U bent nu hier:

Toch bekwame aios

Publicatie Nr. 29/30 - 22 juli 2010
Jaargang 2010
Rubriek Selectie van de inspectie

Een aios heelkunde opereert een patiënt aan spataderen. Inderdaad dezelfde casus, maar niet dezelfde zaak als in MC 27/2010 (blz. 1350) en die waarover de voorzitter van het CTG in deze MC wordt geïnterviewd (blz. 1456). Maar het gaat hier niet zozeer om het zonder toestemming van de patiënt vervangen van de operateur (het tuchtcollege gaat ervan uit dat de behandelend chirurg dat had moeten doen) maar of de aios bekwaam genoeg was om de ingreep uit te voeren. Klager zegt dat hij zich niet aan het operatieplan hield en geen supervisie vroeg. Tijdens de operatie vraagt de aios wel degelijk supervisie. Het tuchtcollege verklaart de zaak ongegrond.

Zaaknummer CTC 2009/019
Specialisme Arts, voorheen arts-assistent heelkunde
Uitspraak Ongegrond
Klager Patiënt
Feiten Patiënt is door verweerder geopereerd aan spataderen in beide benen. Preoperatief is patiënt gezien door de chirurg. Op het door deze chirurg ingevulde formulier “Aanvraag daghospitaal” staat dat de ingreep zowel door een chirurg als door een arts-assistent kon worden uitgevoerd. Patiënt is vervolgens geopereerd door verweerder die ten tijde van de operatie in het tweede jaar van zijn opleiding was. Tijdens de operatie heeft hij de chirurg, die op dat moment ook aan het opereren was, korte supervisie gevraagd en verkregen in verband met het vinden van het juiste vat in het rechterbeen.
Leermoment Verweerder behoefde tegenover patiënt niet te vermelden dat hij nog in opleiding was. Het inroepen van supervisie door verweerder van de chirurg duidt erop dat verweerder zijn beperkingen kende.


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer 2009/019 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg, tegen     E., arts, destijds arts-assistent heelkunde, wonende te J., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.


1. Verloop van de procedure

 A. - hierna klager - heeft op 23 november 2007 bij het Regionaal Tuchtcollege te  Groningen tegen E. - hierna verweerder - een klacht ingediend. Bij beslissing van 16 december 2008, onder nummer G2007/77 heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Verweerder heeft een  verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd  maar niet gevoegd met de zaken 2009/018 (A./C.) en 2009/020 (A./F.) behandeld ter  openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 december 2009, waar is  verschenen verweerder, bijgestaan door mr. De Jong voornoemd. Klager is met  kennisgeving niet ter terechtzitting verschenen.


2. Beslissing in eerste aanleg

 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten  grondslag gelegd.

 “2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,  die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

2.1. Klager is op 2 mei 2005 door verweerder in dagbehandeling te G. geopereerd aan spataderen in beide benen.

2.2. Ten tijde van deze operatie was verweerder in het tweede jaar van zijn opleiding. Tijdens de operatie heeft hij van de chirurg H., die ook in het G.- daghospitaal aan het opereren was, korte supervisie gevraagd en verkregen in verband met het vinden van het juiste vat in het rechterbeen.

2.3. Preoperatief is klager in het I. te J. gezien door de chirurg C.. Op de door C. ingevulde “Aanvraag daghospitaal”  met betrekking tot de bij klager uit te voeren ingreep was als te verrichten ingreep vermeld: “10 cm strip li VSP + korte strip VSM re; geen convoluten.” Tevens had C. op dat formulier ingevuld dat de ingreep zowel door een chirurg als door een arts-assistent zou kunnen worden uitgevoerd.

2.4. Op de “ Ontslagbrief daghospitaal” d.d. 2 mei 2005 is als (uitgevoerde) behandeling ingevuld: “ strip VSP L + lange strip VSM Re”.

2.5. Naderhand - in oktober 2005 - heeft opnieuw een operatie aan het linkerbeen van klager plaatsgevonden, uitgevoerd door de chirurg C.; er is toen een strip aan de VSP uitgevoerd.



3.  De klacht

 De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.

3.1. Verweerder heeft klager zelfstandig geopereerd, terwijl hij dat niet van tevoren aan klager verteld heeft en daartoe mogelijk niet eens bevoegd was, althans niet zonder begeleiding en aanwezigheid van een supervisor; de chirurg H. kon niet als zodanig gelden.

3.2.  Bovendien had verweerder klager te voren nog nooit gezien. Hij was dus niet bij enig voorafgaand geneeskundig onderzoek van klager aanwezig geweest.

3.3. Verweerder heeft niet geopereerd conform het operatieplan en de vooraf afgetekende ader op klagers linkerbeen, en heeft nagelaten supervisie te vragen toen bleek dat hij de complexe operatie in klagers linker knieholte niet aankon.


4.  Het verweer

 Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.

4.1. Verweerder heeft op 2 mei 2005 voorafgaand aan de operatie met klager kennisgemaakt en hem meegedeeld dat hij (verweerder) klager zou opereren. Tevens heeft verweerder gecontroleerd of het linkerbeen was afgetekend in het vaatlaboratorium; dat was het geval.

4.2. De operatie is zonder complicaties en zoals de bedoeling was verlopen. Verweerder heeft kort supervisie gehad van de chirurg H., die één van de opleiders heelkunde is; meer supervisie was niet nodig en is niet voorgeschreven.

4.3. Verweerder achtte zichzelf bevoegd en bekwaam om deze operatie uit te voeren. Hij had tot toen toe 40 à 50 spataderoperaties uitgevoerd.


5. Beoordeling van de klacht

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het College als volgt.

5.1. Tussen partijen valt niet vast te stellen of verweerder, toen hij zich aan klager voorstelde, daarbij gezegd heeft dat hij klager zou opereren, al ligt een mededeling van die strekking wel in de rede. Nu hierover niets vast te stellen is dient dit klachtonderdeel ongegrond te worden verklaard. Verweerder behoefde overigens tegenover klager niet te vermelden dat hij nog in opleiding was. Volledigheidshalve merkt het College op dat verweerder er niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden dat klager er tevoren niet van op de hoogte is gesteld - indien dat zo geweest is - dat hij door een ander dan C. zou worden geopereerd.

5.2. Als arts-assistent heelkunde in het tweede jaar van zijn opleiding, en met een ervaring van 40à 50 operaties op het betreffende gebied - deze ervaring is door verweerder gesteld en door klager niet tegengesproken - was verweerder bevoegd om de betreffende operatie uit te voeren. Zijn bekwaam-heid daartoe diende hij zelf te beoordelen; uit de gang van zaken kan het College niet afleiden dat verweerder die bekwaamheid verkeerd beoordeeld heeft.

5.3. Het inroepen van supervisie door verweerder van de chirurg H. duidt erop dat verweerder zijn beperkingen kende. In de gang van zaken rond de supervisie en begeleiding ziet het College geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen van verweerder; een en ander paste binnen de ter zitting geschetste organisatie van de opleiding heelkunde toentertijd.

5.4. Het is niet ongebruikelijk of ongepast dat een andere arts dan degene die de indicatie stelt een operatie uitvoert. Dan dient de opererende arts wel voldoende informatie uit het dossier te kunnen halen om op verantwoorde wijze de operatie te kunnen uitvoeren. Naar het oordeel van het College is dat hier het geval geweest. Het is dan niet noodzakelijk dat de opererende arts de patiënt eerder heeft gezien of bij een onderzoek aanwezig is geweest.

5.5. Het College is van oordeel dat verweerder de afgesproken operatie op acceptabele wijze heeft uitgevoerd. Hij kan daarbij zijn afgeweken van wat op het formulier “Aanvraag daghospitaal” was ingevuld, maar wanneer een dergelijke afwijking een medisch meer verantwoorde behandeling inhoudt dan hetgeen op dat formulier staat vermeld dient in die zin van het formulier te worden afgeweken. Het is goed mogelijk dat verweerder aldus aanleiding heeft gezien en mocht zien om van de instructie op het formulier af te wijken.

 Het College merkt hierbij op dat niet valt vast te stellen dat de naderhand verrichte nieuwe operatie aan het linkerbeen (mede) te wijten zou zijn geweest aan tekortschietend handelen van verweerder.

5.7. Al met al heeft het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder kunnen constateren, zodat de klacht dient te worden afgewezen.


3. Vaststaande feiten en omstandigheden

  3.1 Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit   van de volgende feiten.

  3.2 Klager is op 13 april 2005 voor zijn spataderen in het I. gezien door  behandelend chirurg C.. Deze heeft de indicatie voor de operatie gesteld en een  behandelvoorstel gemaakt. Op het aanvraagformulier voor het daghospitaal te G. heeft  chirurg C. onder meer genoteerd: “10 cm strip li VSP + korte strip VSM re”.

3.3 Op 2 mei 2005 is klager in het daghospitaal te G. door verweerder geopereerd aan spataderen in beide benen. Verweerder was op dat moment arts-assistent heelkunde en in het tweede jaar van zijn opleiding tot chirurg.

3.4 Het operatieverslag vermeldt over de verrichte operatie dat aan de linkerzijde een incisie is gemaakt van 2 cm en dat er 4 cm is geëxcideerd. Voor de ingreep aan het rechterbeen heeft verweerder tijdens de operatie de assistentie ingeroepen van zijn supervisor, chirurg H., die hem kort heeft bijgestaan. Zij hebben samen gezocht naar de inmonding van de VSM.

3.5 In oktober 2005 is klager vanwege klachten aan zijn linkerbeen opnieuw geopereerd. Deze operatie is uitgevoerd door behandelend chirurg C..


4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.2 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege voegt aan het door het regionaal Tuchtcollege overwogene nog het volgende toe.

4.4 Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep moet worden aangenomen dat verweerder zich voorafgaand aan de operatie van 2 mei 2005 aan klager heeft voorgesteld als de arts die de operatie zou verrichten. Daarbij heeft verweerder klager geen toestemming gevraagd voor deze operatie. Dit lag voor verweerder ook niet in de rede, omdat hij ervan mocht uitgaan dat klager in een eerder stadium van het behandeltraject door de behandelend chirurg C. afdoende was geïnformeerd over de mogelijkheid dat de ingreep door een andere arts zou worden uitgevoerd.

4.5 De na de operatie van 2 mei 2005 door klager ervaren klachten van stuwing in het linkeronderbeen zijn naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet terug te voeren op het feit dat verweerder niet conform het behandelvoorstel van chirurg C. met twee incisies 10 cm van de VSP heeft weggehaald, maar met een enkele incisie slechts 4 cm van de VSP heeft verwijderd.

4.6 Het voorgaande betekent dat het beroep moet worden verworpen.


5. Beslissing

 Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

 verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter,
mrs. H.C. Cusell en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en dr. J.A. Zonnevylle en
J.S. Pöll, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2010, door mr. E.J. van Sandick, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Tijdschriftarchief | Nieuwsbrief

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd