Olympische dokters
Meer dan negentig Nederlandse artsen en geneeskundestudenten hebben sinds 1900 deelgenomen aan de Olympische Spelen. Lees Meer
Nieuwste column
Meevoelend
23-05-2012 |
Het verpleeghuis betekent niet altijd kommer en kwel, maar de coassistent die deze week meeloopt hoort mij wel erg vaak zeggen: ‘zielig hè’ of ‘triest eigenlijk’ of ‘beetje hopeloos dit’ en aan het eind van de dag is ze zo overvoerd met ellende dat ze zich hardop afvraagt hoe ik het volhoud. »»
Reacties: 1 reactie
Tuchtzaak
Het gevaar van het eigen gelijk
22-05-2012 |
Dit item is beschikbaar als u bent ingelogd.
Inloggen
| Een uroloog wantrouwt de uitslag van pathologisch onderzoek bij een prostaatkankerpatiënt. Hij vraagt geen revisie aan, maar houdt vast aan zijn eigen diagnose. Waardoor de dood als een volslagen verrassing komt voor de patiënt en zijn vrouw.
Patiënt informeren
Een KNO-arts verwijdert een neusadenocarcinoom fase 2. Hij schrijft aan de huisarts van de patiënt dat hij de man terugverwijst naar zijn internist in een nabijgelegen ziekenhuis en de casus zal inbrengen in de hoofd-halsbespreking. Ook maakt de KNO-arts een spreekuurafspraak met de patiënt voor over twee maanden. Hij verzuimt de patiënt op de hoogte te stellen over de overdracht en de noodzakelijke nabehandeling. Ook draagt hij het hoofdbehandelaarschap niet duidelijk over aan zijn collega. Het college verklaart de klacht over de communicatie gegrond, maar legt geen maatregel op, omdat de behandeling medisch gezien adequaat is verlopen.
| Zaaknummer: | RTC Groningen G2007/70 |
| Specialisme: | KNO-arts |
| Uitspraak: | Klacht gegrond, geen maatregel |
| Klager: | Patiënt |
| Feiten: | Zie uitspraak, onder 2. |
| Leermoment: | Verweerder had klager, maar ook de betrokken collega-artsen, duidelijk moeten maken wie de regie over het verdere verloop van de behandeling had en dit met klager en zijn collega’s moeten communiceren. Vooral in een situatie als onderhavige, waarin sprake was van twee ziekenhuizen en verschillende artsen, is communicatie met de patiënt, maar ook met collega-artsen essentieel. Voor zowel de patiënt als betrokken artsen moet duidelijk zijn wie de regie heeft over verdere behandeling. |
Klik hier voor de pdf-versie van de uitspraak
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN
Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 21 september 2007 binnengekomen klacht van: DE HEER A., wonende te B.; klager; tegen DE HEER DRS. C., als kno-arts verbonden aan Ziekenhuis D. te E.; wonende te F.; verweerder; BIG reg. nr: .
1. Verloop van de procedure
Het College heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift d.d. 14 september 2007 met bijlagen, ingekomen bij het secretariaat van het College op 21 september 2007;
- het verweerschrift d.d. 9 november 2007 met bijlagen, ingekomen bij het secretariaat van het College op 14 november 2007;
- de repliek d.d. 9 december 2007 zijdens klager;
- de dupliek d.d. 10 januari 2008 zijdens verweerder;
- een brief d.d. 2 juni 2008 met bijlagen van verweerder.
Na ontvangst van de klacht heeft de voorzitter van het College, gelet op het bepaalde in artikel 66 van de wet BIG, een vooronderzoek gelast. In het kader van dit vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Daarvan is door partijen geen gebruik gemaakt. De klacht is behandeld ter zitting van het College, te Groningen gehouden op 23 september 2008. Partijen zijn behoorlijk opgeroepen en verschenen. Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten, die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan. Klager heeft verweerder op 10 oktober 2005 bezocht op het spreekuur in G. in verband met neusobstructieklachten rechts. Verweerder heeft tijdens dit bezoek biopten uit de neus genomen en een CT-scan van het gebied afgesproken. Het röntgenonderzoek heeft op 17 oktober 2005 plaatsgevonden in E.. Op 20 oktober 2005 heeft verweerder de uitslag van de CT-scan en het weefselonderzoek in E. met klager besproken. Het weefselonderzoek liet geen diagnose toe. Afgesproken werd opnieuw biopten te nemen onder algehele narcose. Deze ingreep heeft op 15 november 2005 plaatsgevonden in G.. Op 23 november 2005 heeft verweerder klager medegedeeld dat de uitslag van het weefselonderzoek niet goed was. De diagnose adenocarcinoom graad 2 werd gesteld.
In zijn brief aan de huisarts van klager heeft verweerder aangegeven dat hij klager heeft terugverwezen naar dokter H., de internist waar klager al bekend was, en dat hij klager zal inbrengen in de hoofd-halsbespreking ter advisering. Ook heeft hij een afspraak met klager gemaakt voor een spreekuurbezoek bij verweerder in G. op 23 januari 2006. Klager heeft daarna bericht ontvangen dat hij op 1 december 2005 naar een voor hem onbekende internistoncoloog, dokter I., moest. De uitslagen van de in opdracht van deze specialist uitgevoerde onderzoeken aan de blaas, longen en lever waren goed.
Tijdens een gesprek over een klacht met de ombudsfunctionaris en dokter J., een collega-kno-arts van verweerder, op 13 december 2005, heeft deze collega klager verteld dat hij nabehandeld moest worden.
Klager heeft daarop op 14 december 2005 getracht telefonisch contact op te nemen met verweerder. Hij werd later teruggebeld door dokter K., kno-arts/oncoloog en lid van het hoofd-halsteam. Deze heeft klager gevraagd zelf de foto’s uit E. te halen en een afspraak gemaakt voor een MRI-scan op 16 december 2005. Verweerder is op 27 december 2005 wederom geopereerd omdat uit de MRI-scan was gebleken dat er nog weefsel aanwezig was waarvan niet duidelijk was of dit kwaadaardig was. Bij deze operatie werd geen tumorweefsel meer aangetroffen.
3. De klacht
De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Verweerder had op 9 november 2005 al kunnen weten dat sprake was van een kwaadaardige tumor. Hij heeft toen in een brief aan de huisarts geschreven dat uit onderzoek was gebleken dat sprake was van een zeer grote poliep in de rechterkant van de neus met een röntgenologisch ongebruikelijke groei voor een goedaardige tumor. Klager begrijpt niet dat verweerder hem niet direct heeft overgedragen aan dokter K..
Verweerder is nalatig geweest doordat hij klager de nodige informatie heeft onthouden. De communicatie met verweerder is slecht verlopen. Klager wist niet dat hij naar een voor hem onbekende internist/oncoloog moest voor onderzoek. Ook heeft klager van een andere arts te horen gekregen dat hij nabehandeld moest worden. Verweerder had klager hierover niets verteld. Door verweerder heeft de behandeling van klager vertraging opgelopen. Doordat klager steeds zelf initiatief heeft genomen is de behandeling en nabehandeling eerder gestart. In E. had klager drie maanden moeten wachten op de operatie om onder algehele narcose biopten te laten nemen.
Alleen doordat klager zelf het initiatief heeft genomen, heeft deze operatie eerder kunnen plaatsvinden in G.. Voorts heeft verweerder klager te laat doorgestuurd naar het hoofd-halsteam. Als klager niet zelf op 14 december 2005 telefonisch contact had opgenomen om verweerder te spreken, was hij niet overgedragen en vervolgens ook niet op 27 december 2005 voor de tweede keer geopereerd.
Klager heeft verweerder voorafgaand aan deze ingreep gesproken en gevraagd of deze tweede operatie niet voorkomen had kunnen worden. Verweerder heeft hierop geantwoord: “Als je alles van tevoren weet zou je alles anders doen”. Klager vond dit antwoord vaag.
4. Het verweer
Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Bij het eerste spreekuurbezoek op 10 oktober 2005 had verweerder al een “niet pluis gevoel”. Daarom heeft hij tijdens dit bezoek biopten uit de neus genomen en een CT-scan van het gebied afgesproken in het ziekenhuis in E. om de vaart bij de diagnostiek erin te houden. Toen het weefselonderzoek geen diagnose toeliet bleek de eerste gelegenheid om onder algehele narcose opnieuw biopten te nemen in het ziekenhuis in G. te zijn.
Verweerder heeft de beslissing genomen te switchen naar G..
Tijdens deze ingreep heeft verweerder royaal weefsel weggenomen voor onderzoek, maar ook macroscopisch gezien de bulk verwijderd.
De uitslag werd op 23 november 2005 met klager en zijn echtgenote besproken. Dat klager beduusd was, is begrijpelijk en verklaart wellicht dat hij zich de ernst van de situatie onvoldoende heeft gerealiseerd. Verweerder heeft dit aspect niet voldoende ingeschat. Op deze dag vond overdracht aan het hoofd-halsteam plaats om het verdere beleid te bepalen en met een behandelingsvoorstel te komen. Tevens heeft verweerder contact opgenomen met internist H. voor beantwoording van de voor de behandeling cruciale vraag of het een uitzaaiing van een buikproces kon zijn dan wel primair een proces uitgaande van de neus.
Verweerder heeft niets meer vernomen van klager tot 27 december 2005, toen hij klager zag rond de ingreep door dokter K.. Hij was daarvan niet op de hoogte. Hij heeft, toen klager zich beklaagde dat hij opnieuw onder het mes moest, verzucht: “Als je alles van tevoren zou weten”, hierbij doelend op de onduidelijke uitslag van het weefselonderzoek van 20 oktober 2005.
Als deze direct had geresulteerd in de diagnose adenocarcinoom, dan had verweerder klager al op 20 oktober 2005 aan dokter K. kunnen aanbieden en had de ingreep van 27 december 2005 op 15 november 2005 kunnen geschieden.
Verweerder is van oordeel dat hij klager tijdig, correct en medisch verantwoord heeft behandeld.
5. Beoordeling van de klacht
Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het College als volgt.
De diagnostiek naar de oorzaak van de neuspoliep is naar het oordeel van het College voortvarend verlopen. Het onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en getuigt van een vermoeden op het bestaan van ernstige pathologie en van het besef dat er geen onnodige tijd verloren mag gaan.
Het klachtonderdeel dat verweerder klager in de diagnostische fase eerder had moeten doorverwijzen naar dokter K. acht het College dan ook ongegrond.
Het College is echter ook van oordeel dat verweerder als behandelend specialist, nadat de diagnose adenocarcinoom was gesteld, is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak ten opzichte van klager over het verdere traject en tevens in de regie ten opzichte van de betrokken collega-artsen.
In zijn brief aan de huisarts na de diagnose geeft verweerder aan dat hij het endoscopisch beeld van de neus in de tijd zal volgen en dat controle zal plaatsvinden na de feestdagen. Ook geeft hij aan dat hij klager in de hoofd-hals-bespreking zal brengen ter advisering. Hieruit kan niet duidelijk worden opgemaakt dat klager als patiënt wordt overgedragen aan dokter K. voor verdere behandeling, zodat verweerder formeel nog steeds als de hoofdbehandelaar gezien kan worden. Klager heeft dit ook zo begrepen.
Indien dit nadien door een bespreking in het hoofd-halsteam gewijzigd is, had
dit klager kenbaar moeten worden gemaakt. Het College maakt uit de opmerking van dokter J. op 13 december 2005 op dat de situatie van klager toen besproken was in het hoofd-halsteam.
Verweerder had klager, maar ook de betrokken collega-artsen, duidelijk moeten maken wie de regie over het verdere verloop van de behandeling had en dit goed met klager en zijn collega’s moeten communiceren. Vooral in een situatie als de onderhavige, waarin sprake was van twee ziekenhuizen en verschillende artsen, is communicatie met de patiënt, maar ook met de collega-artsen, essentieel.
Voor zowel patiënt als betrokken artsen moet duidelijk zijn wie de regie heeft over de verdere behandeling.
Het College acht het klachtonderdeel dat de communicatie slecht is verlopen gegrond.
Het is voor het College niet vast te stellen of het initiatief tot een snellere operatie in G. is uitgegaan van klager dan wel verweerder. Wel stelt het College vast dat de onzorgvuldige communicatie uiteindelijk niet heeft geleid tot delay. Dit klachtonderdeel acht het College dan ook ongegrond.
Het College is van oordeel, dat nu medisch gezien de behandeling uiteindelijk adequaat en zorgvuldig is verlopen, kan worden volstaan met gegrondverklaring van het klachtonderdeel ten aanzien van de communicatie. Het College ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding verweerder een maatregel op te leggen.
6. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen: Verklaart de klacht gegrond ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op de communicatie; Legt verweerder geen maatregel op; Verklaart de klacht voor het overige ongegrond en wijst deze af.
Aldus gegeven door:
mw. mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
E.M. ter Braak, lid-geneeskundige,
H. Rumpt, lid-geneeskundige,
R. van der Eijk, lid-geneeskundige,
mr. A.H.M. Dölle, lid-jurist,
bijgestaan door mw. mr. H.T.J. van de Meerendonk, secretaris.
en uitgesproken op 18 november 2008 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
Profielen Dick Swaab, Henk Barendregt & Frans de Waal
08-02-2011 |
Nooit eerder was er, ook bij het grote publiek, zo veel belangstelling voor de werking van de hersenen. »»
Reacties: Plaats een reactie
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie

















