U bent nu hier:

Olympische dokters

Meer dan negentig Nederlandse artsen en geneeskundestudenten hebben sinds 1900 deelgenomen aan de Olympische Spelen. Lees Meer

Nieuwste column

    Meevoelend

    Meevoelend  |  Het verpleeghuis betekent niet altijd kommer en kwel, maar de coassistent die deze week meeloopt hoort mij wel erg vaak zeggen: ‘zielig hè’ of ‘triest eigenlijk’ of ‘beetje hopeloos dit’ en aan het eind van de dag is ze zo overvoerd met ellende dat ze zich hardop afvraagt hoe ik het volhoud. »»
    Reacties: 1 reactie


Tuchtzaak

    Het gevaar van het eigen gelijk

     |  Dit item is beschikbaar als u bent ingelogd.
    Inloggen
     | Een uroloog wantrouwt de uitslag van pathologisch onderzoek bij een prostaatkankerpatiënt. Hij vraagt geen revisie aan, maar houdt vast aan zijn eigen diagnose. Waardoor de dood als een volslagen verrassing komt voor de patiënt en zijn vrouw.    


Webshop

                                               

Ga naar de shop »»

Einde relatie

Een gezondheidszorgpsycholoog/psychotherapeut begint een relatie met een man die zij in 1997 en 2001 onder behandeling had. De relatie begint tien weken na een drietal sessies, terwijl de behandeling officieel niet was afgesloten. Vijf jaar lang wonen ze samen, waarna de man de relatie verbreekt. Hij dient vervolgens een klacht in over onder meer het aangaan van de relatie, dat zijn ex dossiergegevens heeft vernietigd, een foute diagnose over zijn toestand heeft gesteld en haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Omdat verweerster er duidelijk van doordrongen is dat ze professioneel tekort is geschoten, volgt als maatregel slechts een berisping.

Zaaknummer RTC Amsterdam 07/032GZP ten grondslag liggend aan Centraal Tuchtcollege 2008/ 002
Specialisme gezondheidszorgpsycholoog
Uitspraak Eerste aanleg: Berisping;
Hoger beroep: verwerping beroep
Klager Patiënte
Feiten Betreft het aangaan van een seksuele relatie met een patiënt tijdens althans kort na het beëindigen van een behandelrelatie.
  Met het selecteren van deze uitspraak voor de selectie van de inspectie wil de inspectie artsen er nogmaals van doordringen dat het aangaan van een seksuele relatie tijdens of direct aansluitend aan een professionele relatie niet is toegestaan.

 

2008/002 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer 2008/002 van: A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg, tegen C., gezondheidszorgpsycholoog, wonende te B., verweerster in beroep en in eerste aanleg, raadsvrouw prof.mr. W.R. Kastelein, advocaat te Utrecht.


1. Verloop van de procedure

A. - hierna te noemen klager - heeft op 29 januari 2007 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna te noemen de gezondheidszorgpsycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 13 november 2007, onder nummer 07/032GZP, heeft dat College de klacht deels gegrond verklaard en de gezondheidszorgpsycholoog berispt. Klager is van die beslissing voor zover hij in het ongelijk is gesteld, tijdig in hoger beroep gekomen. De gezondheidszorgpsycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijk met de zaak 2008/001 (A. / C., psychotherapeut) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 april 2009. De zaken zijn niet gevoegd. Verschenen zijn klager, vergezeld van zijn partner D. en de gezondheidszorgpsycholoog, bijgestaan door prof.mr. Kastelein. Als getuige aan de zijde van de gezondheidszorgpsycholoog is gehoord E., verpleegkundige, wonende te F..


2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerster is ingeschreven als gezondheidszorgpsycholoog en als psychotherapeut.
Zij heeft klager - na beroepsmatig eerder in 1997 een vijftal gesprekken met hem te hebben gevoerd - op verwijzing van de huisarts vanaf het voorjaar 2001 in een drietal sessies behandeld, toen in verband met verwerking van het beëindigen van zijn huwelijk. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden op 19 april, 2 mei en 23 mei 2001. Na het laatste gesprek heeft klager het contact verbroken.

Na ongeveer 10 weken heeft verweerster klager telefonisch benaderd met de vraag, hoe het met hem ging. Dit telefoongesprek heeft geresulteerd in hernieuwd contact tussen beiden, thans van persoonlijke aard, waarop een seksuele relatie is gevolgd. Klager is in het najaar van 2001 bij verweerster ingetrokken. Klager heeft deze relatie in 2006 beëindigd.

Klager heeft tegen verweerster ook een klacht ingediend bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (het NIP). Daarop is nog niet beslist.


3. Het standpunt van klager en de klacht.

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
1. in 2001 een relatie met klager is aangegaan;
2. de dossiergegevens over de periode 1997 en de periode 2001 heeft vernietigd;
3. een foute diagnose over klagers toestand heeft gesteld (a) en zich aan rolvermenging heeft schuldig gemaakt (b) en de grenzen van deskundigheid niet in acht heeft genomen (c);
4. haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Ter toelichting hierop voert klager aan, zakelijk weergegeven, dat verweerster misbruik van hem heeft gemaakt in een situatie waarin hij een zeer vervelende echtscheiding moest verwerken. Zij heeft hem met haar dominante gedrag en aanwezigheid altijd beïnvloed en geremd om zijn gevoelens te mogen uiten, waarbij zij er ten onrechte van is uitgegaan dat er bij hem symptomen waren van manie of depressie. Verweerster heeft hem compleet afhankelijk van haar gemaakt en hem met valse voorwendselen een auto van meer dan 40.000 euro weten te ontfutselen. De aantekeningen die van de gesprekken met klager zijn gemaakt, zijn ondanks herhaald verzoek van klager niet in zijn bezit gesteld. Het dossier zou, volgens verweerster in een brief, “mogelijk in een bui van boosheid” zijn vernietigd. Ten tijde dat tussen partijen de verhouding bestond, besprak verweerster met klager patiënten.
4. Het standpunt van verweerster.

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.


5. De overwegingen van het college.

5.1.
Vooropgesteld wordt dat verweerster zich in deze zaak uitsluitend als gezondheidszorgpsycholoog beoordeeld wil zien. Klager heeft zich over dit onderwerp niet (duidelijk) uitgelaten.

Het college is van oordeel dat de betrekkelijk korte duur en geringe hoeveelheid sessies, zoals hier beoogd en daadwerkelijk gehouden (in totaal drie in iets meer dan een maand) alsmede het onderwerp van de hulpvraag (verwerking na echtscheiding), inderdaad wijzen op hulpverlening die – minder dan bij de interventie van psychotherapeutische aard – tot het gebied van de gezondheidszorgpsycholoog behoort. Niettemin is er geen reden om verweerster alleen als psycholoog te beoordelen. De aan haar verweten gedragingen hebben volstrekt toevallig meer in psychologische dan in therapeutische “setting” plaatsgevonden en niet aannemelijk is dat het gedrag van verweerster in de ene hoedanigheid wezenlijk anders zou zijn geweest dan in de andere. Nu voor beide beroepsgroepen dezelfde althans sterk vergelijkbare regels gelden, acht het college zich in beide samenstellingen bevoegd en zullen twee beslissingen volgen.

5.2.
De tweede voorvraag die het college zich stelt betreft de vraag, of verweerster met klager een persoonlijke relatie tijdens of na de behandelrelatie is aangegaan. Een antwoord hierop vormt de beoordeling van klachtonderdeel 1.

Geoordeeld wordt dat van het eerste sprake is. Vaststaat dat verweerster nooit de behandelrelatie expliciet en op duidelijk zichtbare wijze formeel heeft afgesloten. Voor een beëindiging van de behandeling bij de laatste sessie op 23 mei 2001 pleit alleen dat alleen klager toen van een vervolg van de gesprekken afzag. Dat is te weinig om de behandelrelatie objectief als beëindigd te beschouwen. Daarbij geldt tevens dat verweerster, naar zij zelf verklaart bij wijze van nazorg, na de 3 sessies weer contact met klager heeft gezocht, waaruit blijkt dat zij zelf haar taak als behandelaar nog niet als geëindigd beschouwde. Klager heeft deze belangstelling van verweerster beantwoord door in te stemmen met voortzetting van het contact. Op dat moment bestond dus de behandelrelatie nog en het is onder de omstandigheden van dit geval te willekeurig om aan te nemen dat de persoonlijke relatie pas na het einde van de professionele relatie is ontstaan. Deze kwestie doet overigens minder ter zake, nu het verweerster volgens de geldende regels (Artikel III 1.3.6. en III 1.3.9. van de Beroepscode voor psychologen 1998 van het NIP) ook verboden was om een persoonlijke relatie aan te gaan.

Artikel III 1.3.6. bepaalt: “De psycholoog gaat geen seksuele relatie aan met zijn cliënt tijdens of direct aansluitend aan de professionele relatie. Ook nadien is hij daarin terughoudend.”

Artikel III 1.3.9. bepaalt: “Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na het beëindigen van de professionele relatie vergewist de psycholoog zich ervan dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer heeft.

Als het hierbij gaat om een seksuele relatie is de psycholoog er verantwoordelijk voor dat hij desgevraagd kan aantonen dat hij bij het aangaan van deze relatie alle zorgvuldigheid in acht genomen heeft, die van hem als professioneel psycholoog gevraagd kan worden”.

Niet gesteld of aannemelijk is gemaakt dat de persoonlijke respectievelijk seksuele relatie eerst is ontstaan nadat verweerster gebleken was dat de professionele relatie (voorbij was en) “geen onevenredige betekenis” meer had respectievelijk nadat zij bedoelde zorgvuldigheid in acht had genomen.

De beroepscode voor psychotherapeuten in de thans geldende versie - en een weerslag van de normen die ook reeds in 2001 golden - schrijft voor (artikel II.1.1.3): “Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na afloop van de professionele relatie zal de psychotherapeut steeds aantoonbaar het belang van de cliënt respecteren in die zin, dat hij zich ervan vergewist dat de eerdere professionele relatie geen onevenredige betekenis meer heeft.”

en

(artikel II. 5.1.1:) “De psychotherapeut gaat geen seksuele relatie aan met zijn cliënt tijdens of direct aansluitend aan de professionele relatie….”

Niet gesteld of aannemelijk is gemaakt dat verweerster in het belang van klager – uiteraard: vanuit psychotherapeutische invalshoek bezien – de persoonlijke relatie is aangegaan. Dat schending van het laatste aangehaalde artikel heeft plaatsgevonden behoeft geen betoog.

Klacht onderdeel 1. is dus gegrond. Klaagster heeft zich met het aangaan van de persoonlijke relatie op ontoelaatbare wijze schuldig gemaakt aan een vermenging van de rol van hulpverlener en intieme vriendin van klager. Voor zover klager in zijn verwijten daarop heeft gedoeld, heeft zij de grenzen van deskundigheid miskend. In zoverre zijn de klachtonderdelen 3. (b) en (c) gegrond.

Ad 2:
Verweerster heeft ter terechtzitting toegegeven dat zij het dossier van klager niet meer kan overleggen. Daarvan is verweerster, bij gebreke van verontschuldigbare omstandigheden tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Dat zij in een brief de mogelijkheid heeft geopperd dat zij het dossier uit boosheid heeft vernietigd, geeft te denken en maakt het daarop gebaseerde verwijt op zichzelf genomen des te ernstiger. Dat van opzettelijke wegmaking sprake is geweest, is echter niet kunnen worden vastgesteld. Dit neemt niet weg dat verweerster niet aan haar plicht tot bewaren heeft voldaan. Omstandigheden ter rechtvaardiging zijn niet gebleken. Dit klachtonderdeel zal dus gegrond worden verklaard.

Ad 3 (a):
Ter terechtzitting is niet genoegzaam vast komen te staan dat verweerster als hulpverleenster van klager een foute diagnose over hem heeft gesteld. In zijn toelichting op dit klachtonderdeel heeft klager verwezen naar de periode tijdens de persoonlijke relatie waarin verweerster hem “manische depressiviteit” heeft aangepraat. Aangenomen moet worden dat toen een professionele relatie niet meer bestond. Los daarvan staat niet vast dat klaagster een diagnose heeft gesteld, terwijl overigens haar niet valt te verwijten dat zij tijdens de persoonlijke relatie mogelijk uitspraken over klagers (geestes)gesteldheid heeft gedaan. Of zij het met die uitspraken bij het rechte eind heeft gehad, of niet, doet niet terzake en kan dus onbeantwoord blijven. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. Dezelfde motivering geldt voor de afwijzing van het verwijt dat verweerster klager tijdens de persoonlijke relatie geld voor de aanschaf van een auto heeft ontfutseld.

Ad 4:
Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond. Verweerster heeft dit verwijt bestreden, terwijl genoegzaam aanvullend bewijs voor de stelling van klager niet voorhanden is. Daaraan moet dus worden voorbij gegaan.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gedeeltelijk, en wel voor de klachtonderdelen 1., 2. en 3. (b) en (c), gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.

De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend. Verweerster heeft in verschillende opzichten niet gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden. Met dat gedrag heeft zij haar beroepsgroep in diskrediet gebracht. De ernst rechtvaardigt oplegging van een zware maatregel. Volstaan zal echter worden met oplegging van de maatregel van berisping, enerzijds omdat verweerster tijdens de zitting het college ervan heeft overtuigd er volledig van doordrongen te zijn geraakt dat zij als gezondheidszorgpsycholoog/psychotherapeut professioneel tekort is geschoten en er alles aan zal doen om herhaling te voorkomen. Anderzijds betreft het hier gedragingen die voor een belangrijk deel reeds langer, te weten zes jaar, geleden zijn voorgevallen. Mede daardoor en door de langdurige relatie tussen partijen daarna, dient de noodzaak om de geconstateerde schendingen zwaar te bestraffen gerelativeerd te worden.”


3. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten, zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2. De feiten. zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Klager is in beroep gekomen van het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klachtonderdelen 3.a. en 4. ongegrond zijn. Volgens klager zijn ook die onderdelen van de klacht gegrond. Ter ondersteuning van die stelling heeft klager hetgeen hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd herhaald en nader toegelicht.

4.2. De gezondheidszorgpsycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie het beroep te verwerpen.

4.3. De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege, zodat het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter,
mr. C.H.M. van Altena en mr.drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en
dr. G.M. van der Aalsvoort en drs. G.A.M. Mensing, leden-beroepsgenoten en
mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2009, door mr. A.D.R.M. Boumans, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?

Volg Medisch Contact op Twitter

Best gewaardeerde docs

Meer documentaires »»

Best gewaardeerde films

Meer films »»

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd