U bent nu hier:

Olympische dokters

Meer dan negentig Nederlandse artsen en geneeskundestudenten hebben sinds 1900 deelgenomen aan de Olympische Spelen. Lees Meer

Nieuwste column

    Meevoelend

    Meevoelend  |  Het verpleeghuis betekent niet altijd kommer en kwel, maar de coassistent die deze week meeloopt hoort mij wel erg vaak zeggen: ‘zielig hè’ of ‘triest eigenlijk’ of ‘beetje hopeloos dit’ en aan het eind van de dag is ze zo overvoerd met ellende dat ze zich hardop afvraagt hoe ik het volhoud. »»
    Reacties: 1 reactie


Tuchtzaak

    Het gevaar van het eigen gelijk

     |  Dit item is beschikbaar als u bent ingelogd.
    Inloggen
     | Een uroloog wantrouwt de uitslag van pathologisch onderzoek bij een prostaatkankerpatiënt. Hij vraagt geen revisie aan, maar houdt vast aan zijn eigen diagnose. Waardoor de dood als een volslagen verrassing komt voor de patiënt en zijn vrouw.    


Webshop

                                               

Ga naar de shop »»

Behandelrelatie opzeggen

Een huisarts behandelt een echtpaar van ruim in de zeventig. Mevrouw bezoekt in 1997 de internist zonder verwijzing en in 2000 nog een keer. Na de derde keer, in 2005, grijpt de huisarts de telefoon en zegt de behandelrelatie met het stel op. Hij krijgt een waarschuwing. De door de KNMG-richtlijn vereiste zwaarwegende motieven voor het opzeggen va de behandelrelatie wil het college niet beoordelen. Maar de arts had meer moeten waarschuwen en moeten laten weten dat hij hun arts zou blijven tot ze een nieuwe hadden gevonden. Hij had de relatie met meneer in stand kunnen laten en het gesprek niet telefonisch mogen afdoen.

Laatst gewijzigd: 19 februari 2009
Zaak CTG 2007/318
Specialisme Huisarts
Uitspraak 1e aanleg waarschuwing, 2e aanleg verwerping principaal en incidenteel beroep
Klager Patiënten
Feiten De KNMG richtlijn betreffende het eenzijdig opzeggen van de behandelingsovereenkomst door de rechter bevestigd.
Leermoment De KNMG richtlijn betreffende het eenzijdig opzeggen van de behandelingsovereenkomst is door het college overgenomen. In dit geval heeft de huisarts niet voldaan aan de bij opzegging in acht te nemen zorgvuldigheidseisen. Hij heeft geen enkele keer gewaarschuwd voor het opzeggen van de behandelingsovereenkomst en heeft dit per telefoon gedaan, hetgeen af te raden is. Ook heeft hij niet uit zichzelf aangegeven dat hij huisartsenzorg zou verlenen tot klagers een andere huisarts hadden gevonden.

Klik hier voor de pdf


Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer 2007/318 van:

A. en B., wonende te C., appellanten, klagers in eerste aanleg, verweerders in het incidenteel beroep, tegen D., huisarts, werkzaam te C., verweerder in beide instanties, incidenteel appellant, gemachtigde: mr. M.G.F. de Graaff- Bosch als jurist verbonden aan ARAG-rechtsbijstand te Leusden.


1. Verloop van de procedure

A. en B. - hierna te noemen klagers dan wel klager of klaagster - heeft bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen D. - hierna te noemen de huisarts - een klacht ingediend, ingekomen op 31 maart 2006. Bij beslissing van 23 augustus 2007, onder nummer 046/2006 heeft dat College de huisarts een waarschuwing opgelegd. Klagers zijn is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in principaal beroep tevens incidenteel beroepschrift ingediend.

Klagers hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in het incidenteel beroep in te dienen. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 24 juni 2008, waar zijn verschenen de huisarts, bijgestaan door mr.drs. M.C. Hoogendam, kantoorgenoot van de ge- machtigde van de huisarts. Klager is na telefonisch bericht van verhindering niet verschenen. Klaagster is, hoewel behoorlijk uitgenodigd, evenmin verschenen.

Mr. Hoogendam heeft een pleitnota overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2.DE FEITEN
Op grond van de stukken, waarvan in het bijzonder het huisartsenjournaal met bijbehorende correspondentie, en hetgeen besproken is op de zitting van het College dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan. De klacht betreft de behandeling van klager en de behandeling van klaagster door verweerder. De feiten met betrekking tot klager: Klager, geboren in 1925, bezocht het spreekuur van verweerder op 11 mei 1999 vanwege darmkrampen en frequente dunne ontlasting met slijm, geen bloed. Klager was de dag ervoor uit eten geweest, hetgeen als oorzaak werd gezien. Verweerder schreef Loperamide voor.

Op 20 mei 1999 had klager nog steeds veel last van buikkrampen; verweerder schreef Domperidon voor.

Op 27 april 2000 bezoekt klager het spreekuur van verweerder in verband met een veranderd defaecatiepatroon sinds een jaar. Obstipatie afgewisseld met perioden van breiige ontlasting met soms slijm, geen bloed, en sinds een week krampen in de onderbuik. Verweerder vindt bij lichamelijk onderzoek geen bijzonderheden aan de buik en bij rectaal toucher een symmetrisch vergrote prostaat maar verder geen bijzonderheden. Bij colononderzoek op 28 mei 2000 werd een klokhuisachtig fenomeen over een afstand van een cm of 3 gezien. Er was een lange gesteelde poliep halverwege het colon descendens. Er waren geen aanwijzingen voor een maligniteit. Er werd een afspraak voor klager gemaakt bij de chirurg E., verbonden aan de F.-ziekenhuizen locatie G. te C., verder het ziekenhuis, voor
30 mei 2000 maar deze werd door klager afgezegd vanwege voorkeur voor de chirurg H., die echter 2 weken met vakantie was. Op 19 juni 2000 werd klager in het ziekenhuis opgenomen met tekenen van een subileus c.q. ileus. Omdat er toch nog enige passage was werd getracht met laxeermiddelen het colon te reinigen. Toen dit niet lukte en klager een toenemende ileus kreeg werd hij op 23 juni 2000 geopereerd door de chirurg H.. Deze vindt een stenoserende diverticulitis welke gefixeerd was aan de blaas. Er werd een Hartmannprocedure uitgevoerd. De PA was goedaardig. Op 11 juli 2000 bezoekt verweerder klager thuis. Op 27 september 2000 werd een aantal poliepen bij de anus praeternaturalis (AP) verwijderd. Op 20 februari 2001 werd de AP opgeheven en op 31 juli 2002 werd klager geopereerd vanwege een littekenbreuk onder het litteken van de eerdere AP en een navelbreuk. Op 6 en 13 maart 2001 legt verweerder visites af vanwege een epidydimitis. Op 12 maart 2003 werd klager geopereerd vanwege een recidief littekenbreuk ter plaatse van de oude AP. Nu werd op de fascie een netje ingehecht. Op 17 november 2004 adviseerde de chirurg I. klager bij klachten een buikwandondersteuning aan te schaffen in de vorm van een soort corset. Het postoperatieve beloop was bij al die ingrepen voorspoedig.

De feiten met betrekking tot klaagster: Klaagster is geboren in 1931. Zij heeft een lengte van 1.68 m. In 2000 noteert verweerder dat klaagster een gewicht heeft van 89 kg, dat er sprake is van overgewicht en dat klaagster ook voor de longen af moet vallen. Klaagster is bekend met osteoporose waarvoor zij onder behandeling is van de orthopeed J. in het ziekenhuis. In november 2000 bezoekt klaagster de orthopeed J. in het ziekenhuis zonder verwijzing van verweerder. Verweerder belt haar daarover op. Hij noteert: “() In 1997 daar al over gesproken. Gooit halverwege een zin de hoorn op de haak.” In 2001 en 2002 bezoekt klaagster verweerder herhaaldelijk vanwege vaginale jeuk. Die blijkt te berusten op een candida infectie.

Op 7 maart 2003 bezoekt klaagster het spreekuur van verweerder. Hij noteert dat er geen verbetering is. Er zijn klachten van stress en urge incontinentie. Bij onderzoek van de introïtus vindt verweerder behalve een wat schrale vervellende huid met name op het perineum geen duidelijke afwijkingen. Hij schrijft Daktakort voor. Verder uit klaagster de klacht van enorme haaruitval. Verweerder noteert dat klaagster een dunne haarimplant heeft en legt uit dat er geen medicijnen zijn tegen haaruitval. Een haarstukje kan volgens verweerder eventueel een oplossing zijn. Verder noteert verweerder dat er bij klaagster sprake is van mycose van de nagel van de grote teen waarvoor verweerder haar naar de pedicure verwijst. Op 25 april 2003 schrijft verweerder klaagster vanwege ‘jeuk in kruis’ nystatine vaginaalcreme voor.

Inmiddels is klaagster op 11 april 2003 door de orthopeed J. doorverwezen naar de dermatoloog vanwege de haaruitval. Op 13 mei 2003 vindt dat consult plaats bij de dermatoloog K. in het ziekenhuis. Deze vindt onder meer een bloedsuiker van 23.1 mMol/l. en zijn conclusie is dat er sprake is van diabetes mellitus welke mogelijk de oorzaak is van haar haaruitval. Klaagster is voor haar diabetes onder behandeling gekomen bij de praktijkondersteuner van verweerder. Klaagster is regelmatig gecontroleerd en verwezen naar een diëtiste, podotherapeut, oogarts, neuroloog en de internist L.. L. heeft klaagster op 6 mei 2004 voor verdere controles terugverwezen naar verweerder. Klaagster is in april 2005 op eigen initiatief naar de internist M. gegaan in het N.- ziekenhuis. Verweerder belt op 19 april 2005 naar klagers. Hij spreekt met klager en deelt hem mee dat hij, omdat zij in 1997, 2000 en nu weer, zonder verwijzing naar een specialist zijn gegaan, zoals hij al in 2000 heeft gezegd, op die manier niet de huisartsengeneeskunde wil uitoefenen. Verweerder zegt daarmee de behandelingsovereenkomst met klagers op. Hij noemt klagers 3 namen van huisartsen om zich aan te melden als patiënt.


3.DE KLACHT
Klagers verwijten verweerder -zakelijk weergegeven- een onzorgvuldige behandeling wegens de darmklachten van klager in 2000, een onzorgvuldige behandeling van klaagster wegens de haaruitval en de diabetes, een onheuse bejegening en tenslotte het opzeggen van de behandelingsovereenkomst.


4. HET VERWEER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hem ten aanzien van de behandeling van klagers en ook overigens geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.


5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1
Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2
Klager bezocht verweerder op 11 mei 1999 in verband met darmklachten. Verweerder heeft anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek gedaan (waarbij hij geen bijzon- derheden vond) en faeces laten onderzoeken, welk onderzoek evenmin bijzonderheden opleverde. Verweerder schreef klager Loperamide voor. Negen dagen later vond een telefonisch consult plaats. Verweerder noteert dan dat klager nog steeds veel last heeft van darmkrampen en schrijft Domperidon voor. Klager consulteert verweerder daarna pas weer in verband met darmklachten op 27 april 2000. Verweerder noteert dan: “ afgelopen jaar een veranderd defaecatiepatroon: obstipatie afgewisseld met perioden van brijige ontlasting met soms slijm, geen bloed. Afgelopen week krampen in de onderbuik.”. Bij lichamelijk onderzoek vindt verweerder, behalve een symmetrisch vergrote prostaat, geen bijzonderheden. Bij coloscopie waarvan verweerder de uitslag op 28 mei 2000 krijgt wordt halverwege het sigmoïd een klokhuisachtig fenomeen gezien over een afstand van een centimeter of drie en een lange gesteelde poliep halverwege het colon descendens. Klager wordt dan verwezen naar de chirurg waar hij op 30 mei 2000 terecht kan. Het College is van oordeel dat verweerder naar aanleiding van de klachten in 1999 en naar aanleiding van de klachten in 2000 adequaat heeft gehandeld. De klacht betreffende de behandeling van klager slaagt dan ook niet.

5.3
Klaagster is een oudere dame die bekend is met obesitas/ adipositas. Zij consulteert verweerder een lange periode (van januari 2001 tot maart 2003) in verband met vaginale jeuk. Het College is van oordeel dat verweerder gelet op deze feiten bedacht had moeten zijn op de mogelijkheid van diabetes. Verweerder heeft dat ter zitting ook uitdrukkelijk erkend.

5.4
Tijdens het consult van 7 maart 2003 komt er een aantal klachten aan de orde. Eén van die klachten is de haaruitval. Bekend is dat haaruitval een signaal kan zijn van een onderliggend lijden. Het College is van oordeel dat verweerder dit signaal heeft miskend. Verder had, in samenhang met klaagsters obesitas/adipositas en de langdurige schimmelinfecties de klacht over haaruitval bij verweerder zeker een belletje moeten laten rinkelen In die zin is de klacht betreffende de behandeling van klaagster gegrond.

5.5
Verweerder belt op 19 april 2005 naar klagers. Hij spreekt met klager en deelt hem mee dat hij, omdat zij in 1997, 2000 en nu weer, zonder verwijzing naar een specialist zijn gegaan, zoals hij al in 2000 heeft gezegd, op die manier niet de huisartsen- geneeskunde wil uitoefenen en zegt de behandelingsovereenkomst met klagers op.

Verweerder verklaarde ter zitting dat hij tijdens het telefoongesprek in 2000 wel heeft gezegd dat hij de huisartsengeneeskunst zo niet wil uitoefenen maar niet heeft gewaarschuwd voor het opzeggen van de behandelingsovereenkomst. Voorts verklaarde verweerder dat hij moeite had met het klachtenpatroon van klaagster, dat door hem en door de praktijkondersteuner buitengewoon veel tijd en aandacht aan de zorg voor klaagster was besteed maar dat klaagster dingen niet oppakte en dingen niet begreep. De arts-patiëntrelatie met klager was, zo verklaarde verweerder, beter.

In de praktijk was volgens verweerder veel gesproken over de vraag hoe met klaagster om te gaan. Het feit dat klaagster nu weer op eigen initiatief een specialist consulteerde was in feite de druppel die de emmer deed overlopen. Verweerder verklaarde desgevraagd verder dat klager door zijn telefonische mededeling onthutst was en hem een paar dagen later een brief heeft geschreven met de vraag of verweerder wel hun huisarts bleef totdat zij een andere huisarts hadden gevonden. Verweerder heeft dat bij brief aan klager bevestigd.

5.6
Krachtens artikel 7:460 BW kan de hulpverlener behoudens gewichtige redenen de behandelingsovereenkomst niet opzeggen. In augustus 2005 heeft de KNMG een richtlijn “Niet-aangaan of beëindigen geneeskundige behandelingsovereenkomst.” gepubliceerd. Deze richtlijn is mede gebaseerd op de tot dan toe gepubliceerde jurisprudentie. In deze richtlijn wordt een aantal van die gewichtige redenen beschreven en wordt aangegeven welke zorgvuldigheidseisen in acht dienen te worden genomen indien tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst wordt overgegaan.
Zo dient de arts herhaaldelijk aan te dringen op verandering én te waarschuwen dat als het gedrag niet verandert de behandelingsovereenkomst wordt beëindigd en dient hij de noodzakelijke medische hulp voort te zetten.

5.7
Daargelaten het antwoord op de vraag of in casu sprake was van een gewichtige reden om de behandelingsovereenkomst op te zeggen, is het College van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de bij opzegging in acht te nemen zorgvuldig- heidseisen. Zo heeft verweerder bij klaagster en/of klager in 8 jaar tijd weliswaar 3 maal aangegeven dat hij niet wilde dat zij naar specialisten gingen zonder verwijzingen van hem, maar daarbij heeft hij hen geen enkele keer gewaarschuwd voor het opzeggen van de behandelingsovereenkomst. Het voeren van dergelijke gesprekken per telefoon is bovendien af te raden. Daar komt nog bij dat verweerder niet heeft aangegeven dat hij huisartsenzorg zou verlenen totdat klagers een andere huisarts hadden gevonden. Verweerder deed dat pas nadat klager hem dat per brief had gevraagd. Het College wijst er verder op dat een huisarts weliswaar optreedt in een gezinssituatie maar dat de behandelingsovereenkomst een overeenkomst is tussen de arts en een individuele patiënt. Het College acht het dan ook onjuist dat verweerder geen onderscheid heeft gemaakt in het opzeggen van de behande- lingsovereenkomst met klaagster en die met klager.

5.8
De conclusie van het College is dat de klacht in de hierboven weergegeven zin gegrond is. Verweerder heeft aldus gehandeld in strijd met de zorg die hij als huisarts ten opzichte van klagers behoorde te betrachten. Gelet op het feit dat verweerder ter zitting inzicht heeft getoond in zijn handelen en het feit dat verweerder niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is geweest, is het College van oordeel dat de maatregel van waarschuwing passend is.



3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het CTG uit van de feiten zoals deze door het RTG zijn vastgesteld en hiervoor onder 2. “de feiten” zijn weergegeven.


4. Procedure in hoger beroep

4.1 Klagers zijn in principaal beroep gekomen tegen de ongegrondverklaring van hun klacht over de vermeende onzorgvuldige behandeling wegens darmklachten van klager in 2000 en hebben dit klachtonderdeel in hoger beroep nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe dat het klachtonderdeel gegrond wordt verklaard. De huisarts heeft in het principaal beroep gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie dit beroep te verwerpen.

4.2 In incidenteel beroep is de huisarts opgekomen tegen de overweging van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.3 inhoudende dat klaagster bij de huisarts bekend was met klachten van vaginale jeuk gedurende de periode januari 2001 tot maart 2003. Volgens de huisarts heeft klaagster slechts gedurende vier maanden met deze klachten gelopen en niet twee jaar. Het beroep strekt ertoe dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege op dit punt wordt gerectificeerd. Klagers hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren op het incidenteel beroep.

Beoordeling van het principaal beroep en incidenteel beroep.

4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Datgene wat de huisarts heeft aangevoerd en is weergegeven onder 4.2, maakt de beoordeling van de zaak alsmede de beslissing niet anders. Dit leidt tot de conclusie dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand kan blijven en dat zowel het principaal beroep van klagers als het incidenteel beroep van de huisarts moeten worden verworpen.


5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

In het principaal beroep:

verwerpt het beroep;

In het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter,
mrs. R.A. Torrenga en P.J. Wurzer, leden-juristen en B.P.M. Schweitzer en P.J. Schimmel, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 september 2008, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.

Auteur: KNMG

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd