No-claimregeling werkt niet
Wist u dat er in 2005 een no-claimregeling is ingevoerd voor ziekenfondsverzekerden? Eenvijfde (22%) van de ziekenfondsverzekerden wist dit in april 2005 nog niet. Vanaf 1 januari 2006 geldt de no-claimteruggaveregeling voor alle verzekerden. In april 2006 blijken meer mensen op de hoogte te zijn van de regeling: 88% geeft aan bekend te zijn met de no-claimteruggaveregeling.
De regeling beoogt naast een financieringsverschuiving, een gedragseffect. In dit artikel gaan we alleen in op het beoogde gedragseffect. Kennis over de regeling is een van de voorwaarden voor het bereiken van een gedragseffect. Idee is dat verzekerden door het vooruitzicht van premieteruggaaf worden geprikkeld om minder zorg te gebruiken. Mensen zouden nog eens extra nadenken over de noodzaak om van zorg gebruik te maken. Er kan een bedrag van maximaal 255 euro worden terugverdiend. De regeling en haar mogelijke effecten hebben wij al eerder, ten tijde van de invoering, in Medisch Contact beschreven.[1]
Begin juni is een evaluatie over de no-claimteruggaveregeling uitgebracht.[2] Enkele weken later is bekendgemaakt dat de no-claimteruggaveregeling gehandhaafd blijft.
In dit artikel leggen wij de mening van consumenten over de effecten van de regeling en het feitelijke zorggebruik naast elkaar. Hiervoor maken we gebruik van het Consumentenpanel Gezondheidszorg van het Nivel en van data van het Landelijk InformatieNetwerk Huisartsenzorg (LINH).
In april-mei 2005 is een peiling gehouden onder de 1634 leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg. Van de 1634 panelleden hebben 1424 de vragenlijst teruggestuurd (87% respons), van wie 60 procent ziekenfondsverzekerden. Een jaar later, in april 2006, is een peiling gehouden onder 1512 leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg. De respons bedroeg 79 procent (n=1198). Het percentage voormalig ziekenfondsverzekerden was 61. LINH is een netwerk van 80 huisartspraktijken met bijna 300.000 ingeschreven patiënten. De LINH-huisartsen registreren op continue basis productiegegevens over aandoeningen (ICPC-gecodeerde diagnose), aantallen contacten, geneesmiddelvoorschriften en verwijzingen in hun computersysteem.[3]
Anderen wel, ik niet
Wat verwachten consumenten zelf van de regeling? In april 2005 is aan een groot aantal toenmalig ziekenfondsverzekerden gevraagd of zij denken dat ze hun medische consumptie gaan aanpassen, omdat zij dan geld van hun zorgverzekeraar kunnen terugkrijgen. Ook is gevraagd of zij denken dat anderen dat gaan doen. 849 toenmalig ziekenfondsverzekerden hebben een ingevulde vragenlijst geretourneerd. Het blijkt dat zij over zichzelf anders denken dan over anderen: van anderen wordt vaker verwacht dat ze minder gebruik van medisch zorg maken om geld terug te krijgen van de zorgverzekeraar dan dat men dat van zichzelf verwacht.
Dit komt overeen met de bevindingen uit een Duits onderzoek. Uit dat onderzoek bleek dat mensen verwachten dat premierestitutie het kostenbewustzijn vergroot en dat de zorgconsumptie erdoor vermindert. Men verwacht echter niet dat het eigen zorggebruik wordt beïnvloed door het vooruitzicht van premierestitutie.[4]
Kennelijk denken mensen van zichzelf dat ze alleen gebruikmaken van medische zorg als dat noodzakelijk is, maar dat andere mensen daar minder zorgvuldig mee omgaan. Waar komt dit idee vandaan? Voor een deel zou de verklaring kunnen zitten in een algemeen idee dat leeft onder de bevolking, of dat door de politiek in het leven is geroepen, dat er veel zorg wordt gebruikt terwijl dat eigenlijk niet nodig is, maar dat mensen zelf niet het idee hebben dat ze zomaar naar de dokter gaan. Dan moet het wel aan anderen liggen. Het eigen gedrag hoeft dus ook niet te veranderen door een financiële prikkel, maar voor anderen zal een dergelijke prikkel leiden tot zorgvuldiger zorggebruik.
Gebrek aan kennis
In april 2006 is aan voormalig ziekenfondsverzekerden gevraagd of zij in 2005, vanwege het feit dat ze bij een laag gebruik geld konden terugkrijgen van de zorgverzekeraar, minder gebruik hebben gemaakt van medische zorg. Ongeveer 3 procent van de voormalig ziekenfondsverzekerden zegt door de no-claimregeling minder gebruik te hebben gemaakt van zorg. Op de vraag op welke manier zij minder zorg hebben gebruikt, noemen ze het vaakst: minder vaak naar de huisarts en minder vaak naar de medisch specialist gaan. Dit is opmerkelijk, omdat de huisarts niet meetelt voor de no-claimteruggave. De huisarts is na politieke druk buiten de regeling gehouden. Er werd gevreesd voor de toegankelijkheid van noodzakelijke zorg als de poortwachter niet meer drempelloos kon worden bezocht. Patiënten zouden zorg onterecht kunnen uit- of afstellen. Dit risico zou kleiner worden als ze de huisarts, zonder financiële consequenties, konden blijven consulteren. Geneesmiddelen die door de huisarts worden voorgeschreven, vallen wel onder de no-claimteruggaveregeling. Het ligt echter niet voor de hand dat mensen niet naar de huisarts gaan om het risico te vermijden dat de huisarts geneesmiddelen zou voorschrijven waardoor zij hun no-claimterugave mislopen.
Dat mensen aangeven minder naar de huisarts te gaan, zou kunnen komen door een gebrek aan kennis van consumenten; 41 procent van de toenmalig ziekenfondsverzekerden dacht in april 2005 dat de huisarts onder de regeling viel.[5] Minder naar de huisarts gaan kan dan worden gezien een onbedoeld effect van de no-claimteruggaveregeling, waarbij het de vraag is of dit de toegankelijkheid van de zorg in gevaar brengt.
Daadwerkelijk minder naar de huisarts en specialist?
Hoe zit het met het feitelijke zorggebruik? Zijn mensen daadwerkelijk minder naar de huisarts en naar de medisch specialist gegaan? Het aantal contacten met de huisarts blijkt tussen 2004 en 2005 te zijn afgenomen voor mensen tussen de 18 en 44 jaar (figuur 1). Dit blijkt echter zowel voor voormalig ziekenfonds- als voor voormalig particulier verzekerden het geval te zijn. Mensen zijn dus wel minder naar de huisarts gegaan in 2005 vergeleken met 2004, maar dit komt niet door de no-claimteruggaveregeling. De daling bij de ziekenfondsverzekerden van het vrouwelijk geslacht (25-44 jaar) is waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat de pil niet meer wordt vergoed. Bij de nieuwe verwijzingen naar medisch specialisten valt op dat daar een daling is voor de voormalig ziekenfondsverzekerden van boven de 12 jaar (figuur 2). De no-claimteruggaveregeling geldt echter alleen voor ziekenfondsverzekerden van boven de 18 jaar. Voor de mensen boven de 18 zou de daling kunnen worden geïnterpreteerd als een gevolg van de no-claimteruggaveregeling, omdat de daling niet bij particulier verzekerden te zien is. Daarbij moet wel worden aangemerkt dat dergelijke schommelingen door de tijd vaker voorkomen. Er kan dus ook een daling in het aantal nieuwe verwijzingen zijn zonder dat de no-claimteruggaveregeling daar de oorzaak van is. Dit laatste wordt ondersteund door het feit dat er ook een daling in het aantal nieuwe verwijzingen voor de leeftijdsgroep 12-17 jaar is.
Geen bewijs gevonden
Overtuigend bewijs voor de werking van de no-claimteruggaveregeling hebben we in dit onderzoek niet kunnen vinden. Het is mogelijk dat mensen door de no-claimteruggaveregeling minder vaak naar de medisch specialist zijn gegaan, maar de daling in het aantal eerste verwijzingen wijkt niet af van de gebruikelijke fluctuaties door de jaren heen. Mensen geven daarnaast zelf aan dat ze minder naar de huisarts zijn gegaan door de no-claimteruggaveregeling. Dit (onbedoelde) effect hebben we niet kunnen terugvinden in de registratiegegevens over de contacten met de huisarts. Het is mogelijk dat het nu, een jaar na invoering van de regeling, nog te vroeg is om effecten te kunnen meten. Mensen zouden nog niet (lang) genoeg op de hoogte kunnen zijn van de invoering van de no-claimteruggaveregeling, waardoor een gedragsverandering nu nog niet zichtbaar is. Kennis over de regeling is immers een noodzakelijke voorwaarde om de beoogde effecten te realiseren.
De no-claimteruggaveregeling heeft als doel om het gedrag van mensen te veranderen. Mensen zouden nog eens extra nadenken over de noodzaak om van zorg gebruik te maken. Door het vooruitzicht van premieteruggaaf zou men worden geprikkeld om minder zorg te gebruiken. Het is echter de vraag of mensen van zichzelf vinden dat ze zorg gebruiken als dat niet noodzakelijk is. Uit ons onderzoek komt naar voren dat veel mensen niet denken dat zij zelf minder gebruik van zorg zullen gaan maken. Van anderen denken zij dat echter wel; mensen denken over zichzelf anders dan over anderen. Wat zijn hier de consequenties van? Het kan betekenen dat beleid om mensen bewust te maken van hun (onzorgvuldig) zorggebruik breed gedragen kan zijn, maar geen enkel effect heeft. Mensen kunnen achter de maatregel staan, omdat zij denken dat anderen hun gedrag moeten veranderen. Zij zelf hoeven dit echter niet te doen. Er zal dus niks veranderen. Het is overigens de vraag of er daadwerkelijk sprake is van onnodig zorggebruik.
Objectief bewijs of er onnodig gebruik van zorg wordt gemaakt, is moeilijk te verkrijgen. Door artsen kan dit alleen achteraf, na eigen beoordeling van de klacht, worden vastgesteld. In de ogen van patiënten zal het consulteren van een arts vrijwel altijd noodzakelijk zijn. Uit een onderzoek onder huisartsen waar is gevraagd naar voorbeelden van oneigenlijk zorggebruik, bleek dat met name het tijdstip en de manier waarop zorg wordt gevraagd, bepalen of zorggebruik oneigenlijk is en niet de aard van het zorggebruik.[6] Daarnaast toont indirect bewijs aan dat onnodig gebruik van huisartsenzorg tussen 1987 en 2001 eerder is afgenomen dan toegenomen.[7] In het Nederlandse zorgsysteem beoordeelt de huisarts of verdere behandeling van een klacht noodzakelijk is, als dat niet het geval is, kan de patiënt worden gerustgesteld. Huisartsen voorkomen hiermee onnodig zorggebruik.
Beleid dat zich richt op het bewustzijn van mensen om een gedragsverandering te bewerkstelligen, zal niet erg effectief zijn zolang men niet beseft zelf ook een ander te zijn.
Judith D. de Jong, onderzoeker
Robert A. Verheij, projectleider LINH
Peter P. Groenewegen, afdelingshoofd
Allen werkzaam bij het Nivel
Correspondentieadres Judith D. de Jong, Nivel, Postbus 1568, 3500 BN Utrecht; e-mail j.dejong@nivel.nl
Tabellen bij dit artikel
Samenvatting
In dit onderzoek is geen overtuigend bewijs voor de werking van de no-claimteruggaveregeling gevonden.
Mensen verwachten door de no-claimteruggaveregeling minder zorggebruik door anderen. Ze verwachten geen verandering in hun eigen zorggebruik.
3% van de voormalig ziekenfondsverzekerden zegt ten gevolge van de no-claimteruggaveregeling minder gebruik te hebben gemaakt van zorg. Mensen geven aan minder naar de huisarts en de medisch specialist te zijn gegaan.
Cijfers over feitelijk zorggebruik laten een daling in het aantal nieuwe verwijzigen zien voor mensen waarvoor de no-claimteruggaveregeling geldt. Deze daling wijkt niet af van gebruikelijke fluctuaties door de jaren heen.
Beleid gericht op het bewustzijn van mensen om zo een gedragsverandering te bewerkstelligen zal niet effectief zijn zolang mensen denken dat het beleid alleen op anderen van toepassing is.
Literatuur
1. Groenewegen PP, De Jong JD. No-claimteruggaaf in ziekenfondsverzekering. MC 59/2004: 981-4.
2. Goudriaan R, Bartelings H, Thio V, Snijders RWDJ. Evaluatie van de no-claimteruggaveregeling I. Kernrapport van de eerste fase. Den Haag: APE, 2006.
3. Verheij RA, Jabaaij L, Abrahamse H, Van den Hoogen H, Braspenning J, Van Althuis T. Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg. Feiten en cijfers over huisartsenzorg in Nederland. Utrecht: LINH, 2006.
4. Smidt EM, Malin EM. Beitragrückzahlung in der GKV: Überlegungen zu Effekten einer Erprobungsregelung und erste empirische Ergebnisse. In: Behrens J, Braun B, Morone J, Stone D, red. Gesundheitssystementwicklung in den USA und Deutschland. Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft, 1996.
5. Van der Schee E, Delnoij D. Door gebrekkige kennis over no-claim wellicht minder huisartsenbezoek. Utrecht: Nivel, 2005.
6. Van Dierendonck D, Sixma H, Groenewegen PP. De opgebrande huisarts. Burnout bij huisartsen: onderzoek Nivel samengevat. MC 47/1992: 331-6.
7. Schellevis F , Westert G. LINH-cijfers: onnodig gebruik van huisartsenzorg eerder af- dan toegenomen. Huisarts en Wetenschap: jaargang 47 (2004), nr 12, p. 549.
| Auteur: Judith D. de Jong, Robert A. Verheij en Peter P. |
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
| Datum | Titel | |
|---|---|---|
| Magnesium helpt niet na SAB | ||
| Rapport: ‘Te weinig chirurgen in Boxmeer’ | ||
| Kamerlid wil debat over MoM-heupen | ||
| ‘Doping heeft ten onrechte slechte naam’ | ||
| ‘Klaag ziekenhuis aan om MoM-kunstheup’ | ||
| Helft ziekenhuizen plaatste schadelijke kunstheup |


