U bent nu hier:

Arts of echtgenoot bij suïcide?

Publicatie Nr. 14 - 08 april 2010
Jaargang 2010
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur mr. W.P. Rijksen
Pagina's 638-640

Ook een arts kan een echtgenote hebben die suïcidaal is. En wat doe je dan, als je haar al zeven keer hebt ‘gered’, en zij je dat kwalijk heeft genomen? Je ben niet haar behandelaar, maar hebt wel de medicatie in huis (morfinepleisters in dit geval) waarmee zij suïcide kan plegen.

Op het moment dat zijn vrouw in overspannen toestand en met onbekende bestemming op een avond vertrok, trok een apotheekhoudend huisarts niet aan de bel. Toen hij de volgende dag merkte dat zijn medicijnkluis was gekraakt en dat morfinemedicatie was verdwenen, ging hij er onmiddellijk vanuit dat dit het werk van zijn echtgenote was. De doodswens van zijn vrouw eerbiedigend, wachtte hij nog een paar uur voordat hij ‘s avonds de politie informeerde.

Dat wachten leverde hem uiteindelijk een waarschuwing van het Centraal Tuchtcollege op. Iets waar het regionaal tuchtcollege geen grond voor zag, ook al omdat ‘... hij aan zijn kinderen verantwoording zal hebben af te leggen’. Deze keer was de suïcidepoging immers geslaagd. Ook al vinden beide colleges de handelswijze van de arts niet echt laakbaar, toch is deze casus het zoveelste voorbeeld uit de tuchtrechtspraak dat laat zien dat de rol van arts en die van partner zich nauwelijks laten verenigen.

B.V.M.Crul, arts

mr. W.P. Rijksen

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 17 december 2009

(…) = ingekort door redactie MC

Beslissing in de zaak van A, (apotheekhoudend) huisarts, wonende en werkende te B, appellant,verweerder in eerste aanleg, gemachtigde mr. L. Fedder, als juriste verbonden aan Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg te Utrecht, tegen 1. C, 2. D, echtelieden, 3. E, wonende respectievelijk te F (klagers sub.1 en 2) en G (klager sub.3), verweerders in hoger beroep, klagers in eerste aanleg, gemachtigde mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.

1. Verloop van de procedure

C, D en E – hierna te noemen klagers –
hebben op 29 oktober 2007 bij het regionaal tuchtcollege te Eindhoven tegen apotheekhoudend huisarts A – hierna te noemen de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 oktober 2008 heeft dat college de klacht gegrond verklaard zonder de oplegging van een maatregel.

(…)

2. Beslissing in eerste aanleg

2.1 De in eerste aanleg vastgestelde feiten.

‘2. De feiten

Klagers zijn de ouders, respectievelijk broer van H, geboren op 13 april 1969 en overleden tussen woensdagavond 5 april 2006 en vrijdagavond 7 april 2006, in leven echtgenote van verweerder, hierna ook te noemen: H.

Verweerder en H zijn in december 1992 met elkaar gehuwd. Op vrijdagavond 7 april 2006 is zij door haar broer (klager) en diens echtgenote dood aangetroffen in haar ouderlijke woning, kennelijk ten gevolge van een via morfinepleisters zichzelf toegediende overdosis morfine. Daaraan ging het navolgende vooraf. Op woensdagavond 5 april 2006 omstreeks 21.00 uur heeft H in overspannen toestand en met onbekende bestemming de echtelijke woning verlaten. Zij is die nacht niet thuis gekomen. Op donderdagmiddag 6 april 2006 ontdekte verweerder, die apotheekhoudend huisarts is en zijn praktijk aan huis heeft, dat de kluis waarin hij zware medicatie, waaronder morfine(pleisters) bewaarde, was opengebroken, kennelijk met een bijl. Verweerder constateerde dat er (morfine)medicatie verdwenen was. Hij ging er onmiddellijk vanuit dat dit het werk van zijn echtgenote was, omdat dit al vaker was gebeurd. Gelet op zijn ervaringen met zijn echtgenote in het verleden, besefte hij dat zij op dat moment wellicht niet meer in leven zou zijn. Die avond heeft verweerder de politie telefonisch geïnformeerd. De politie heeft hem geadviseerd bij familie en kennissen navraag te doen. Verweerder heeft de volgende dag, vrijdag 7 april 2006, de broer van zijn echtgenote (klager) telefonisch over een en ander geïnformeerd.

Verweerder was niet de huisarts van zijn echtgenote. Wel leverde hij als apotheekhoudend huisarts de door haar huisarts voorgeschreven medicatie.’

2.2 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.

‘3. Het standpunt van klagers en de klacht

Klagers dienen de klacht in als naaste betrekkingen van H. De klacht betreft het niet, dan wel onvoldoende verlenen van bijstand door verweerder aan H, die voor haar overlijden en meer specifiek vanaf 5 april 2006 zijn bijstand zeer dringend behoefde. Het is de laatste jaren bij H enkele malen tot een suïcidepoging gekomen. Verweerder is van de miserabele toestand van H op de hoogte geweest; op hem rustte aldus een zorgplicht om attent te zijn op signalen en op situaties waarin het gevaar van ernstige ongelukken en suïcidepogingen zich (weer) voor zouden doen.

Tegenover de politie heeft verweerder verklaard dat H de woning in overspannen toestand had verlaten. Alleen al door die eigen verklaring van verweerder staat vast dat hij wist dat er ernstig gevaar dreigde en dat de toestand, gelet op het verleden van H, wellicht al kritiek was. Niettemin heeft verweerder niet onmiddellijk actie ondernomen, op zijn minst door de politie en de familie van H te waarschuwen. De politie is eerst donderdagavond, omstreeks 22.45 uur, benaderd. Verweerder heeft een onverantwoord afwachtende houding aangenomen.

Verweerder was ervan op de hoogte dat H bij een eerdere gelegenheid al eens morfinepleisters had meegenomen en gebruikt, toen zonder noodlottige afloop.

4. Het standpunt van verweerder

(…)

Bovendien is verweerder uitsluitend als echtgenoot opgetreden en niet in zijn hoedanigheid van behandelend arts. Zijn handelen valt daarom niet binnen de reikwijdte van het tuchtrecht. (…)

Het overlijden van de echtgenote van verweerder kan niet los gezien worden van het psychiatrisch ziektebeeld, waaraan zij jarenlang leed. Verweerder had van zijn echtgenote vaker gelijksoortige situaties meegemaakt. Met name had zij vaker met onbekende bestemming de echtelijke woning verlaten; zij keerde telkens na enige tijd weer terug.

Verweerder heeft als echtgenoot zijn uiterste best gedaan zijn echtgenote in haar ziekte zo goed mogelijk bij te staan. Zij stond onder behandeling van haar huisarts en met name haar psychiater en psychotherapeut.

Tot zeven keer toe is verweerder, na een door zijn echtgenote ondernomen suïcidepoging met uit zijn praktijk ontvreemde medicijnen, met zijn echtgenote naar het ziekenhuis gereden. Dat is ook zo gebeurd in november 2005; zij had toen vijf morfinepleisters gebruikt, welke dosis dodelijk geweest zou zijn als verweerder niet met haar naar het ziekenhuis was gereden. Achteraf heeft zijn echtgenote hem kwalijk genomen dat hij haar van de dood had gered.

Aan de hand van deze ervaring wist de echtgenote, dat de door haar meegenomen pleisters (met een zwaarte van 75 mg) dodelijk voor haar zouden zijn. Zij heeft ervoor gezorgd dat zij onvindbaar was.

Ook als apotheker heeft verweerder naar zijn mening niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.’

2.3 Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

‘5. De overwegingen van het college

(…) Voorts overweegt het college dat verweerder niet (uitsluitend) als echtgenoot heeft gehandeld. Verweerder heeft immers ook gehandeld als apotheekhoudend huisarts. Als zodanig was hij, ook ten opzichte van zijn echtgenote, aan wie hij de door haar huisarts voorgeschreven medicatie leverde, gehouden ervoor te zorgen dat de (zware) medicatie op een veilige plek werd bewaard. Voorts heeft hij als apotheekhoudend huisarts een zorgplicht in geval van ontdekking van het wegnemen van zware medicatie, bij gebruik waarvan de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn.

In zoverre is het handelen van verweerder voor de tuchtrechter ter beoordeling. Niet is komen vast te staan dat verweerder terzake van het bewaren van de medicatie enig verwijt treft. Hij had, naar aanleiding van een aantal voorvallen waarbij zijn echtgenote medicatie had weggenomen, voor het veilig bewaren en bewaken van zware medicatie gezorgd voor een los in een kast staande kluis, die was afgesloten en waarvan de sleutel op een voor de echtgenote van verweerder onbekende plek werd bewaard. Verweerder heeft hiermee voldoende aan zijn zorgplicht ten aanzien van het bewaren van zware medicatie voldaan. Hij heeft niet in strijd met enige voor het bewaren van zware medicatie geldende regel gehandeld. Als van een – gelet op de ervaringen met zijn echtgenote – verzwaarde zorgplicht sprake was, heeft hij daaraan in voldoende mate voldaan. Hij kon niet voorzien dat de kluis, (met een bijl), zou worden opengebroken.

Het handelen van verweerder als apotheekhoudend huisarts is voorts met name tuchtrechtelijk toetsbaar vanaf het moment dat hij ontdekt dat zware medicatie, waaronder morfine, is weggenomen uit de opengebroken kluis. Een apotheekhoudend huisarts die iets dergelijks overkomt, kan niet volstaan met het aannemen van een afwachtende houding. In dit geval was dat niet anders. Al wat verweerder hier tegen aanvoert, snijdt geen hout. Hij had moeten handelen in plaats van, tot ’s avonds vrij laat, afwachten. Dat het hier zijn echtgenote betrof, maakt dit oordeel niet anders en de wetenschap dat zijn echtgenote suïcidaal was maakt zijn zorgplicht nog zwaarder. Verweerder had onmiddellijk actie moeten ondernemen. Hij mag dan als echtgenoot menen dat hij, door (enige tijd) stil te zitten, handelt in overeenstemming met de (suïcide)wens van zijn echtgenote, maar dat doet niet af aan zijn verplichting om te handelen in overeenstemming met de in artikel 47 van de Wet BIG omschreven tuchtnormen. Hij had als arts de verplichting om al het mogelijke te doen om te voorkomen dat met gebruikmaking van de ontvreemde medicatie, voor hem niet onverwacht, een suïcidepoging zou worden gedaan. Van deze mogelijkheden heeft hij te laat gebruik gemaakt.

Het feit dat verweerder tot ’s avonds laat heeft gewacht met het ondernemen van enige actie, valt hem tuchtrechtelijk aan te rekenen. Als arts had hij niet mogen laten gebeuren, wat is gebeurd. In zoverre is de klacht gegrond.

Het college heeft zich uitvoerig beraden over het opleggen van een maatregel. Het betreft een lastige materie, gelet op de verwevenheid van de hoedanigheden van apotheekhoudend huisarts en echtgenoot in de persoon van verweerder. Verweerder stelt dat hij als echtgenoot telkens weer werd geconfronteerd met, steeds serieuzer wordende, suïcidepogingen met behulp van medicatie. Er was, volgens verweerder, een steeds dringender wens tot sterven en er was tevens een wens dat in voorkomend geval verweerder geen contact zou opnemen met de familie van zijn echtgenote. Uit het feit dat zijn echtgenote zich onvindbaar hield, leidde hij af dat zij, zoals zij bij de voorgaande poging had gezegd, een reddingspoging evenmin wenste.

Het college kan zich geen oordeel vormen over de – door klagers ten stelligste betwiste – door verweerder geschetste motieven voor zijn handelen. Niet is onaannemelijk dat het is zoals verweerder zegt. In ieder geval is voor het college kwade opzet niet komen vast te staan, zodat het college van zijn goede trouw zal uitgaan. De juistheid van de door verweerder gestelde achterliggende motieven kan de gegrondheid van de klacht niet wegnemen, maar leidt er wel toe dat het college, na ampel beraad, van oordeel is dat aan verweerder, die ook aan zijn kinderen verantwoording zal hebben af te leggen, geen maatregel dient te worden opgelegd.’

3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat voor de beoordeling van het hoger beroep uit van de feiten en de omstandigheden zoals zijn vastgesteld door het regionaal tuchtcollege en hierboven onder 2.1 staan weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1-2 (…)

De ontvankelijkheid.

4.3 (…).

4.4 Ten aanzien van de vraag of de arts terzake van zijn handelen onder het tuchtrecht valt, verenigt het Centraal Tuchtcollege zich met hetgeen daarover door het regionaal tuchtcollege gesteld is. De arts heeft niet alleen als echtgenoot gehandeld, maar ook als apotheekhoudend huisarts. Als zodanig was hij, ook ten opzichte van zijn echtgenote, aan wie hij de door haar huisarts voorgeschreven medicatie leverde, gehouden ervoor te zorgen dat de (zware) medicatie op een veilige plek werd bewaard. Voorts had hij als apotheekhoudend huisarts een zorgplicht in geval van ontdekking van het wegnemen van zware medicatie, omdat bij onoordeelkundig gebruik de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn.

4.5 De arts betwist verder de ontvankelijkheid van klagers met als argument dat – gelet op het feit dat zijn echtgenote niet gered wenste te worden – haar instemming met indiening van de klacht niet verondersteld kan worden. (…) Ten aanzien van de vraag of een weigering in een situatie als deze niet verondersteld zou kunnen worden, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat met het aannemen daarvan grote terughoudendheid moet worden betracht. Voorkomen moet worden dat nabestaanden in een geval van suïcide het handelen van een daarbij betrokken beroepsbeoefenaar niet meer aan tuchtrechtelijke toetsing zouden kunnen onderwerpen. Tegen die achtergrond acht het college klagers ontvankelijk in hun klacht, dit temeer nu gelet op de geestesgesteldheid van klaagster haar wil terzake niet onomstotelijk vast staat.

Beoordeling
4.6 Met het regionaal tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de arts terzake van het bewaren van de medicatie enig verwijt treft. Hij heeft voldoende aan zijn zorgplicht ten aanzien van het bewaren van zware medicatie voldaan en ook niet in strijd met enige hiervoor geldende regel gehandeld. Voorts is het Centraal Tuchtcollege met het regionaal tuchtcollege van oordeel dat indien de apotheekhoudende huisarts ontdekt dat zware medicatie, waaronder morfine, is weggenomen uit zijn opengebroken kluis, hij niet kan volstaan met een afwachtende houding, maar onmiddellijk actie moet ondernemen. Het Centraal Tuchtcollege verenigt zich met deze overwegingen van het regionaal tuchtcollege en maakt deze tot de zijne. Dit echter met dien verstande dat daar waar in de tekst staat ‘arts’ moet worden gelezen ‘apotheekhoudend huisarts’.

4.7. De overwegingen van het regionaal tuchtcollege om geen maatregel op te leggen (zoals weergegeven in de twee laatste alinea’s), deelt het Centraal Tuchtcollege echter niet.

De door de arts geschetste motieven voor zijn (niet-) handelen en de gestelde wensen van zijn echtgenote met betrekking tot de suïcide, laten onverlet dat de arts onmiddellijk de politie had moeten informeren over de ontvreemde medicatie. Dat hij dat niet heeft gedaan, acht het Centraal Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.8. Het Centraal Tuchtcollege acht, gelet op het bovenstaande, de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het Centraal Tuchtcollege beoogt daarmee de arts een zakelijke terechtwijzing te geven die de onjuistheid van zijn handelswijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken (…).

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep wat betreft de twee laatste alinea’s en het niet opleggen van een maatregel;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- legt de arts de maatregel van waarschuwing op; (…).

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. E.J. van Sandick, voorzitter; mr. W.P.C.M. Bruinsma en prof. mr. J.K.M. Gevers, leden-juristen; drs. H.J. Blok en drs. M.A.P.E. Bulder-van Beers, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2009, door mr. A.H.A. Scholten, in tegenwoordigheid van de secretaris.

PDF van dit artikel

Volledige tekst van deze uitspraak

Ziet u geen reactieformulier? Reacties. (3)

"Lastig te reageren op een juridische uitspraak van het tuchtcollege. Het voelt alsof het niet mijn taal is. De feiten worden zo zakelijk en kil behandeld.
Wat een drama heeft zich hier afgespeeld! Allereerst voor patiënte zelf, maar zeer zeker ook voor haar echtgenoot(in eerste instantie partner en daarnaast huisarts van beroep) en natuurlijk ook voor haar ouders en verdere familie.
Blijkbaar zijn de relaties dusdanig verstoord geraakt, dat familie de echtgenoot aangeklaagd heeft. Wat een drama in een drama!
Ik vraag mij af wat de diagnose was, wat de aard van de behandeling was en of er daarmee iets over de prognose bekend was. Zeven maal een suïcidepoging, waarbij patiënte na het nemen van de overdosis bij echtgenoot terugkwam en zich door hem liet vergezellen naar de spoedeisende hulp…Hoeveel kans was er op verbetering? Hoeveel uitzicht kon haar nog geboden worden?

Bij de voorlaatste suïcide had patiënte aangegeven dat in voorkomend geval haar man geen contact met haar familie op mocht nemen en dat zij geen reddingspoging wenste.
Wat is er met deze informatie gedaan? Is deze gedeeld, zo ja met wie? De kinderen? Heeft patiënte deze informatie verteld aan haar behandelend huisarts of psychiater? Of zou haar partner dit aan de behandelaren verteld kunnen hebben? Zo ja, wat zou er dan met deze informatie gedaan zijn? Stel dat patiënte ten tijde van deze uitlating wilsbekwaam was en haar prognose slecht? Was het dan denkbaar geweest dat de psychiater een familiegesprek gearrangeerd had(waarbij ook de ouders uitgenodigd zouden zijn) en dat er ruimte voor haar doodswens geweest zou zijn. Zou het überhaupt na 7 keer niet zaak zijn in gesprek te gaan met patiënte en omstanders.

Bij de overweging van het College wordt stilgestaan bij de zorgplicht van de apotheekhoudend huisarts. Hoe verhoudt deze zich tot de zorgplicht als echtgenoot. Zou deze niet zwaarder wegen?
Ervan uitgaande dat er sprake geweest is van een liefdevolle relatie met een huwelijk in 1992, hoeveel goede jaren hebben deze echtelieden samen gehad? In 2005 overleed patiënte nadat zij jarenlang aan het psychiatrische ziektebeeld geleden had…
Suïcide vormt op zich al een reden tot gecompliceerde rouw. De impact van een tuchtzaak voor artsen is aanzienlijk. Wat kan de collega huisarts met “de zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van zijn handelswijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken”. Hoe verhoudt zich dat tot het verdriet om het jarenlang ziekzijn, het overlijden door middel van suicide van zijn eigen echtgenote.
Ik hoop maar dat voor de familie van patiënte de opgelegde maatregel van waarschuwing aan de echtgenoot/huisarts verlichting brengt, maar ik ben er niet gerust op. Ik wens de collega sterkte.
"

Y.G. van Ingen, ZUID-SCHARWOUDE - 11-04-2010 21:39

"Lastig te reageren op een juridische uitspraak van het tuchtcollege. Het voelt alsof het niet mijn taal is. De feiten worden zo zakelijk en kil behandeld.
Wat een drama heeft zich hier afgespeeld! Allereerst voor patiënte zelf, maar zeer zeker ook voor haar echtgenoot(in eerste instantie partner en daarnaast huisarts van beroep) en natuurlijk ook voor haar ouders en verdere familie.
Blijkbaar zijn de relaties dusdanig verstoord geraakt, dat familie de echtgenoot aangeklaagd heeft. Wat een drama in een drama!
Ik vraag mij af wat de diagnose was, wat de aard van de behandeling was en of er daarmee iets over de prognose bekend was. Zeven maal een suïcidepoging, waarbij patiënte na het nemen van de overdosis bij echtgenoot terugkwam en zich door hem liet vergezellen naar de spoedeisende hulp…Hoeveel kans was er op verbetering? Hoeveel uitzicht kon haar nog geboden worden?

Bij de voorlaatste suïcide had patiënte aangegeven dat in voorkomend geval haar man geen contact met haar familie op mocht nemen en dat zij geen reddingspoging wenste.
Wat is er met deze informatie gedaan? Is deze gedeeld, zo ja met wie? De kinderen? Heeft patiënte deze informatie verteld aan haar behandelend huisarts of psychiater? Of zou haar partner dit aan de behandelaren verteld kunnen hebben? Zo ja, wat zou er dan met deze informatie gedaan zijn? Stel dat patiënte ten tijde van deze uitlating wilsbekwaam was en haar prognose slecht? Was het dan denkbaar geweest dat de psychiater een familiegesprek gearrangeerd had(waarbij ook de ouders uitgenodigd zouden zijn) en dat er ruimte voor haar doodswens geweest zou zijn. Zou het überhaupt na 7 keer niet zaak zijn in gesprek te gaan met patiënte en omstanders.

Bij de overweging van het College wordt stilgestaan bij de zorgplicht van de apotheekhoudend huisarts. Hoe verhoudt deze zich tot de zorgplicht als echtgenoot. Zou deze niet zwaarder wegen?
Ervan uitgaande dat er sprake geweest is van een liefdevolle relatie met een huwelijk in 1992, hoeveel goede jaren hebben deze echtelieden samen gehad? In 2005 overleed patiënte nadat zij jarenlang aan het psychiatrische ziektebeeld geleden had…
Suïcide vormt op zich al een reden tot gecompliceerde rouw. De impact van een tuchtzaak voor artsen is aanzienlijk. Wat kan de collega huisarts met “de zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van zijn handelswijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken”. Hoe verhoudt zich dat tot het verdriet om het jarenlang ziekzijn, het overlijden door middel van suicide van zijn eigen echtgenote.
Ik hoop maar dat voor de familie van patiënte de opgelegde maatregel van waarschuwing aan de echtgenoot/huisarts verlichting brengt, maar ik ben er niet gerust op. Ik wens de collega sterkte.
"

Y.G. van Ingen, ZUID-SCHARWOUDE - 11-04-2010 21:38

"Alleen medisch inhoudelijk: Morfinepleisters bestaan niet. Het betreft, neem ik aan, Fentanyl pleisters. Daarnaast is de dosering microgram, en niet milligram."

M. Fennema, SCHIEDAM - 10-04-2010 14:27

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd