U bent nu hier:

Eén zwangerschapstest is niet genoeg

Publicatie Nr. 13 - 30 maart 2012
Jaargang 2012
Rubriek Selectie van de inspectie
Pagina's 781

Feiten
Patiënte bezocht haar huisarts omdat ze een keer de pil vergeten was, haar menstruatie uitbleef en zij vreesde voor een zwangerschap. De huisarts voerde een zwangerschapstest uit en de uitslag was negatief. Vervolgens stelde hij voor over te gaan op de prikpil als alternatief voor de orale pil. De prikpil is direct toegediend en vier weken later opnieuw. Eén week daarna kwam patiënte voor een uitstrijkje en vertelde dat zij last had van gezwollen borsten. De huisarts zei dat dit symptomen van de prikpil konden zijn. Weer een paar weken later bezocht patiënte een waarnemend huisarts in verband met een harde en pijnlijke buik. Die constateerde dat patiënte 19 tot 20 weken zwanger was. Patiënte is bevallen van een dochter.

Overwegingen tuchtcollege
De huisarts had er beter aan gedaan eerst bij de patiënt te informeren welke pil in de strip vergeten was en goed uit te vragen wanneer er seksuele contacten waren geweest, in plaats van direct de prikpil toe te dienen. Ook had hij patiënte na korte tijd moeten laten terugkomen voor een tweede zwangerschapstest. Dan was er meteen meer duidelijkheid geweest over de menstruatie c.q. de afwezigheid daarvan. Volgens de bijsluiter van de prikpil moet zeker zijn dat van zwangerschap geen sprake is, wanneer de prikpil wordt toegediend. Aan de arts wordt een waarschuwing opgelegd.

Relevantie volgens de inspectie
Een enkele negatieve zwangerschapstest sluit een zwangerschap niet uit. Dat weet iedere arts. Een prikpil mag je dus pas toedienen als je na de negatieve uitslag nog meer zekerheid hebt dat de vrouw niet zwanger is. Je zult haar informatie en instructies moeten verstrekken en terug moeten laten komen om het verdere beloop te kunnen beoordelen. Pas dan kun je zeker zijn dat er geen zwangerschap is, en kun je een prikpil toedienen. Het snelle handelen van de huisarts is onjuist geweest.

(Zaaknummer RTC Den Haag 2010-214)






Datum uitspraak: 22 november 2011

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende
beslissing gegeven inzake de klacht van:
A, wonende te B, klaagster,
tegen:
C, huisarts, wonende te B, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna te noemen de arts.


1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift, namens klaagster ingediend door mr. E. Reijnders, advocaat te Amsterdam, is ontvangen op 2 november 2010. Namens de arts heeft mr. S.J. Berkhoff- Muntinga, als jurist werkzaam bij de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht, op de klacht gereageerd, waarna partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 27 september 2011. Partijen zijn verschenen en hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. Klaagster werd bijgestaan door mr. M.A. de Jong Schouwenburg, advocaat te Amsterdam, die pleitnotities heeft overgelegd. De arts werd bijgestaan door mr. Berkhoff-Muntinga.

2. De feiten
Op 12 december 2006 heeft klaagster de arts bezocht omdat haar menstruatie uitbleef en zij vreesde voor een zwangerschap, aangezien zij een keer was vergeten de pil (Microgynon 30) in te nemen en seksueel contact had gehad met haar vriend. De uitslag van de door de arts tijdens dit consult uitgevoerde zwangerschapstest was negatief.

De arts heeft vervolgens klaagster voorgesteld over te gaan op de prikpil als alternatief voor de orale pil. De prikpil is toen direct toegediend.

Op 9 maart 2007 heeft klaagster de arts bezocht om opnieuw de prikpil toegediend te krijgen. Op 15 maart 2007 heeft klaagster de arts bezocht voor een uitstrijkje. Tijdens dit consult heeft klaagster kenbaar gemaakt last te hebben van gezwollen borsten, waarop de arts vertelde dat deze klachten symptomen van de prikpil konden zijn.

Op 7 april 2007 heeft klaagster de waarnemend huisarts bezocht in verband met een harde en pijnlijke buik. Deze huisarts constateerde dat klaagster 19 tot 20 weken zwanger was.

Daarna heeft klaagster op 10 april 2007 telefonisch met de arts over deze problematiek gesproken en op 24 april 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en de arts, waarna klaagster een andere huisarts heeft gezocht. Bij brief van 7 augustus 2007 heeft de arts gereageerd op het vertrek van klaagster uit haar praktijk en de zwangerschap.
Op 5 september 2007 is klaagster bevallen van een dochter.

3. De klacht
Klaagster verwijt de arts zakelijk weergegeven:
1. Het missen van de diagnose zwangerschap;
2. Het niet (laten) nagaan waarom de menstruatie uitbleef;
3. Het onmiddellijk toedienen van de prikpil;
4. Het maken van summiere aantekeningen in het dossier;
5. Het tekortschieten in de communicatie en de bejegening.

4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling
Het College is van oordeel dat de arts op 12 december 2006 te gemakkelijk heeft aangenomen dat klaagster niet in verwachting was. Onduidelijk is gebleven wat klaagster op die dag aan de arts heeft meegedeeld. De arts stelt weliswaar dat klaagster heeft gezegd in oktober een pil te zijn vergeten en rond die tijd seksueel contact te hebben gehad, maar klaagster heeft dit steeds weersproken. Het medisch dossier vermeldt alleen dat een pil is vergeten en dat klaagster na de strip niet ongesteld is geworden.

Partijen zijn het er wel over eens dat de arts klaagster een zwangerschapstest heeft laten doen en dat deze negatief was. De arts heeft daarop aangenomen dat van zwangerschap geen sprake was en direct een nieuwe vorm van anticonceptie toegediend. De arts had er naar het inzicht van het College beter aan gedaan eerst verdere informatie in te winnen over welke pil in de strip was vergeten en over seksuele contacten van klaagster, dus niet alleen over het contact in oktober, en had ook niet direct het andere middel moeten toedienen. De arts had klaagster moeten vragen binnen een betrekkelijk korte tijd opnieuw de praktijk te bezoeken om een tweede zwangerschapstest te doen.

Er was dan ook meer duidelijkheid geweest over de menstruatie c.q. de afwezigheid daarvan. Indien dan gebleken was dat klaagster in verwachting was, had met haar kunnen worden overlegd hoe daarop gereageerd zou moeten worden. In het andere geval had nader onderzoek kunnen worden gedaan naar de reden van het uitblijven van de menstruatie en naar een meer geschikte manier om te voorkomen dat klaagster in verwachting zou raken. Het College tekent hierbij aan dat volgens de bijsluiter van de prikpil zeker moet zijn dat van zwangerschap geen sprake is, wanneer de prikpil wordt toegediend. Het tweede en derde onderdeel van de klacht is daarom gegrond.

Het eerste onderdeel is dat in zoverre, dat de arts te snel heeft geconcludeerd dat klaagster niet in verwachting was.

De aantekeningen in het medisch dossier van klaagster van 12 december 2006 zijn summier maar kunnen nog wel aanvaard worden. Anders oordeelt het College over de aantekeningen van het consult op 15 maart 2007. Onweersproken is gebleven dat klaagster toen heeft aangegeven dat zij last had van gezwollen borsten. Dit gegeven had door de arts moeten worden vastgelegd.

Het laatste onderdeel van de klacht betreft de bejegening van klaagster door de arts. Klaagster en de arts geven op dit punt een verschillende lezing van de gang van zaken.

Het College beschikt niet over aanwijzingen op grond waarvan het de ene lezing wel en de andere niet voor juist zou moeten houden. Dit heeft tot gevolg dat het niet als vaststaand kan aannemen dat de arts op dit punt een verwijt moet worden gemaakt.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De na te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het verwijt dat de arts gemaakt moet worden.

6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
legt de arts de maatregel van een waarschuwing op.
Deze beslissing is gegeven door: mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. M.E. Honée, lid, jurist,
P.R.H. Vermeulen, prof.dr. J.H. van Bockel en F.G.A.J. Hakvoort-Cammel, leden-artsen,
bijgestaan door mr. I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris en uitgesproken ter
openbare terechtzitting van 22 november 2011.

PDF van deze uitspraak

Meer tuchtzaken

Hieronder ziet u de reacties op dit bericht. Plaats ook uw reactie! Ziet u geen reactieformulier? (2)

"Deze casus staat of valt met exacte data: welke pil is op welke datum vergeten? Op 5 september is mevrouw bevallen, bij een normale zwangerschapsduur zou de bevruchting begin december hebben plaats gevonden, mogelijk in de week voordat ze bij de huisarts kwam. Inderdaad is op dat moment de zwangerschapstest niet 100% betrouwbaar, een afwachtend beleid bij het eerste consult was aan te raden geweest, dus de tuchtraad heeft het gelijk aan zijn kant."

F.G.M. Ploegmakers, gepensioneerd huisarts, DORDRECHT - 30-03-2012 17:41

""Een prikpil mag je dus pas toedienen als je na de negatieve uitslag nog meer zekerheid hebt dat de vrouw niet zwanger is. Je zult haar informatie en instructies moeten verstrekken en terug moeten laten komen om het verdere beloop te kunnen beoordelen. Pas dan kun je zeker zijn dat er geen zwangerschap is, en kun je een prikpil toedienen. Het snelle handelen van de huisarts is onjuist geweest."

Met belangstelling gelezen en grotendeels begrepen. Los van deze zaak, Is het nu hierbij algemeen noodzakelijk met enkele weken tussenruimte zwangerschapstesten uit te voeren en daarbij dan ook sexueel contact te verbieden, alvorens de prikpil toe te dienen of een Mirena te plaatsen? Want ik doe het echt maar eenmaal. De categorische uitspraak in bovenstaand citaat doet echter anders vermoeden, maar ik heb hiermee wat moeite.

Ten eerste: hoeveel tijd zou ertussen moeten zitten?
Ten tweede: hoe weet ik zeker dat er intussen, tussen eerste en tweede test, geen conceptie heeft plaatsgevonden. Dan zou ik een oneindige reeks testen moeten doen zonder ooit zeker te zijn.

Zou, dus, in dit specifieke geval, een tweede test wel zekerheid hebben geboden?

Wellicht ten overvloede: ik val het oordeel over de handelswijze niet aan, maar ik zet mijn vraagtekens bij die tweede test."

Bart Bruijn, Huisarts, Streefkerk - 29-03-2012 11:29

NASCHOLING

Alcoholgebruik van de patiënt

Met casus en rondetafelgesprek.
Volg de nascholing »»

De Kwestie

E-mailen zonder beveiligde verbinding
Een huisarts wordt dringend door een medewerker van een ggz-instelling verzocht de brief over haar patiënt per mail toe te sturen. Als dit niet via een veilige verbinding kan, faxt zij het echter liever. Is zij nu gek, vraagt ze zich af, of hij?

Lees meer en reageer

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd