Bij de eerste generatie niet-westerse moeders in Nederland sterft de helft meer baby's dan bij autochtone moeders. Bij Antillianen, Arubanen en Surinamers overlijden in verhouding de meeste kinderen.
Het geboortegewicht is bij deze kinderen vaak te laag en zij worden vaak te vroeg geboren. Dat blijkt uit maandag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Kort voor of na de geboorte gingen in 2004-2005 bijna twee keer zoveel kinderen van Antilliaanse, Arubaanse of Surinaamse afkomst dood dan van Nederlandse of Turkse ouders. Onder deze groep zijn veel doodgeboren kindjes. Ook in het eerste levensjaar blijft bij deze bevolkingsgroepen het sterftecijfer het hoogst.
Eerder maakten onderzoeken duidelijk dat Nederland nog steeds tot de landen behoort met de hoogste babysterfte in Europa. Een op de honderd baby's in Nederland sterft tijdens of direct na de geboorte. In de vier grote steden, en dan vooral in de achterstandswijken, is dat sterftecijfer hoger dan daarbuiten.
Voor PvdA-Kamerlid Khadija Arib zijn de cijfers aanleiding om minister Klink (Volksgezondheid) vandaag naar de Tweede Kamer te roepen tijdens het wekelijkse vragenuurtje. Eind dit jaar komt een groep deskundigen met voorstellen voor nieuwe maatregelen om babysterfte de kop in te drukken, maar volgens Arib hoeft de minister daar niet op te wachten.
In haar ogen is allang bekend dat voor allochtone vrouwen verloskundige zorg moeilijker toegankelijk is. Ze gaan later naar een verloskundige en door taalproblemen kan de bevalling minder goed verlopen. Arib stelt dat aan deze problemen nu al wat is te doen.
Sluit u aan bij onze LinkedIn-groep om te discussiëren met collega's en op de hoogte te blijven van de belangrijkste ontwikkelingen in de geneeskunde en de gezondheidszorg, nieuwe nascholingen, evenementen en lezersacties van Medisch Contact.