Dossier bechterewpatiënt foetsie
| Publicatie | Nr. 08 - 25 februari 2010 |
|---|---|
| Jaargang | 2010 |
| Rubriek | Uitspraak Tuchtcollege |
| Auteur | mr. W.P. Rijksen, B.V.M. Crul - arts |
| Pagina's | 354-355 |
Je zult maar vanaf je 13de jaar steeds vaker en heftiger rugpijn hebben en je huisarts daar veelvuldig voor consulteren, om pas op je 25ste via een nieuwe huisarts te horen dat je de ziekte van Bechterew hebt. Als dan ook nog blijkt dat bijna je complete patiëntendossier uit die periode spoorloos is, dan kan het niet anders of een mix van verdriet en boosheid maakt zich van je meester.
De aangeklaagde huisarts, die met grote lacunes in zijn geheugen te kampen had, werd door het regionaal tuchtcollege niet verweten dat hij de diagnose had gemist. Wel kreeg hij een waarschuwing omdat hij geen verdere maatregelen had genomen toen de pijnklachten verder toenamen, ook nadat de patiënt door een neuroloog was onderzocht. Diens advies om bij persisterende klachten naar een revalidatiearts te verwijzen, sloeg de huisarts in de wind.
Gelukkig voor de patiënt was zijn nieuwe huisarts doortastender en liet die verder onderzoek verrichten. Deze huisarts beschikte echter nauwelijks over gegevens. Het dossier was bijna geheel spoorloos. Klager verweet zijn oude huisarts dan ook dat hij de gegevens niet wilde of kon overleggen. De aangeklaagde huisarts stelde met verwijzing naar een aantekening in het logboek dat de gegevens naar de nieuwe huisarts waren verstuurd; kennelijk had die deze nooit ontvangen. Omdat het regionaal tuchtcollege dit onderdeel van de klacht ongegrond verklaarde, tekende de patiënt alleen op dit punt beroep aan bij het Centraal Tuchtcollege. Maar ook daar kreeg hij geen gelijk.
Omdat sommige patiëntgegevens wel in handen van de nieuwe huisarts waren gekomen, maakte het college van het ontbreken van het dossier de aangeklaagde huisarts geen verwijt. Het Centraal Tuchtcollege verwees in dit verband naar het feit dat de KNMG hierover adviseert de gegevens per aangetekende post te versturen. En niet voor niets. Ook al is het aangetekend verzenden van post geen garantie dat die ook op de bestemming aankomt, je weet in elk geval wel zeker dat de post is verstuurd.
De aankondiging van de patiënt dat hij het gehele dossier nodig had voor een te ondernemen actie door een letselschadebureau zal, toch geen rol in de verdwijning hebben gespeeld?
B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 22 oktober 2009
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/305 van A, wonende te B, appellant, klager in eerste aanleg, tegen C, huisarts te B, wonende te B, verweerder in hoger beroep en in eerste aanleg.
1. Verloop van de procedure
A, hierna te noemen klager, heeft op 14 april 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C, hierna te noemen de arts, een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 september 2008, onder nummer 0844, heeft dat college de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Op 6 augustus 2009 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief met bijlage van klager ontvangen. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 1 september 2009, waar zijn verschenen klager, vergezeld van zijn moeder, mevrouw D, en de arts.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
‘2. De feiten
Klager, geboren op 28 maart 1979, is van 1984 tot medio oktober 2004 patiënt geweest van verweerder. Verweerder heeft klager meermalen gezien met rugklachten, met name in de onderrug. In 1999 heeft verweerder klager verwezen naar een neuroloog, die verweerder bij brief van 15 september 1999 heeft bericht. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder klager naar fysiotherapie en mensendieck gestuurd. De opvolgend behandelend huisarts heeft klager voor onderzoek verwezen naar het E, alwaar in november 2004 de ziekte van Bechterew is geconstateerd.
3. Het standpunt van klager en de klacht
De klacht bestaat uit de navolgende onderdelen:
1. verweerder wil of kan het medisch dossier van klager niet overleggen;
2. verweerder heeft de klachten van klager niet serieus genomen en is nalatig gebleven klager tijdig voor nader onderzoek te verwijzen.
Klager heeft de klacht als volgt toegelicht.
Met betrekking tot onderdeel 1:
Verweerder heeft aan de opvolgend huisarts niet meer doen toekomen dan het schrijven van de afdeling Neurologie van het E d.d. 15 september 1999 en een behandelkaart over de periode 18 juni 1979 tot en met 27 januari 1984. Klager heeft zijn gehele dossier nodig in het kader van door een letselschadebureau te ondernemen actie.
Met betrekking tot onderdeel 2:
Vanaf zijn 13de jaar heeft klager veel pijn gehad zonder dat duidelijk was waar die vreselijke pijn vandaan kwam. Klager is met zijn klachten regelmatig bij verweerder geweest. Door de jaren heen werden de pijnen heviger. De pijnstillers die verweerder voorschreef, werden steeds sterker. Klager is van de pijn zelfs twee keer flauw gevallen in de spreekkamer van verweerder. In al die tijd heeft verweerder klager één keer, namelijk in 1999, naar het ziekenhuis gestuurd voor een foto op de verkeerde plek. In aansluiting op het onderzoek van de neuroloog had verweerder klager moeten doorverwijzen naar een revalidatiearts in plaats van naar een fysiotherapeut. De opvolgend huisarts heeft klager met spoed laten onderzoeken in het E, waar onmiddellijk de ziekte van Bechterew werd geconstateerd. Klager is toen met spoed opgenomen. De artsen spraken er schande van dat verweerder hem zolang had laten lijden. De lijdensweg had niet zo erg hoeven zijn als verweerder klager tien jaar eerder naar het E had verwezen. Na ontslag uit het ziekenhuis is klager nog een halfjaar in het revalidatieoord te F geweest. Hij heeft nu veel fysiotraining, maar geestelijk is hij er nog niet bovenop.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder kan zijn handelen uit de tijd waar de klacht over gaat niet anders dan uit zijn geheugen weergeven, waarbij hij merkt dat er grote lacunes zijn.
Het was in die tijd de gewoonte dat alle correspondentie bewaard werd. Al zijn aantekeningen werden in het huisartseninformatiesysteem geschreven. Bij vertrek van een patiënt werden de correspondentie uit het dossier en een uitdraai van zijn verslaglegging naar de nieuwe huisarts verstuurd. In het logboek van zijn assistente staat op 24 oktober 2004 genoteerd dat de gegevens van klager en die van zijn moeder naar de nieuwe huisarts zijn verstuurd. Desgevraagd heeft de assistente van verweerder niet kunnen aangeven of beide dossiers compleet waren.
Verweerder geeft aan getroffen te zijn door de weergave van de lijdensweg van klager. Hij kan echter geen antwoord geven op de vraag hoe het mogelijk is dat hij de diagnose gemist heeft. Evenmin kan hij aangeven nalatig te zijn geweest of op het verwijt daarvan verweer voeren. Hij was in die periode erg vermoeid, had hartklachten en heeft een bypassoperatie ondergaan.
Verweerder heeft het advies van de neuroloog klager door te verwijzen naar een revalidatiearts niet opgevolgd, omdat hij dat niet aangewezen achtte. Verweerder heeft klager toen naar een fysiotherapeut en mensendieck gestuurd.
5. De overwegingen van het college
Vaststaat dat verweerder de diagnose ziekte van Bechterew heeft gemist.
Gebleken is dat verweerder klager slechts eenmaal, en wel in 1999, heeft verwezen naar een neuroloog. Bij brief van 15 september 1999 wordt door de neuroloog geconcludeerd: ‘20-jarige jongeman met sinds één jaar lumbagoklachten zonder radiculaire verschijnselen. Wij hebben mensendiecktherapie voorgeschreven en hem van controle ontslagen. Mocht de mensendiecktherapie geen zin hebben, dan valt te overwegen om patiënt, mede gezien zijn jeugdige leeftijd, door te verwijzen naar de revalidatiegeneeskunde om te zien of patiënt kandidaat is voor de revalidatierugschool.’
Het college acht het tuchtrechtelijk niet verwijtbaar dat verweerder klager niet aanstonds naar de revalidatiegeneeskunde heeft verwezen, maar eerst heeft gekozen voor fysiotherapie en mensendieck. Wel verwijtbaar acht het college dat verweerder geen nadere maatregelen heeft getroffen, bijvoorbeeld door klager alsnog te verwijzen naar de revalidatiegeneeskunde, toen bleek dat de klachten niet verminderden en de pijnen heviger werden.
Gelet op de zich onder de stukken bevindende notitie van de opvolgend behandelend huisarts en de daarbij behorende producties, moet het er voor gehouden worden dat deze huisarts niet beschikt over het gehele dossier van klager. Verweerder heeft aangegeven omtrent het ontbreken van een deel van het dossier in het duister te tasten. Hij heeft wel gewezen op de gebruikelijke gang van zaken en op hetgeen in het logboek van de assistente als hiervoor weergegeven staat vermeld.
Naar het oordeel van het college kan op grond van de thans voorliggende gegevens niet worden aangenomen dat het ontbreken van een deel van klagers dossier aan verweerder te (ver)wijten is.
Het vorenoverwogene brengt mede dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Alle omstandigheden in aanmerking nemend acht het college de maatregel van waarschuwing te dezen passend.’
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het regionaal tuchtcollege en hiervoor onder ‘2. De feiten’ zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 In eerste aanleg heeft klager de arts verweten:
1. dat hij het medisch dossier van klager niet wil of kan overleggen en
2. dat hij de klachten van klager niet serieus heeft genomen en nalatig is gebleven klager tijdig voor nader onderzoek te verwijzen.
Van het oordeel van het regionaal tuchtcollege dat slechts het onder 2 genoemde klachtonderdeel gegrond is, is klager in beroep gekomen. Klager heeft in beroep het eerste onderdeel van de klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd, met conclusie het beroep te verwerpen.
4.3 Klager is vanaf 1984 tot medio oktober 2004 patiënt van de arts geweest. Aanvankelijk waren de bezoeken van klager aan de arts niet veelvuldig, maar naarmate de tijd verstreek bezocht hij de arts vaker, regelmatig vergezeld van zijn moeder. Partijen zijn het erover eens dat de arts tijdens die consulten aantekeningen maakte in het elektronisch dossier.
Medio oktober 2004 heeft klager zich laten uitschrijven als patiënt van de arts en is hij patiënt geworden in de praktijk van huisarts G te B. Bij het opvragen van zijn medisch dossier aan huisarts G heeft laatstgenoemde aangegeven slechts te beschikken over een zogenaamde groene patiëntenkaart met gegevens uit de tijd dat klager patiënt was van de voorganger van de arts en over een brief d.d. 15 september 1999 van de afdeling Neurologie van het E. Volgens huisarts G heeft hij destijds niet meer gegevens van de arts ontvangen.
4.4 Op grond van het bepaalde in artikel 7:454, derde lid BW dient een hulpverlener, zoals in dit geval de arts, de in een dossier opgeslagen gegevens omtrent de behandeling van een patiënt gedurende vijftien jaren te bewaren. Daarbij heeft te gelden dat in geval een patiënt wisselt van hulpverlener en de patiëntgegevens door de hulpverlener worden overgedragen aan zijn opvolger, de verplichting tot bewaren van de gegevens eveneens overgaat op de opvolger. Een huisarts dient, volgens het KNMG-advies voor overdracht van patiëntendossier bij verandering van huisarts, zoals dat gold in de tijd dat klager de praktijk van de arts verliet, het originele patiëntendossier over te dragen aan de opvolgend huisarts. Geadviseerd wordt dit per aangetekende post te doen.
4.5 In deze procedure staat ter beoordeling of de arts tuchtrechtelijk moet worden aangerekend dat hij, noch de opvolgend huisarts beschikt over de gegevens uit het patiëntendossier van klager over de periode dat klager patiënt was van de arts, uitgezonderd genoemde brief d.d. 15 september 1999, die zoals gezegd in het bezit is van de opvolgend huisarts. Met het regionaal tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat op grond van de voorliggende gegevens niet kan worden aangenomen dat het ontbreken van een deel van het dossier te wijten is aan de arts. Het Centraal Tuchtcollege heeft daarbij in aanmerking genomen dat er destijds, toen klager zich uit de praktijk van de arts heeft laten uitschrijven, wel gegevens van klager zijn verstuurd naar de opvolgend huisarts. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege was het beter geweest indien de verzending toen, zoals de KNMG ook adviseert, aangetekend was geschied en is het in voorkomende gevallen voorts aan te bevelen dat een hulpverlener, gelet op de hiervoor genoemde bewaarplicht, erop toeziet welke gegevens van een patiënt worden overgedragen en op welke wijze dat geschiedt en daarvan aantekening maakt. Het voert echter te ver om de arts tuchtrechtelijk te verwijten dat hij de verzending heeft overgelaten aan zijn assistente en dat aangetekend verzenden achterwege is gelaten.
4.6 De arts heeft voorts verklaard dat na overdracht van patiëntgegevens ook de elektronische patiëntgegevens zijn gewist. Die gang van zaken kan de arts tuchtrechtelijk niet worden verweten. Zoals het in 2007 geactualiseerde advies van de KNMG inzake overdracht van dossiers bij verandering van huisarts aangeeft moet het niet wenselijk worden geacht dat patiëntgegevens als elektronisch bestand bij de oude huisarts achterblijven en dient deze ervoor te zorgen dat het elektronische bestand van een patiëntendossier van zijn computer verwijderd wordt, zodra dit bestand is overgedragen aan de nieuwe huisarts. In het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen is evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de arts kennelijk ervan uit is gegaan dat de patiëntgegevens inmiddels waren overgedragen.
4.7 Al het voorgaande betekent dat het beroep wordt verworpen.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing worden bepaald.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
- verwerpt het beroep.
Bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. P.M. Brilman en mr. W.P.C.M. Bruinsma, leden-juristen, M.A.P.E. Bulder-van Beers en H.J. Blok, leden-beroepsgenoten, en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2009, door mr. E.J. van Sandick, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
Profielen Dick Swaab, Henk Barendregt & Frans de Waal
08-02-2011 |
Nooit eerder was er, ook bij het grote publiek, zo veel belangstelling voor de werking van de hersenen. »»
Reacties: Plaats een reactie
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie



