klacht voor het overige gegrond;

- legt verweerder de maatregel van berisping op.

Bepaalt voorts dat de beslissing, ingevolge artikel 71 van de Wet BIG, geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus gegeven door mw. mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, F.B. Kaufmann, lid-geneeskundige, mw. S.C.J. van Hoof, lid-geneeskundige, dr. T.D. Ypma, lid-geneeskundige, mw. mr. C.M. Telman, lid-jurist, bijgestaan door mw. mr. H.T.J. van de Meerendonk, secretaris, en uitgesproken op 18 augustus 2009 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

PDF van dit artikel

Ziet u geen reactieformulier? Reacties. (1)

"Wat een stomme huisarts die zowel een dubbelzijdige pneumonie en 12 jaar de diagnose ernstig arterieel vaatlijden mist. Dat suggereert de ongenuanceerde uitspraak van het tuchtcollege en de suggestieve opmerkingen van de redactie. De gemiste pneumonie wordt niet verweten, maar wel het niet handelen naar een 'niet pluis gevoel'. Tuchtcollege: 'patient die ... postoperatief goed was maar vrij snel daarna hard achter uitgaat'. De redactie overdrijft nog meer: 'eenmaal thuis verslechterd hij pulmonaal dramatisch. Geen woord over opnamecriteria longontsteking (bijv. CURB-65): verwardheid? ademfrequentie > 30/minuut? systolische bloeddruk < 90 mm Hg? diastolische bloeddruk < 60 mmHg? pols > 125? leeftijd > 65 jaar? Pneumonie gemist maar antibiotica voorgeschreven en met shockverschijnselen wellicht ingestuurd. Patient kon haast niet op zijn benen staan, echter kort na een grote vaatoperatie. Later naar het ziekenhuis gebracht. Waarom zonder overleg? TC: 'in de periode die volgde bleek dat de toestand van patient zo kritiek was dat het een wonder is dat hij het destijds overleefd had'. Patient werd 4 dagen na opname naar de ic overgeplaatst, dus zelfs dit beloop wordt de huisarts verweten. 'Twaalf jaar lang heeft patient met grote regelmaat geklaagd: niet verder kon lopen, pijn in de billen, kortademig en duizelig bij het fietsen'. Dissimulerende patient met bilpijn bij het fietsen: zadelpijn?! Feiten, casus en vonnis zijn opgeblazen. Niet pluis dus.

Kenrick Berend, Willemstad, Curacao,internist"

, - 08-04-2010 09:38

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd