U bent nu hier:

Medische verklaring

Publicatie Nr. 08 - 25 februari 2010
Jaargang 2010
Rubriek Selectie van de inspectie
Pagina's 354

Een psychiater behandelt een gescheiden vrouw. De vrouw stemt erin toe dat de Raad voor de Kinderbescherming bij de psychiater informeert naar de woonsituatie van haar zoontje. De psychiater kent vader noch zoon, maar vertelt dat het hem het beste lijkt als de vader moeder en kind met rust laat. De vader klaagt bij het tuchtcollege dat de arts zich volledig op het verhaal van de moeder baseerde en de vader ernstig heeft benadeeld. De psychiater heeft spijt van zijn vergaande uitspraken maar ging er vanuit dat de raad hem geen vragen zou voorleggen die hij niet mocht beantwoorden.

Zaaknummer RTC Zwolle 2008/146
Specialisme Psychiater
Uitspraak Waarschuwing
Feiten Verweerder is sinds 21 mei 2003 de behandelend psychiater van de voormalige partner van klager. Patiënte en klager hebben samen een zoontje van 6 jaar oud. Verweerder heeft deze nimmer gezien of gesproken. In verband met een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming naar de hoofdverblijfplaats, de regeling van het gezag en de omgangsregeling van het zoontje, heeft verweerder met toestemming van patiënte informatie aan de RvK verstrekt. Verweerder geeft daarin diens mening over de omvang met vader. Deze informatie heeft de RvK verwerkt in een rapport.
Leermoment In de tuchtrechtspraak zijn normen ontwikkeld ten aanzien van de afgifte van medische verklaringen. Deze kunnen als volgt worden samengevat. Als een arts een verklaring afgeeft, dient deze zorgvuldig te werk te gaan. De verklaring dient voorts te voldoen aan hoge eisen van objectiviteit, dient behoorlijk gemotiveerd te zijn en de arts moet zich onthouden van uitspraken die niet op het terrein van zijn specifieke deskundigheid liggen. Een behandelend arts dient in beginsel geen geneeskundige verklaring af te geven aan derden. In het geval dat ouders als procespartijen tegenover elkaar staan benadrukt de toepasselijke KNMG-richtlijn inzake het omgaan met medische gegevens met zoveel woorden dat een behandelend arts geen waardeoordeel moet geven over de vraag wie van beide ouders bijvoorbeeld het best in staat is in de verzorging van het kind op zich te nemen. Deze beslissing moet door de rechter genomen worden en niet door de arts. Een behandelend arts dient zich in elk geval te beperken tot het verstrekken van feitelijke en relevante informatie. De arts dient zich te allen tijde te onthouden van het verstrekken van informatie en het geven van een waardeoordeel over personen die hij in het geheel niet kent. Verweerder bezat als behandelend arts niet de specifieke deskundigheid, laat staan de vereiste objectiviteit om zich oordelend uit te laten over de omgang. Dit klemt temeer nu hij vader en zoon in het geheel niet kende.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 7 mei 2009 naar aanleiding van de op 9 juli 2008 ingekomen klacht van
A, wonende te B, klager -tegen- C, psychiater, werkzaam te D, bijgestaan door mr. A.W. Hielkema, Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg te Utrecht, verweerder.


1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDUR


Klager heeft een klaagschrift ingediend met een bijlage. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd. Beide partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 27 maart 2009. Klager is verschenen in persoon en verweerder is eveneens verschenen vergezeld van zijn gemachtigde.


2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Verweerder is sinds 1 mei 1971 werkzaam als psychiater en psychotherapeut. Verweerder is sinds 21 mei 2003 de behandelend psychiater van de ex-partner van klager, hierna de moeder. De moeder en klager hebben samen een zoontje dat thans 6 jaar oud is. Verweerder heeft klager of de zoon nimmer gezien of gesproken.

Begin mei 2007 ontving verweerder een schriftelijke aankondiging van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de RvK, dat zij hem een visie zou vragen in verband met een onderzoek naar de hoofdverblijfplaats, de regeling van het gezag en de omgangsregeling van het zoontje van klager. De moeder had de RvK schriftelijk toestemming gegeven om verweerder als informant te benaderen. Op 11 mei 2007 heeft verweerder, na ontvangst van een brief met toelichting van de RvK met de machtiging, telefonisch geantwoord op uiteenlopende vragen van een medewerker van de RvK.

Op 16 mei 2007 heeft verweerder de schriftelijke weergave van het telefoongesprek ontvangen van de RvK. Hij heeft deze ongewijzigd gelaten.

Onder het kopje “Visie van (naam verweerder) ten aanzien van de omgangsregeling” staat ondermeer in het rapport (geanonimiseerd door het RTC): “(naam verweerder) geeft moeder gelijk dat zij de omgang heeft stopgezet, waardoor verdere schade kan worden voorkomen. (naam verweerder) is van mening dat omgang op dit moment zowel (naam zoon) als de ouders geen goed doet. Hij adviseert vader om zich terug te trekken en (naam zoon) en moeder rust te gunnen. (naam zoon) wordt goed verzorgd door moeder. Wanneer (naam zoon) tien of elf jaar oud is en zelf de wens uitspreekt om zijn vader te ontmoeten, dan acht (naam verweerder) omgang met vader niet uitgesloten. In de huidige fase waarin (naam zoon) verkeert, is afstand het beste wat vader voor zijn zoon kan doen.”


3. DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij de rechtsgang betreffende de omgangsregeling tussen klager en diens zoon en daarmee klager zelf, ernstig heeft benadeeld met genoemde uitspraken tegen de RvK. Bovendien zijn deze uitspraken uitsluitend gebaseerd op het verhaal van de moeder en had verweerder de zoon of klager nooit ontmoet of gesproken.


4. HET VERWEER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij spijt heeft van zijn verklaring en dat hij inziet dat hij zich niet had moeten uitlaten over de omgangsregeling tussen klager en de zoon. Hij had moeten antwoorden dat hij hier niets over kon zeggen en hij had zich als behandelend psychiater van patiënte moeten beperken tot de relevante feitelijke informatie over haar.

Verweerder had echter oprecht gemeend te handelen in het belang van het kind en hij heeft gedacht dat de RvK hem geen vragen zou stellen die hij niet mocht beantwoorden of dat zijn antwoorden in elk geval in de context zouden worden gezien van zijn behandelrelatie tot patiënte. Hij zal zich in een voorkomende situatie anders opstellen en zo nodig juridisch advies inwinnen.


5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1
Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.


5.2
In de tuchtrechtspraak zijn normen ontwikkeld ten aanzien van medische verklaringen.
Deze kunnen als volgt worden samengevat. Als een arts een verklaring afgeeft dient hij zorgvuldig te werk te gaan. De verklaring dient voorts te voldoen aan hoge eisen van objectiviteit, dient behoorlijk gemotiveerd te zijn en de arts moet zich onthouden van uitspraken die niet op het terrein van zijn specifieke deskundigheid liggen.

Een behandelend arts dient in beginsel geen geneeskundige verklaring af te geven aan derden. In het geval dat ouders als procespartijen tegenover elkaar staan benadrukt de toepasselijke KNMG-richtlijn inzake het omgaan met medische gegevens (KNMG, Utrecht december 2003) met zoveel woorden dat een behandelend arts geen waardeoordeel moet geven over de vraag wie van beide ouders bijvoorbeeld het best in staat is de verzorging van het kind op zich te nemen. Deze beslissing moet door de rechter genomen worden en niet door de arts. Een behandelend arts dient zich in elk geval te beperken tot het verstrekken van feitelijke en relevante informatie. Tot slot, uiteraard dient de arts zich te allen tijde te onthouden van het verstrekken van informatie en het geven van een waardeoordeel over personen die hij in het geheel niet kent.

5.3
Door te handelen zoals verweerder in mei 2007 heeft gedaan heeft hij bovengenoemde regels met voeten getreden. Verweerder erkent dit ook. Zijn verklaring aan de RvK is naar strekking en bewoordingen een medische verklaring. Deze had slechts feiten mogen bevatten die verweerder als arts op grond van zijn kennis en bevindingen heeft kunnen vaststellen. Verweerder had zich slechts mogen uitlaten over de feiten betreffende zijn patiënte die relevant waren en waarvoor hij schriftelijk toestemming had verkregen. Met name de hierboven geciteerde passage voldoet niet aan de eisen. Verweerder bezat als behandelend arts niet de specifieke deskundigheid, laat staan de vereiste objectiviteit om zich oordelend uit te laten over de omgang en dit klemt te meer nu hij vader en zoon in het geheel niet kende. Aldus handelend is verweerder te kort geschoten in de zorg die hij als arts in acht behoorde te nemen jegens klager.

5.4
Hoewel het College verweerders handelen ernstig acht kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing. Hierbij neemt het College in aanmerking dat verweerder ruiterlijk heeft toegegeven dat hij zich als behandelend arts in het vervolg dient te onthouden van het afgeven van dergelijke verklaringen en dat voorts in dit geval wel aannemelijk is dat verweerder door de RvK op het verkeerde been is gezet. Het is niet geheel onbegrijpelijk dat verweerder er niet op bedacht is geweest dat hem vragen zijn gesteld die niet gesteld hadden mogen worden door een publieke instantie waarvan de rapportages over het algemeen bekend staan als gedegen en deskundig opgemaakt.


6. DE BESLISSING

Het College waarschuwt verweerder!

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L.Smit, voorzitter, en J.N. Voorhoeve en prof.dr. F.A.M. Kortmann, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van mr. B.E.H. Zijlstra-Bauer, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd