Olympische dokters
Meer dan negentig Nederlandse artsen en geneeskundestudenten hebben sinds 1900 deelgenomen aan de Olympische Spelen. Lees Meer
Nieuwste column
Meevoelend
23-05-2012 |
Het verpleeghuis betekent niet altijd kommer en kwel, maar de coassistent die deze week meeloopt hoort mij wel erg vaak zeggen: ‘zielig hè’ of ‘triest eigenlijk’ of ‘beetje hopeloos dit’ en aan het eind van de dag is ze zo overvoerd met ellende dat ze zich hardop afvraagt hoe ik het volhoud. »»
Reacties: 1 reactie
Tuchtzaak
Het gevaar van het eigen gelijk
22-05-2012 |
Dit item is beschikbaar als u bent ingelogd.
Inloggen
| Een uroloog wantrouwt de uitslag van pathologisch onderzoek bij een prostaatkankerpatiënt. Hij vraagt geen revisie aan, maar houdt vast aan zijn eigen diagnose. Waardoor de dood als een volslagen verrassing komt voor de patiënt en zijn vrouw.
Negatieve beeldvorming
De Raad voor de Kinderbescherming maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen van een gescheiden stel. De huisarts wordt gehoord als informant. De vader vindt dat er over hem bij de Raad voor de Kinderbescherming een negatieve beeldvorming, onder meer over seksuele toestanden, is ontstaan door de uitlatingen van de huisarts. De huisarts had zich moeten beperken tot het informeren van de Raad voor de Kinderbescherming over medische feiten, maar hij maakte ook niet-objectiveerbare opmerkingen. Voor dit onderdeel van de klacht krijgt de huisarts een waarschuwing.
| Zaaknummer | Centraal tuchtcollege 2008/090 |
| Specialisme | Huisarts |
| Uitspraak | Verwerpt het beroep; waarschuwing |
| Klager | Patiënt |
| Feiten | In het kader van een verzoek tot een omgangsregeling tussen klager en zijn kinderen heeft de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een rapport en advies uit te brengen. De huisarts is in dit kader door de Raad voor de Kinderbescherming gehoord. De klacht ziet op de informatie die de huisarts aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft verstrekt. Klager is van mening dat deze onjuist en suggestief is. |
| Leermoment | De huisarts heeft met zijn uitlatingen het risico genomen dat er ten onrechte een negatief beeld van klager zou ontstaan. Een arts die door de Raad voor de Kinderbescherming als informant wordt gehoord, dient zich zoveel mogelijk te beperken tot de relevante medische informatie waarover hij uit hoofde van zijn beroep als arts beschikt. Als een arts ook nog over andersoortige informatie beschikt, dient hij zich in ieder geval te onthouden van het verstrekken van informatie die niet gebaseerd is op eigen waarneming dan wel niet objectief is vast te stellen. |
2008/090
Centraal tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/090 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg, tegen C., huisarts, wonende te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. G.S. Jongstra, als jurist werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna te noemen klager - heeft op 12 juni 2007 bij het Regionaal Tucht- college te Groningen tegen C. - hierna te noemen de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 januari 2008, onder nummer G2007/38 heeft dat College de klacht in het eerste onderdeel grotendeels gegrond verklaard en daarvoor de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het College heeft klager in het tweede onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk verklaard en het derde onderdeel van de klacht ongegrond verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 januari 2009, waar zijn verschenen klager en de huisarts, bijgestaan door mr. I.T. van Delft, kantoorgenoot van mr. G.S. Jongstra voornoemd, die namens de huisarts ter zitting het woord heeft gevoerd. Als getuige aan de zijde van klager is gehoord E., kennis van klager en diens voormalige echtgenote F..
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“ 2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,
die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.
Klager is op 19 oktober 1989 gehuwd met F.. Uit dit huwelijk zijn de twee kinderen G. en H. geboren. Verweerder was de huisarts van klager en zijn gezin. Vanaf 1999 ontstonden er relatieproblemen en uiteindelijk zijn klager en F. in 2006 uit elkaar gegaan. De rechtbank te I. heeft bij beschikking van 2 februari 2007 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht rapport en advies uit te brengen met betrekking tot het verzoek van klager om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn kinderen. In het concept-rapport van 4 juni 2007 van de Raad voor de Kinderbescherming - een definitief rapport is niet overgelegd - wordt gesteld dat op 2 april 2007 in multidisciplinair overleg is besloten het onderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek. De reden voor deze uitbreiding was dat de Raad voor de Kinderbescherming zich zorgen maakte over de ontwikkeling van de kinderen en dat de verhalen van de ouders onverenigbaar met elkaar waren. De Raad voor de Kinderbescherming vreesde voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Verweerder werd op 16 mei 2007 door de Raad voor de Kinderbescherming als informant gehoord.
Op pagina 14 en 15 van het rapport is daarvan verslag gedaan. In dat verslag staat onder meer vermeld:
(…)
De huisarts heeft meerdere gesprekken met moeder gehad en is van mening dat moeder vanuit haar cultuur een andere beleving heeft van dingen en haar verhalen soms wat fantasierijk vertelt. Hij zag echter geen reden voor een gedwongen opname. Vader is hierdoor enorm kwaad geworden op en bedreigend geweest richting de huisarts.
(…)
Het gedrag van vader baart de huisarts zorgen. Naast voorgaande heeft vader meerdere malen geprobeerd het huis binnen te dringen. Moeder heeft de huisarts een voicemail laten horen waarin vader seksueel getinte uitspraken doet over moeder en de kinderen. Er zijn meerdere verhalen geuit over seksuele toestanden rondom vader, bijvoorbeeld het vermoeden dat hij seks zou hebben met een hond.
(…)
In maart 2006 is moeder door de huisarts verwezen vanwege een vaginale cyste, in het ziekenhuis bleek er bloed uit de cyste te komen in plaats van vocht of pus. Dit is uitzonderlijk en de oorzaak is niet duidelijk. Het is onduidelijk of er een trauma aan vooraf is gegaan. Moeder heeft een visioen dat ze geaborteerd is.
In april 2007 is de zedenpolitie bij de huisarts geweest, vanwege dit voorval.
(…)
De huisarts geeft aan dat het gezin contacten had binnen drugskringen. Het is bij de huisarts onbekend of moeder en/of vader drugs hebben gebruikt.
(…)
Moeder probeert op een dappere manier haar gang te gaan. (…) Hij denkt dat ze sterker is geworden nu vader uit beeld is. In het medisch dossier staat onder meer vermeld:
12-09-2006 S vindt behandeling/ibs nodig.
(…)
uitleg, mag als elke nederlander melding voor een RM doen, hij vindt dat ik dat moet doen
uitleg: onvoldoende reden, dan zal er ergere zaken moeten zijn gaat dan opeens verschrikkelijk te keer, gaat dan dreigende taal uitslaan, weet me wel te vinden, legt verantwoording bij mij (…)
3. De klacht
De klacht luidt - zakelijk weergegeven en per onderdeel genummerd - als volgt.
1. Verweerder heeft als huisarts van klager en zijn gezin onjuiste en suggestieve informatie over hem verstrekt aan de Raad voor de Kinder- bescherming.
Ten onrechte heeft verweerder verklaard dat klager zou hebben aangedrongen op een gedwongen opname. Klager had slechts gevraagd zijn echtgenote door te verwijzen naar een psychiater omdat hij haar ernstig in de war vond.
Voorts heeft verweerder aangegeven dat er bij de echtgenote van klager sprake is geweest van een bloedende vaginale cyste waaruit geen vocht of pus kwam, wat volgens hem uitzonderlijk was. Door vervolgens bij de Raad voor de Kinderbescherming aan te geven dat er een onderzoek door de zedenpolitie had plaatsgevonden, werd gesuggereerd dat er geweld zou hebben plaatsgevonden.
Vervolgens heeft verweerder uitlatingen gedaan over een voicemailbericht met seksueel getinte uitspraken, zonder te controleren van wie deze afkomstig waren.
Ook heeft verweerder verklaard dat klager meerdere malen de door zijn echtgenote bewoonde woning probeerde binnen te dringen, hetgeen onjuist is.
Ten slotte heeft verweerder de insinuerende opmerking gemaakt dat het gezin in drugskringen verkeerde, hetgeen in strijd met de waarheid is.
Door deze uitlatingen is er bij de Raad voor de Kinderbescherming een negatieve beeldvorming over klager ontstaan.
2. Verweerder heeft een ernstige inschattingsfout gemaakt bij zijn beoordeling omtrent het bestaan van een eventueel psychiatrisch toestandsbeeld bij F., de toenmalige echtgenote van klager. Verweerder heeft zeer gebrekkig gecommuniceerd met de GGZ J., terwijl hij op de hoogte was van het feit dat klager ervan overtuigd was dat F. psychotisch was.
Ook heeft verweerder nagelaten een goede psychosociale hulpverlening in te zetten ten behoeve van zijn psychiatrisch ernstig zieke echtgenote.
3. Bij schrijven van 13 augustus 2007 heeft verweerder de klacht uitgebreid met het verwijt dat verweerder heeft geweigerd klager het medisch dossier te doen toekomen. Uiteindelijk heeft klager het dossier, nadat dit eerst naar een verkeerd adres was gestuurd, alsnog ontvangen, maar het medisch journaal ontbrak.
4. Het verweer
Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Verweerder is van mening dat klager niet-ontvankelijk is voor zover zijn klachten zien op de behandeling door verweerder van F.. Nu niet gebleken is van toestemming van F., beroept verweerder zich ten aanzien van haar op zijn geheimhoudingsplicht. Wat betreft het verwijt dat verweerder op grond van zijn mededelingen aan de Raad voor de Kinderbescherming klager in een negatief daglicht zou hebben geplaatst, stelt verweerder het volgende.
Op 16 mei 2007 heeft verweerder telefonisch contact gehad met K. van de Raad voor de Kinderbescherming. Verweerder heeft getracht de situatie vanuit beide partijen te belichten en daarbij aangegeven dat er over en weer de nodige verwijten zijn gemaakt. Verweerder heeft zich nadrukkelijk onthouden van het trekken van conclusies dan wel van het stellen van een diagnose.
Hij heeft op objectieve wijze aangegeven dat er spanningen in het gezin waren en heeft ter illustratie van de aard en de omvang van die problemen een aantal incidenten aangehaald, echter zonder diagnose of verdachtmakingen.
Ten aanzien van de vertraagde ontvangst van het medisch dossier stelt verweerder dat hij in de periode 23 juni tot en met 15 juli 2007 met vakantie was. Een verzoek om een afschrift van het medisch dossier d.d. 29 juni 2007 werd als aangetekend poststuk aangeboden op 2 juli 2007. Verweerder heeft hiervan pas kennisgenomen op 19 juli 2007. Op 25 juli 2007 heeft verweerder het patiëntendossier aangetekend verzonden. Nadien bleek van een misverstand over de adreswijziging van klager. Verweerder is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en concludeert tot afwijzing van de klacht.
5. Beoordeling van de klacht
Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het College als volgt. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel is het College van oordeel dat een arts die door de Raad voor de Kinderbescherming als informant wordt gehoord, zich zoveel mogelijk dient te beperken tot de relevante medische informatie waarover hij uit hoofde van zijn beroep als arts beschikt. Als een arts ook nog over andersoortige informatie beschikt, dient hij zich in ieder geval te onthouden van het verstrekken van informatie die niet gebaseerd is op eigen waarneming dan wel niet objectief is vast te stellen. Voor zover het betreft de uitlatingen van verweerder aan de Raad voor de Kinderbescherming over de door klager gewenste gedwongen opname en het bezoek van de zedenpolitie aan verweerder, valt verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. De opmerking over de gedwongen opname wordt weliswaar door klager ontkend, maar op grond van de aantekeningen hierover in het medisch dossier ziet het College geen aanleiding om klager in zijn ontkenning te volgen. Dat de zedenpolitie bij verweerder is geweest naar aanleiding van een bloedende vaginale cyste bij F., met de mogelijkheid van een daaraan voorafgaand trauma, is een feit dat klager niet heeft bestreden. Het betreft hier een feit waarvoor de politie verweerder als arts benaderde, zodat niet valt in te zien waarom verweerder deze informatie aan de Raad voor de Kinderbescherming zou moeten onthouden. Deze informatie kan erop duiden dat er naar aanleiding van de medische toestand van F. een strafrechtelijk opsporingsonderzoek gaande was, zonder dat daarbij een persoon als verdachte is genoemd. Op grond van het bovenstaande acht het College dit klachtonderdeel ongegrond. Anders is het echter met de volgende uitlatingen van verweerder aan de Raad voor de Kinderbescherming. De opmerking van verweerder dat klager meerdere malen het huis van F. probeerde binnen te dringen, is informatie die niet is gebaseerd op objectiveerbare feiten en omstandigheden. Dit geldt ook voor de vermeende seksueel getinte uitspraken die klager op de voicemail zou hebben gedaan. Niet gebleken is hoe verweerder heeft kunnen vaststellen dat deze teksten door klager en niet door iemand anders zijn ingesproken. Ook de verklaring van verweerder aan de Raad voor de Kinderbescherming over verhalen die er zouden bestaan over seksuele toestanden rondom klager, waarbij als voorbeeld wordt genoemd het vermoeden dat klager seks zou hebben gehad met een hond, vindt nergens een objectieve onderbouwing, evenals de opmerking dat het gezin contacten zou hebben binnen drugskringen.
Dat door deze opmerkingen een negatieve beeldvorming ten aanzien van klager zou kunnen ontstaan is evident. Een arts dient er zich te allen tijde van bewust te zijn dat er in een echtscheidingssituatie sprake is van een belangenstrijd en dat niet zelden van beide zijden getracht zal worden de eigen situatie zo gunstig mogelijk voor te stellen, eventueel ten koste van de andere partij. Als een arts met een dergelijke situatie wordt geconfronteerd, dient hij daarop alert te zijn en moet hij proberen te voorkomen dat hij voor een van zijn patiënten partij trekt. Hij dient behoedzaam te zijn bij het verstrekken van informatie aan de Raad voor de Kinderbescherming en andere hulpverlenende en adviserende instellingen. Immers, deze instellingen mogen ervan uitgaan dat de arts zijn patiënten goed kent en zullen, ook gelet op zijn deskundigheid als arts, veel waarde aan zijn visie hechten. Het College is van oordeel dat verweerder geen -al dan niet professionele - aanwijsbare redenen van wetenschap had voor bovenvermelde uitlatingen aan de Raad voor de Kinderbescherming en dat hij daarmee het risico heeft genomen dat er ten onrechte een negatief beeld van klager zou ontstaan.
De klacht is op dit onderdeel gegrond. Uit het gestelde in het tweede klachtonderdeel blijkt dat klager de kwaliteit van de destijds door verweerder verleende zorg aan F. aan een tuchtrechtelijke toets wil onderwerpen. Op grond van artikel 65, eerste lid onder a van de Wet BIG, kan een klacht slechts aanhangig worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Onder rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet BIG dient te worden verstaan de patiënt of, in geval van overlijden, zijn nabestaanden. Bovendien kunnen ook de naaste betrekkingen van een patiënt rechtstreeks belanghebbende zijn. Dit is het geval indien de patiënt minderjarig is of anderszins handelingsonbekwaam.
Nu bovenstaande situatie zich niet voordoet, komt het College tot het oordeel dat klager ten aanzien van onderdeel 2 van zijn klacht geen zelfstandig klachtrecht toekomt en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van het derde klachtonderdeel is het College van oordeel dat de vakantie van verweerder en verhuizing van klager met daarbij een misverstand over het nieuwe adres, een rol hebben gespeeld bij de vertraagde ontvangst door klager van het medisch dossier. Vervolgens bleek het medisch journaal nog bij de stukken te ontbreken en is alsnog nagezonden. Het College acht de vertraging verontschuldigbaar en het verzuim niet zodanig ernstig dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Dit klachtonderdeel acht het College dan ook ongegrond. Gelet op het hierboven grotendeels gegrond verklaarde gedeelte van het eerste klachtonderdeel, acht het College de maatregel van waarschuwing passend“.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet althans onvoldoende gemotiveerd, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager is in beroep gekomen tegen de ongegrondverklaring van zijn klachten geformuleerd in het eerste klachtonderdeel betreffende de uitlatingen van de huisarts aan de Raad voor de Kinderbescherming over de vermeende door klager gewenste gedwongen opname van klagers toenmalige echtgenote F. en het bezoek dat de zedenpolitie aan de huisarts had gebracht. Voorts is klager opgekomen tegen zijn niet-ontvankelijkverklaring in het tweede klachtonderdeel inzake de kwaliteit van de destijds door de huisarts aan F. verleende zorg. Tot slot heeft klager grieven opgeworpen tegen de ongegrondverklaring cq. het niet behandelen van zijn derde klacht betreffende de verstrekking van respectievelijk de kwaliteit van het medisch dossier. Klager heeft de klachten in hoger beroep nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe dat de klachten alsnog gegrond worden verklaard.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie klager in de eerste twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep voor het overige te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.
Het eerste klachtonderdeel: de uitlatingen van de huisarts aan de Raad voor de Kinderbescherming over de vermeende door klager gewenste gedwongen opname van F. en het bezoek van de zedenpolitie aan de huisarts.
4.4 Nu het Regionaal Tuchtcollege deze klachten ongegrond heeft geacht kan klager in zijn hoger beroep daartegen worden ontvangen. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven om ter zake van dit klachtonderdeel te komen tot een andere beschouwing en beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. In zoverre zal het beroep dan ook worden verworpen. Het tweede klachtonderdeel: De kwaliteit van de destijds door de huisarts aan klagers toenmalige echtgenote F. verleende zorg.
4.5 Klager is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in zijn tweede klacht betreffende de kwaliteit van de destijds door de huisarts aan klagers toenmalige echtgenote F. verleende zorg. In hoger beroep stelt klager opnieuw de ontvankelijkheid aan de orde.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege overweegt in dit verband dat ingevolge het bepaalde in artikel 65, eerste lid onder a, van de Wet BIG een tuchtzaak aanhangig wordt gemaakt door een schriftelijke klacht van onder meer een rechtstreeks belanghebbende. Onder dit begrip vallen in ieder geval de patiënt zelf, alsook de nabestaanden van een overleden patiënt. Ook de naaste betrekkingen van een patiënt kunnen rechtstreeks belanghebbende zijn. Dit is in de eerste plaats het geval indien de patiënt minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is. Een redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat de naaste betrekkingen ook als rechtstreeks belanghebbend moeten worden aangemerkt wanneer de patiënt met de indiening van de klacht instemt. Verder zijn naaste betrekkingen in beginsel eveneens gerechtigd een klacht in te dienen, indien de klacht een handelen of nalaten van de beroepsbeoefenaar betreft in strijd met de zorg die deze behoort te betrachten ten opzichte van de naaste betrekkingen van de patiënt.
In de onderhavige zaak beoogt klager als naaste betrekking van zijn toenmalige echtgenote F. de door de huisarts aan F. verleende zorg aan een tuchtrechtelijke toets te onderwerpen. Het Centraal Tuchtcollege wil aannemen dat klager deze tuchtklacht entameert omdat hij is begaan met de gezondheidstoestand van zijn inmiddels ex-echtgenote en merkt klager in zoverre aan als belanghebbende.
Of klager evenwel als belanghebbende ook in voldoende mate rechtstreeks belanghebbend is om als zodanig een zelfstandig klachtrecht geldend te kunnen maken, hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Het Centraal Tuchtcollege heeft de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
1) Klager was ten tijde van het indienen van zijn klacht dat de huisarts F. onvoldoende zorg had verleend ter zake van haar geestelijke gezondheidstoestand, met F. verwikkeld in relatieproblematiek uitlopend op een echtscheidings- procedure, waarbij ook de toewijzing van klagers kinderen aan F. aan de orde was; klagers kinderen zijn thans toegewezen aan F.;
2) De huisarts heeft naar aanleiding van klagers mededelingen over de geestelijke gezondheidstoestand van F. beiden doorverwezen naar de GGZ teneinde de gestelde (gezins)problematiek (verder) in kaart te brengen; klager en F. hebben oriënterende gesprekken gevoerd met L., psychiater werkzaam bij de GGZ, die daarna telefonisch aan de huisarts heeft medegedeeld dat er op dat moment ten aanzien van F. geen aanleiding was verdere stappen te nemen in het kader van de hulpverlening, omdat zij aangaf geen hulpvraag te hebben;
3) F. - van wie niet is gebleken dat zij wilsonbekwaam is - is meerderjarig en heeft zelf geen klacht tegen de huisarts ingediend; evenmin is gebleken dat zij instemt met de door klager ingediende klacht.
Op grond van voormelde feiten en omstandigheden kan klager naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in art. 65 lid 1 sub a Wet BIG worden aangemerkt. Klager komt in onderhavige tuchtrechtelijke procedure dan ook geen zelfstandig klachtrecht toe. Dit betekent dat klager in eerste aanleg terecht in het tweede klachtonderdeel niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep moet in zoverre dan ook worden verworpen.
Derde klachtonderdeel: De weigering het medisch dossier aan klager te doen toekomen en de kwaliteit van het medisch dossier.
4.7 Ten aanzien van klagers medisch dossier overweegt het Centraal Tuchtcollege dat klager terecht heeft aangevoerd dat zijn klacht over de gebrekkige kwaliteit daarvan reeds bij de behandeling in eerste aanleg aan de orde is geweest en dat het Regionaal Tuchtcollege heeft nagelaten zich in de beslissing hierover uit te laten. Deze klacht maakt derhalve deel uit van het beroep. Het Centraal Tuchtcollege is echter niet gebleken dat de inhoud van het medisch dossier onvolledig of onjuist is geweest. Wat betreft de gestelde weigering van de huisarts het medisch dossier aan klager te verstrekken heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat ook het beroep inzake het derde klachtonderdeel moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. E.J. Van Sandick, voorzitter,
mrs. C.H.M. van Altena en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en H.J. Blok en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris, en uitgesproken
1 1 2008/090
ter openbare zitting van 3 maart 2009, door mr. A.H.A. Scholten, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Best gewaardeerde docs
Profielen Dick Swaab, Henk Barendregt & Frans de Waal
08-02-2011 |
Nooit eerder was er, ook bij het grote publiek, zo veel belangstelling voor de werking van de hersenen. »»
Reacties: Plaats een reactie
De Echte Coassistent
16-03-2011 |
De televisiereeks De Echte Coassistent volgt zes studenten geneeskunde tijdens hun coschappen in het Deventer Ziekenhuis. »»
Reacties: Plaats een reactie
Best gewaardeerde films
Film: Intouchables - Olivier Nakache, Eric Toledano
24-04-2012 |
Subliem acteerwerk in Intouchables, een op feiten gebaseerde film die bijna twintig miljoen Fransen naar de bioscoop trok. »»
Reacties: 2 reacties
Film: De goede dood - Wannie de Wijn
22-02-2012 |
‘Ik heb niks te maken met de dood. De dood is van jullie. Het sterven is van mij.’
Het klinkt hard, maar het komt er wel op neer voor de familie en vrienden van de ongeneeslijk zieke Bernhard, die besloten heeft om te sterven. »»
Reacties: Plaats een reactie

















